Alle berichten van Ton

Buen camino

Er zijn honderden redenen te bedenken om de Camino de Santiago te lopen, tot Santiago de Compostela in het noordwesten van Spanje of een stukje ervan. Niet veel van de mede-peregrinos die ik tegenkwam in de week dat ik de Camino liep, verdenk ik van religieuze motieven, hooguit spirituele motieven. Het graf van apostel Jacobus bezoeken of dichter bij God zijn. Ik kan weinig met dat soort motieven. In de middeleeuwen was er nog een aflaat te halen in Santiago, een korting op het vagevuur. Later speelde volgens Herman Vuijsje het navoelen van het lijden van Jezus een rol. ‘De camino mocht niet over rozen lopen, maar moest over doornen gaan.’

Culturele motieven, noemt een Spaanse site. Dat is voor velen nu een belangrijke reden. Voor de meesten, denk ik. Of huilen en uitrazen, wat verdriet of tegenslag vooronderstelt. Jezelf terugvinden, pure eenzaamheid ervaren of juist vriendschap vinden. Liefde misschien, zoals die Oostenrijkse medepelgrim die vertelde hoe hij zijn lief was tegengekomen tijdens een eerdere tocht. De natuurbeleving, de uitdaging of de sport. De lokale wijnen langs de route ontdekken, een alternatief voor playa en pretparken bezoeken of nu eindelijk eens het land van Goya en Don Quijote leren kennen.

Het is heel simpel, haal een stempelkaart, vul je rugzak met wat voeding, water en kleding en begin te lopen. Vooropgezet dat je een beetje conditie hebt. Begin liefst vroeg in de ochtend, tegen zonsopgang. Of eerder als je een nachtlampje hebt. Volg de borden en pijlen en als je rond de middag in de buurt van een herberg komt, is dat wellicht een mooi moment om de tocht voor die dag te onderbreken.

Ik was in Pamplona waar ik een taalcursus deed. Weinig cursisten, maar dat trekt me juist wel. Een stad die ik vaag kende, waarvandaan ik vrienden kon bezoeken en waar ik me kon onderdompelen in het Spaanse leven. Dat zocht ik daar. Na afloop van de cursus had ik nog een weekje. En pas een dag of drie voordat ik me op de Camino begaf, bedacht ik dat het misschien wel een goed idee was me op de Camino te begeven. Misschien hielp het dat een Spaanse vriendin me enthousiast appte dat ze net die week de laatste vijf etappes naar Santiago had gelopen. Mijn simpele motto: lopen is leuk!

Behoorlijk onvoorbereid, ja. Maar goed, wat heb je nodig? Zo dacht ik. Behalve een paar loopschoenen, een tandenborstel en natuurlijk, vanzelfsprekend, onontbeerlijk, een boek. Waar ga je heen zonder boek? Ik nergens. Nooit.

In dit geval was dat helaas niet Homo Deus, het prachtige, meeslepende, overtuigende werk van de Israëlische historicus Yuval Noah Harari. Grappig dat ik een Schotse vrijwilligster die wacht hield bij een kerkje onderweg juist met dat boek zag. Grappig ook omdat Noah Harari religie als heel functioneel beschrijft: het christendom is bedacht om landbouw en consumptie van planten en dieren te legitimeren. Zijsprongetje. Dat boek had ik al voor de vakantie gelezen, ik las nu een dikke Spaanse roman van Paloma Sanchez-Garnica.

Terug naar de tocht. Pamplona ligt een 750 kilometer van Santiago de Compostela, maar juist de oversteek van de Pyreneeën trok me aan. Dus nog een stukje terug. Ik kocht een ‘credencial’, een stempelkaart die als bewijs geldt voor de herbergen dat je daadwerkelijk bezig bent met de Camino. Alleen op vertoon van die kaart kun je daar slapen. Ik nam de bus naar Saint Jean Pied-de-Port, net over de Spaanse grens en drie etappes vóór Pamplona. En ik liep er naar het toeristenbureau voor een eerste stempel.

Daar schoten de tranen me in de ogen. Mijn eerste stempel! Hoeveel zouden er volgen, wat zou ik tegenkomen, is dit het begin van iets, hoeveel honderdduizenden mensen zijn me voorgegaan, wat is dit? Ik vraag me af of de stempelaar van het toeristenbureau iets heeft gemerkt. Hij was wel heel vriendelijk en wenste me ongeveer als eerste ‘buen camino’.

Later die dag raakte ik opnieuw geëmotioneerd. Ik had de acht kilometer naar herberg Orisson gelopen en me daar ingeschreven. Tot het gezamenlijk avondeten had ik nog een paar uur en ik probeerde te lezen. Dat ging moeizaam. Blij dat om 7 uur ’s avonds het eten op tafel stond. Er zaten ruim dertig peregrinos aan twee lange tafels. Ik zat naast Victor en Estefania, twee Spaanse wandelaars. Er waren veel Italianen, een paar Amerikanen. Er was nog een Argentijn, een van de eersten die ik tegenkwam. Ik zag hem later, nauwelijks gestopt met lopen voor die dag, met een halve liter bier. ‘Dat is goed voor je spieren’, beweerde hij.

De Franse eigenaresse van de herberg vroeg even aandacht voor dat ze met het toetje kwam. ‘Willen jullie allemaal je naam en land noemen?’ Op dat moment zag ik mijn mede-peregrinos pas. Allemaal mensen zoals ik die soms al eerder de Camino hadden gelopen, maar meestal net gestart waren. Sommigen gingen heel zelfverzekerd staan, met trots en overtuiging, anderen waren juist super verlegen, misschien wel extra door de bravoure van anderen. En ik kreeg opnieuw de tranen in mijn ogen.

Het maakt me niet uit wat de motieven zijn. Of je nu op zoek bent naar inkeer en reflectie of niet, daar misschien toe gedwongen wordt, al lopend. Of ook al wil je alleen maar even lopen. Maakt mij niet uit. Maar ik vind het mooi wat Vuijsje – ook een pelgrim zonder God – daarover schreef: ‘Wie nu naar Compostela trekt, maakt zich los van waarden als effectiviteit en efficiëntie. Vaak weet hij zelfs niet wat hij wil en gaat hij op pad om daar achter te komen. Terwijl we in ons dagelijks leven steeds doelgerichter zijn geworden, is op de camino een tegengestelde ontwikkeling te zien.’

Ik denk aan het Italiaanse echtpaar, die ik net voor Pamplona waarschijnlijk voor de vijfde keer die dag, tegenkwam. “We leven tijdelijk in een aparte wereld, een wereld waarin je enige doel is lopen, stempelen, eten en slapen. Los van de wereld, afgekeerd van de wereld. Al die mensen die we tegenkomen, en die niet de Camino lopen, zijn buitenstaanders. Voor hen gaat het echte leven door. Wij zijn daar even weg.” Dat is mooi, vakantiedoel op zich. En dat je helemaal in het nu leeft. Dat gevoel had ik ook. Niet bezig met zoeken of aankomen, maar hooguit ervaren, beleven, lopen.

Het meest overtuigende was dat ik op de laatste ochtend, in Estella, ergens blij was dat ik niet verderging, maar ergens ook jaloers op de wandelaars die verder gingen. Ik zie jullie nog wel een keer!

Foto’s Camino
Meer foto’s van deze zomer in Spanje

Vijf redenen om niet naar Leipzig en Dresden te gaan

  1. Dresden lag toch helemaal plat. Er vielen bij geallieerde bombardementen op de stad, februari 1945, tienduizenden doden. Al die barokgebouwen (Zwinger, Hofkirche, Frauenkirche, Semperoper) zijn toch weg? Dat geldt inderdaad voor de Frauenkirche, maar die is mooi herbouwd. Maarten Luther staat weer op het plein. Loop je door het centrum, langs de opera, over het Brühlse terras, langs de Elbe, door de tuinen van de Zwinger, dan kun je je eeuwen terug wanen. De tijd van Napoleon die met Saksen tegen Pruisen streed. Of de tijd van Bach, en cantate BWV 82 in de Thomaskirche. In Leipzig dan weer.
  2. Geen Louvre of Hermitage. Nee, een museum waarvan je in een dag nog niet eens een kwart hebt gezien, is er niet. Maar de kunst is behoorlijk groots. Ik heb teveel tijd verloren in het Albertinum (Dresden) en het Museum der Bildenden Künste (Leipzig) om nog naar de oude meesters in de Zwinger te kunnen. Of de Grüne Gewölbe in het Residenzschloss. Nog eens terug dan maar. Het valt me niet mee om dan een week tevoren te bedenken dat je die Grüne Gewölbe wilt bezoeken, maar reservering is er noodzakelijk. Je koopt kaartjes voor een bepaald tijdslot.
  3. Het is een pokkeneind met de trein, Saksen. Drie of vier keer overstappen, in de zenuwen, want haal ik de aansluiting wel? We bereiken Magdeburg op een 150 km ten noorden van Leipzig, en de trein gaat stuk. Echt, dat gebeurt zowel op de heenweg als op de terugweg. Er rust een vloek op Magdeburg. Het is de vloek van een Germaanse heks uit het duistere Teutoburgerwoud. Vast! Ik las Martin Walser op de heenweg, een boek over Goethe, en Thomas Manns Lotte in Weimar op de terugweg, groot deel ervan in elk geval. Alweer Goethe. Ook mooi, hoewel misschien wat overdreven vol en gelaagd, was Het stenen bruidsbed van Harry Mulisch (speelt in het platgebombardeerde Dresden, zo’n twaalf jaar nadien, verwijst naar Troje waar Helena aanzet was tot verwoesting, en toont een diepe drift tot destructie die niet alleen steden raakt, maar ook anderen, jezelf. Liefde leidt bij Mulisch tot vernietiging). En Melancholie van de onrust, van Joke Hermsen. Dat had ogenschijnlijk niets met deze steden te maken, maar melancholie was blijkbaar een groot thema bij Goethe.
  4. Bier en worst. Wat moet je daar als vegetariër? Gelukkig zitten er Mexicanen, Turken, Italianen, Aziaten, die je zeker geen worst voorzetten. En ook in een super-Duits restaurant kun je wel iets vegetarisch vinden, veganistisch zelfs. Ik heb de Käsespätzle geprobeerd, met een biertje. Een Köstritzer want dat is het oeroude bier hier, sinds de 16e eeuw. Goethe dronk al Köstritzer.
  5. Je komt Bach (1685-1750), Goethe (1749-1832) of Luther (1483-1546) echt niet tegen. Mendelssohn of zijn zus Fanny, Schumann en zijn bijzondere vrouw Clara. Al stadswandelend. De kans is groter dat je Claudia Schiffer, Peter Sloterdijk, Anne-Sophie Mutter of Angela Merkel tegenkomt. Maar je kunt je in de voetstappen van die grote mensen wanen. Ik bedoel dan niet Claudia, Peter oder Angela, hoezeer ik hen ook bewonder. Want hier speelde Clara ooit piano, hier componeerde Bach zijn cantates en hier stond de wieg van Wagner. Hier schilderde Ernst Ludwig Kirchner, begin 20e eeuw, en ontstond Die Brücke (een expressionistische kunststroming). Hier startte Luther 500 jaar geleden de Reformatie en schreef Goethe, rechtenstudent in Leipzig, zijn romantische dichtregels. Kennst du das Land wo die Zitronen blühn? Ja, dat is wel merkwaardig, alsof Goethe zelf je aanraadt Leipzig en Dresden te vergeten en maar liever naar Italië te gaan.

Lesendes Mädchen van Gustav Adolph Hennig
Clara Schumann
Bildnis einer jungen Dame van Hugo von Habermann

Meer foto’s van Leipzig en Dresden (en nog een reden om er niet heen te reizen) op www.tonvandenborn.nl.

Stedelijk

R.: “Het Stedelijk? Dat heb ik vorige week in een half uur gedaan.”

E.: “Zo, kunst joh. Je zal wel afgepeigerd zijn geweest. Nog wat gezien tijdens je sprint?”

R.: “Het is me niet zo goed bijgebleven. Tinkebell? Hangt die daar? Camille Claudel, kan dat? Marina Abramovich?”

E.: “Ja hoor… Verder een goede week gehad, Robin?”

R.: “Ja, Moonlight, Jackie, La la Land. Dat was goed, prachtig en leuk. Gaan zien, Eva, als je dat nog niet hebt gedaan.
Wel veel politici. Die zijn haast niet te ontwijken, zo net voor de verkiezingen. Ook al laat je tv uit, ban je Twitter, Facebook, radio weg en fiets je door de stad langs een speciale route waar je geen verkiezingsplakborden ziet, dan kom je ze vervolgens tegen op de markt.
Ik begrijp overigens niet waarom nauwelijks iemand van die politici het woord klimaatverandering heeft uitgesproken. Het gaat alleen maar over de peilingen. ‘Nou meneer Asscher, waar blijft nu het Asschereffect?’
Ik vind het echt enorm jammer. Daar is wat te winnen, zou je denken. Komt dat omdat die lijsttrekkers bijna allemaal oudere mannen met een stropdas zijn, dood als de kijkers van het Jeugdjournaal straks met de voeten in het water zitten. Overstromingen als noord- en zuidpool verder worden teruggedrongen, weersextremen, misoogsten, honger, geweldsuitbarstingen en vluchtelingen voor dat geweld, migranten van overstroomde eilanden. Ik ben een enorme optimist, maar zelfs het meest optimistische scenario brengt nog teveel ellende.”


Matisse

E.: “Ik dacht dat je de politiek ontweek?”

R.: “Tja Eva, wilde ik, zeker omdat ik het al weet sinds de resultaten van de stemwijzer en de wijzestemmer beide uitkomen op dezelfde niet zo grote partij. Of beter, nóg niet zo grote partij.
Leuk trouwens, de wijzestemmer adviseert behalve een partij ook nog een denker of filosoof. Ik naar de bieb, maar deze heeft dan toevallig ongeveer niks, nada geschreven.
En nadat ik die recordtijd in het Stedelijk had geklokt, heb ik dan per ongeluk toch de tv aangezet.”

E.: “Da’s jammer. Misschien dan toch nog eens terug naar het Stedelijk, Robin?”

R.: “Ga je mee?”

De Argonauten van Maggie Nelson is verbijsterend mooi

‘Genderbending memoires’ staat op de achterflap van De Argonauten. Het zijn biografische essays, lees ik, en ze gaan over zwangerschap, moederrol en genderidentiteit. Korte, scherpgeschreven stukjes over de relatie van de Amerikaanse schrijfster, Maggie Nelson, met Harry Dodge. En tussendoor zijn er beschouwingen waarbij vele genderdenkers voorbij komen. Eve Sedgwick, Beatriz Preciado, Jane Gallop, Luce Irigaray.

Is Harry een transman of non-binair? Of is hij een butch on T, een stoere lesbienne die testosteron injecteert. Maggie weet in de begintijd van de relatie niet welk voornaamwoord ze moet gebruiken. Beeldend kunstenaar Harry heeft in elk geval met liefde afscheid genomen van de vrouw die hij was en de vrouwenrol die hij had.

Maggie Nelson (1973) schrijft poëzie en beschouwing. Ze schreef bijvoorbeeld over liefdesverdriet en de kleur blauw, over de moord op haar tante Jane en over geweld in avant-garde kunst. Het zijn hybride boeken: essayistisch, poëtisch, biografisch, filosofisch. Ik had nog nooit van haar gehoord, maar The Argonauts werd met groot enthousiasme ontvangen. Het boek kwam op beste-boekenlijstjes 2015 van kranten zoals The New York Times, San Francisco Chronicle, The New Yorker, Publishers Weekly en The Guardian. Het is nu ook in het Nederlands vertaald.

Bovendien, nog meer reden om wakker te worden en naar de winkel te rennen, het boek zou gaan over queer en queerness. Dat intrigeert me, want ben ik dat? Wanneer ben je eigenlijk queer? Ben je pas queer als je ook in je genderexpressie de normen van de maatschappij ter discussie stelt? Als ik een roze sjaal omsla en mijn nagels lak?

Geslacht! rockt!

Niet voor dat woord, queer, maar in het algemeen vraagt Nelson zich af: Hoe kunnen woorden ontoereikend zijn? Natuurlijk zijn ze toereikend, vindt ze. ‘Wat zich niet laat zeggen wordt niet afgerekend op wat het, per definitie niet kan zijn.’ Zo’n zin moet je wel drie keer lezen, maar dan realiseer je je dat wat er buiten de taal ligt, er misschien niet toe doet. Ze is ook schrijfster natuurlijk. Harry niet, die is kunstenaar, en twijfelt veel meer aan woorden en wat ze uitdrukken. Misschien is Harry juist daarom wel kunstenaar, zoekend naar een expressievorm die als woorden dat niet zijn, dan wel toereikend is.

Dat is pas de eerste vraag die ze oproept. Er komen er nog veel meer. En veel daarvan jassen onze te gemakkelijke aannames compleet omver. Hannah van Wieringen, die het boek begin dit jaar in NRC Handelsblad besprak, citeert Nelson. ‘Aan de ene kant (is er) de aristotelische, wellicht evolutionaire behoefte om alles in hokjes te plaatsen – roofdier, schemering, eetbaar – en aan de andere kant de noodzaak om recht te doen aan het transitieve, de vlucht, de grote brij van het bestaan waarin wij feitelijk leven.’ Het gaat in De Argonauten om het niet-categoriseerbare. En dan vooral het niet-categoriseerbare in identiteit en intimiteit. Ze onderzoekt zo de genderrol en de moederrol. Die ligt niet vast. Nogmaals, die ligt niet vast.

Maar hoe je je ook voelt, man, vrouw of iets ertussenin, hoe voelt dat dan? Is het de Engelse dichter en filosofe Denise Riley die gezegd heeft dat je niet 24 uur per dag ondergedompeld kan zijn in het directe besef van je sekse? ‘Gender-zelfbewustzijn is, goddank, iets wat aan momenten is gebonden.’ Dat lees ik in het boek in de week dat op NPO3 Geslacht! begint, een programma over het tussengebied van man en vrouw, en Eva Jinek de presentatrice toevertrouwt dat ook zij niet de hele dag bezig is met zich vrouw te voelen, ‘echt niet.’ Ryanne van Dorst, die Geslacht! presenteert – super doet ze dat – stelt die vraag ook in het programma. Hoe voelt dat dan? Hoe voelt het om vrouw te zijn, Patricia Paay? Hoe is het om man te zijn, Maxim Hartman? Misschien weet je het na het programma nog niet, maar een ding weet ik na twee afleveringen wel: Geslacht! rockt!

In en uit het leven

Waarom die titel, De Argonauten? Argonauten bevoeren het mythische schip de Argo dat op zoek ging naar het Gulden Vlies. Tijdens de reis wordt het schip vernieuwd, zonder de naam te veranderen. Hetzelfde gebeurt min of meer met de relatie van Nelson en Dodge. De woorden ‘ik hou van jou’ veranderen van inhoud, maar de relatie blijft. Het ligt niet vast. Ook dit ligt niet vast.

De Argo (Konstantinos Volanakis)

Roland Barthes, een Franse taalfilosoof, verwijst naar de Argo om te illustreren hoe dat werkt, dat een zin zoals ‘ik hou van je’ in de tijd wel van betekenis moet veranderen. Nelson stuurt Dodge de tekst van Barthes nadat ze in de beginfase van de relatie die woorden gebruikt. Misschien wel te snel. Ze wil hem vertellen dat hij niet moet schrikken. De betekenis van die woorden past zich wel aan. ‘Het doel van liefde en taal is nu juist om een en dezelfde zinsnede zo aan te wenden dat die voor altijd nieuw zal zijn’. Ze zijn in hun relatie als de argonauten op het schip dat ze zelf verbouwen.

Een al te simpel bruggetje van de vorige alinea naar deze is nu wat gevoelig. Misschien zo: zoals het schip van buiten verandert, veranderen ook Nelson en Dodge. Lichamelijk. Allereerst lichamelijk. Want terwijl Dodge meer man wordt (borstamputatie), wordt Nelson zwanger. Ze wordt moeder van Iggy. Ze schrijft dan prachtige observaties over die ervaring. Over de bevruchting, de zwangerschap, het moederschap.

En als het over moederschap gaat, gaat het ook over haar eigen moeder en de moeder van Harry. Het verhaal over het overlijden van de laatste raakt me diep. ‘Alle vrijwilligers zeiden dat het aan mij was om mijn moeder duidelijk te maken dat ze rustig kon gaan. Ik denk dat ik niet erg overtuigend was, de eerste 33 uur dat ik bij haar was.’ ‘Je hoeft niet bang te zijn’, zegt hij tegen haar. En op het einde: ‘Ik wist dat ze haar weg had gevonden, het aandurfde (..) Ik was echt verbluft, trots.’

Dit verhaal over het sterven van de moeder van Harry wordt afgewisseld met het verhaal over de geboorte van Maggie’s zoon. In en uit het leven. Ook de ervaring van de geboorte is misschien wel de meest aangrijpende beschrijving ervan die ik ooit gelezen heb.

Het is een boek

Het is misschien toch vooral een liefdesverhaal. Nelson en Dodge. En tegelijk wordt onze binaire wereld ontleed. Zoals Olivia Laing in een bespreking van het boek zegt: Nelson gebruikt haar ervaringen als een middel om de maatschappij open te wrikken, als onderzoek van wat het is dat daar zo stevig verdedigd wordt. Die binaire indeling, de hokjes, de duidelijkheid, de noodzaak om categorieën schoon en puur te houden.

Homoseksuele mensen die trouwen en zwanger worden, mensen die van de ene naar een andere gender gaan, of nog erger, zich niet willen committeren aan een van beide. Dat alles veroorzaakt enorme verwarring in denksystemen, stelt Laing. En die verwarring is ongetwijfeld deels ook reden dat de transgenderbeweging zo bedreigend bleek voor bepaalde domeinen van feministisch denken.

Natuurlijk, als ik stel dat dit boek vooral een liefdesverhaal is, categoriseer ik ook. Dat dit boek niet te categoriseren is, past perfect bij de inhoud. Het is een boek, laten we het daarop houden. Een boek dat ontroert, je aanzet tot beschouwing en je misschien ook wel verandert.

Waar vinden we hoop en verzet in donkere tijden

Het is bijna onmogelijk dat je het filmpje van Zondag met Lubach waarin The Netherlands worden voorgesteld aan Trump – we build oceans, nobody builds oceans better than we do. Heerlijk, telkensweer, want veel te lachen of te juichen valt er verder niet. Deze week is het elke dag nieuwe ellende van een president die alles vertegenwoordigt wat ik verafschuw. Een man die de klimaatverandering negeert, arrogante machotaal gebruikt, wetenschappers en journalisten wantrouwt (that’s me) en hele bevolkingsgroepen wegzet (vluchtelingen, lhbt’ers, moslims, vrouwen). Elke dag zet hij zijn handtekening onder een nieuwe afbraakactie.

Ik werd wel heel blij van de Women’s March, wereldwijd verzet tegen trumpisme. De toespraken, de verbinding, de zo noodzakelijke tegenbeweging die moet voorkomen dat niet alleen Amerika, maar de hele wereld wegzinkt in een moeras van achteruitgang en intolerantie. Wat moet er van ons worden als niet alleen klimaatverandering grote delen van de wereld tot onherbergzame plaatsen maakt, en we dit soort populistische verdeelpolitiek goedkeuren? Begrippen als emancipatie, inclusiviteit en empowerment betekenen blijkbaar niets voor de twitterende Trump-man en zijn staf die alleen aan (hun) geld, aan paternalisme en chauvinisme lijken te denken. Likken van de macht. En dan ook nog eens hun eigen waarheden verzinnen omdat onweerlegbare feiten ze niet goed uitkomen.

Posters van Shepard Fairey

Veel effect zal de hartstochtelijke oproep van Bana Alabed, de 7-jarige vluchteling uit Aleppo, niet hebben. Verwacht ik. Ze schreef een handgeschreven brief aan Trump. Dat ze blij is dat ze nu, in Turkije, weer naar school kan, maar dat het nog steeds oorlog is en dat er nog heel veel kinderen in miserabele omstandigheden leven. I beg you, can you do something for the children of Syria? If you can, I will be your best friend.

Nasty women

Ik hoop dat de woorden van Angela Davis, Amerikaanse filosofe en schrijfster, nagalmen. Ze begon haar toespraak in Washington op 21 januari, een dag na de inauguratie, als volgt. At a challenging moment in our history, let us remind ourselves that we the hundreds of thousands, the millions of women, trans-people, men and youth who are here at the Women’s March, we represent the powerful forces of change that are determined to prevent the dying cultures of racism, hetero-patriarchy from rising again.

En, vervolgde ze, history cannot be deleted like web pages. De Women’s March was volgens Davis een uiting van inclusief feminisme die oproept tot verzet tegen racisme, islamofobie, anti-semitisme, misogynie en kapitalistische uitbuiting. Ze noemde Chelsea Manning nog in haar toespraak. De transvrouw die 35 jaar had gekregen vanwege het lekken van staatsdocumenten, maar van Obama een paar dagen voor zijn aftreden kwijtschelding van straf, die ze ondergaat in een mannengevangenis, had gekregen. Een mooi gebaar dat me gelukkig maakte. Davis beloofde dat de 1.459 dagen dat Trump – als hij dat haalt – 1.459 dagen van verzet zullen zijn.

Gloria Steinem, feministe en journaliste en 82 jaar, benadrukte de verbinding. God may be in the details, but the goddess is in connections, zei ze. De Women’s March betekende voor haar de start van een bijzondere beweging: Each of us individually and collectively will never be the same again.

Prachtig ook de woorden van Nina Donovan uit Tennessee geciteerd door actrice Ashley Judd. Our pussies ain’t for grabbing. (..) They are for birthing new generations of filthy, vulgar, nasty, proud, Christian, Muslim, Buddhist, Sikh—you name it—for new generations of nasty women.

Solid community

Op 24 januari heb ik op www.continuum.nl een bespreking geplaatst van een prachtig boek van Linda Gromko, een Amerikaanse arts in Seattle. Een heel compleet en zeer leesbare gids voor transgender personen, non-binaire jongeren en hun ouders.

De transgender gemeenschap maakt zich zorgen. Obama heeft heel veel betekend voor deze groep en zelfs op zijn laatste dag in het Witte Huis heeft hij nog een memo kunnen tekenen die het voor (legale) transgender vluchtelingen makkelijker moet maken om erkenning te krijgen voor hun in het buitenland vastgestelde transzijn en toegang tot zorg. Van de nieuwe bewoners van het Witte Huis, die niet alleen direct begonnen zijn met schoonvegen van de web pages van de regering, maar ook de afbraak van Obama’s nalatenschap, verwacht ik weinig gevoel voor lhbt-thema’s. Op whitehouse.gov is niets meer te vinden over lgbt of transgenders.

Gromko erkende de zorgen, maar schreef ook dat in Seattle 130.000 mensen hadden deelgenomen aan de Women’s March. Ze verwacht dat het daar zo’n vaart niet zal lopen. We have a solid community, schreef ze.

Nog twee woorden dan om mijn verhaal af te sluiten: hoop, verzet. Deze blog is bedoeld als een uiting van beide.

Danser in Lyon

Schuin kijk ik naar de andere dansers. We hebben allemaal een lange, grijze regenjas aan, een hoed op en grote schoenen aan. Mijn speciale dansschoenen passen zelfs over mijn gewone schoenen heen. Elk half uur kun je hier meedoen aan een uitvoering, ergens in een halfverlicht zaaltje in het Musée des Confluences. We zitten met zo’n vijftien mensen tegen de wand, het licht wordt minder, een stem zegt wat we gaan doen. ‘Sta op en stamp op het ritme van de muziek naar het lichtvlak. Ga heel dicht bij elkaar staan. Handen in je zak en hoofd naar beneden. Ren op het teken allemaal achter een van jullie aan die uit het groepje ontsnapt.’ Ja, in het Frans. Vandaar dat ik me soms moet voegen naar de andere danseurs.

Danser Joe heet het. Het is onderdeel van een expositie over hedendaagse dans. Maguy Marin, Pina Bausch, Merce Cunningham, Kurt Jooss. Le sacre du printemps in vijftig verschillende uitvoeringen. Deze expositie is echt de enige reden dat ik naar dit museum op een stukje grond waar Rhône en Saône samenvloeien (confluence), ben gelopen. De hele geschiedenis van de hedendaagse dans in foto’s, video’s en muziek. Bij de ingang van de expo krijg je een koptelefoon en dan loop je de dynamische wereld van de dans binnen.

lyon-191116-20a-klein

Ik ben in Lyon. Ja, wie gaat er nou naar Lyon? Ik ken niemand die me is voorgegaan. Lyon, daar rijd je zo snel mogelijk aan voorbij op de Route du Soleil naar warmere oorden, zuidelijker streken, zonniger landen. Zo ontoeristisch lijkt me dat dan dat ik er heen wil. Juist daarom. En er is vast wel een theater en een kunstmuseum. Wat blijkt, er is een mooie balletvoorstelling in het theater en een prachtige verzameling in het kunstmuseum. En dat is lang niet het enige.

Vieux-Lyon is het mooiste deel van de stad. Huizen uit de middeleeuwen, pleintjes van kinderkopjes, binnenplaatsjes achter poorten. Traboules heten die doorgangen. Lyon was de stad van de zijdewevers, het was de stad van de marionetten en ik veronderstel dat het ook de stad van de dans is. Of is het toeval dat ik tegen dansscholen en balletwinkels loop, dat er voor de l’Opéra voortdurend hiphopdansers bezig zijn, dat de dansexpositie nu draait? Kan, maar wel een leuk toeval dan.

Op de ene heuvel ontstond een Romeinse stad toen Caesar besloot om vanuit Lugdunum zoals Lyon toen heette de Galliërs te verslaan. Op een andere heuvel strekte zich de Gallische stad Condate uit. Nu de Croix-Rousse, een wijk met bochtige straten en lange trappen. Daar loop ik een paar dagen rondjes. Maar een hoogtepunt is de uitvoering van het Ballet de l’Opéra de Lyon van drie dansstukken van drie verschillende choreografen (Childs, De Keersmaeker en Marin) op muziek van Beethoven. Danser Joe natuurlijk, en het prachtige Musée des Beaux Arts.

Op een grijze maandag – ja, dit museum is open op maandag, er komen dan ook schoolklassen en tekenstudenten – loop ik er uren rond. Langs Picasso, Rubens, Zurbarán, Delacroix, Rodin, Manet. Na een lange kunstmiddag drink ik een biertje in bar les Berthom voordat ik terugreis naar Bron, een voorstad van Lyon waar ik bij Dominique en Albert in hun Airbnb-kamer logeer.

Ik heb een lang weekend veel gezien in Lyon, maar lang niet alles. Het doet me denken aan het gedicht van Wilmink: Op doorreis door Vlaanderen. ‘Ach mijn vrouw wil naar Zuid-Frankrijk / voor vakantie en vertier. / Daarom rijdt ze nu door Vlaanderen / en ik ben haar passagier. / Meid, waarom zo ver gereden, / waarom blijven we niet hier, waarom blijven we niet in Vlaanderen / met zijn duizend soorten bier?’ Lyon? Aanrader. Hoewel de kans steeds kleiner wordt dat je in het Musée des Confluences nog mee kunt doen aan Danser Joe – ik waarschuw maar – blijft er genoeg te zien en te beleven.

Foto’s van Lyon staan hier.

Lieve Fidan

Ik ben altijd blij als jij als tafeldame bij DWDD zit. De eerste keer, een jaar of vier geleden, heb je gedanst. Prachtig was dat, spontaan, hartveroverend! Ik spiegel me sindsdien aan jou, jouw opinies, jouw vrouwelijkheid, jouw persoonlijkheid, jouw emoties, jouw optreden. Je verwoordt je angst en onzekerheid, je zorgen en je onbehagen, je steun en je bewondering. En ik herken me steeds daarin. Je bent voor mij een held.

Maar spiegelen, wat is dat eigenlijk? Arnon Grunberg heeft er in de VPRO-gids vast een korte verhandeling aan gewijd. ‘Een korte verhandeling over spiegelen’, zoals hij over verlegenheid, etiquette, hardlopen, zondagochtend, Wenen, over allerlei fenomenen korte verhandelingen schrijft. Een korte verhandeling over spiegelen. Grunberg zou er misschien over opmerken dat je jezelf dan ergens verstopt, of dat je zoekt naar inspiratie voor hoe te leven. Heb je dat nodig dan? Waarom, hoe, wanneer?

Om te beginnen met de laatste vraag: ik ben er niet de hele dag mee bezig. Zou nogal wat zijn. Stel je voor. Ik loop door de supermarkt: hoe zou Fidan dat doen? Ik ga naar de zumba: wat zou Fidan doen? Ik drink een biertje in het café op de markt: zie ik Fidan hier zitten? Ik kijk naar Cold Feet: zou Fidan dit zien? Ik lees Alice Munro, Nir Baram, Alicja Gescinska: iets voor Fidan? Dansles: oké, lijkt me echt iets voor haar, maar misschien is ze dat stadium allang voorbij?

fidan5

Still van Fidan in DWDD

Want voor wie haar niet kent: wie is Fidan Ekiz? Ze is journaliste, 40 jaar oud. Getrouwd, een zoontje. Zelf is ze geboren in Rozenburg, en haar familie is van Turkse oorsprong. Ze werkte tijdens de Irak-oorlog in 2003 als oorlogscorrespondent vanuit Noord-Irak. En later werd ze Turkije-correspondent in Istanbul. Ze presenteerde tv-programma’s zoals Veerboot naar Holland, het emigratieverhaal van enkele Turkse gezinnen.

Dit jaar maakte ze een indrukwekkende serie over journalistiek: ‘De pen en het zwaard’. Ze onderzocht in landen als Rusland, Oeganda, Hongkong de mate van persvrijheid en vrijheid van meningsuiting. Op het moment dat de eerste uitzending, over Turkije, werd uitgezonden, was de situatie vanwege de harde hand van president Erdogan heel actueel. Regelmatig worden er kranten verboden en journalisten opgepakt. Ik vond niet alleen de mensen die ze sprak heel dapper, maar ook Fidan zelf. Zo’n journalist zou ik willen zijn. Soms, want het vraagt moed. De overtuiging dat je stem gehoord moet worden.

Andere vraag: waarom? Waarom spiegelen? Waarom kijk je naar andere mensen om te zien hoe je moet leven? Kun je dat niet zelf? Misschien wel, maar we zijn sociale wezens met emoties die afhankelijk zijn van anderen. Altijd. Er is empathie, etiquette, rituelen, zin en betekenis. De ander en de relatie tot die ander. Er zijn levensvragen zoals wie ben ik, wat doe ik? En op al die vragen weet ik het antwoord niet. Nooit precies. Ik twijfel, zoals misschien wel de hele wereld twijfelt. Als je niet twijfelt, ben je in mijn ogen niet oprecht. Als je niet openstaat voor anderen, maar het zelf altijd het beste weet, dan klopt er iets niet.

Spiegelen dus. Naar andere mensen kijken en meer kijken naar mensen aan wie je een voorbeeld wilt nemen dan naar anderen. Dat is wat ik doe. Ik denk dat ik dat voortdurend doe. Spiegelen, naar anderen kijken. Dat is leuk en leerzaam, soms bevestigend, geruststellend, en vaak betekent het dat je je leven ietsje bijstelt. Misschien is dat ook wel de belangrijkste reden waarom ik romans lees. Zoekend naar personages die me iets kunnen leren over het leven. Want, hoe te leven, dat blijft zoeken en ik weet het nog steeds niet.

Dank je Fidan dat je me daar een beetje mee helpt.

Oude fiets mag ook

De meest eenzame, minst benijdenswaardige, de ergste van alle ergen in ‘Gij nu’ is misschien wel Jessica. In ongeveer niemands schoenen wil ik stappen, maar die van Jessica zijn het ergst, erg in het kwadraat.

Ze is 9 in het verhaal, het leven moet dan nog ongeveer beginnen. Ben je 9, dan zit je in de aanloopfase, de warming-up. Je bent nog aan het oefenen voor het leven. Jessica racet voor het eten op tafel staat, snel een paar rondjes op haar prachtige nieuwe fiets. Geel is die, met blauwe handvaten. Ze is op weg naar een nieuwe recordtijd. Herkenbaar, records zijn zo lekker. Maar dan knalt ze met haar fiets tegen haar broertje die net terugkeert van voetbaltraining. Jessica heeft niets, maar Mario ligt met zijn gezicht naar het asfalt en staat nooit meer op.

Jessica draagt de schuld haar verdere leven met zich mee. Een jas die je niet kunt uittrekken. Haar zusjes negeren haar en haar moeder kan niet meer tegen haar praten. Ze vlucht naar oma. Het is verschrikkelijk, en al helemaal voor een kind van 9.

Als ze zeker dertig jaar later na een grotendeels mislukt leven voor het eerst weer op een fiets stapt, is dat een kleine overwinning. Maar verzucht ze: “Ik wou dat ik naar iemand toe kon fietsen. Ik wou dat iets wat voorbij is ook voorbij gaat. Ik wou dat ik mijn familie nooit meer hoefde te zien.” En: “Ik vraag me af waarom willen niet genoeg zou zijn.”

Dat schrijft Griet Op de Beeck. Prachtig! Maar Jessica is in haar verhalenboek dat je als een verkenning van eenzaamheid en pijn kunt zien, niet het enige personage dat je raakt. Er zijn meer eenzame zielen in ‘Gij nu’.

fiets

Eenzaamheid, een raar fenomeen. Voor eenzaamheid heb je per definitie aan jezelf niet genoeg, je hebt er ook anderen voor nodig. Voor filosofe Hannah Arendt zijn denkende mensen ook alleen nooit eenzaam. Hun gedachten houden hen gezelschap. Ook al is dat gezelschap niet altijd stuurbaar. Je zou willen, ik wou soms dat gedachten stuurbaarder waren. Maar ze ontsnappen door deurtjes die je dacht gesloten te hebben. Of in elk geval graag nog eventjes dicht had gehouden.

Zonder eenzaamheid zou ik eenzamer zijn, citeert NRC-redacteur Marjoleine de Vos dichteres Marianne Moore. Ze haalt een andere dichter aan die veronderstelt dat we op een bepaalde manier verslaafd raken aan onze angsten: ‘Pijn kent haar genoegens.’ Dan moet je eenzaamheid wel beschouwen als iets waar je bang voor moet zijn en iets dat zelfs pijn kan doen. Zoals heimwee soms een hand om je keel slaat en in je maag kan knijpen.

Misschien kent de pijn haar genoegens – je hebt pijn, dus je bent – maar misschien is het wel dat de eenzaamheid je gezelschap houdt als je alleen bent. En kost het moeite om dat gezelschap te laten gaan. Het is niet zo eenvoudig als dit: de deur openzetten en de eenzaamheid wegsturen.

Dat is misschien wel de eerste stap. En dan op je nieuwe fiets, geel met blauwe handvaten, het dorp door. Zoals Jessica, maar dan zonder een nieuwe recordtijd te willen zetten.

Of een roze fiets met zwarte handvaten. Een oude fiets mag ook.

Slordige slobberjurken

Emma Cline (1989) schreef ‘De meisjes’. Het is haar debuut. Eerder had ze wel eens een verhaal geschreven, maar nog geen boek van 300 bladzijden. De nieuwe Donna Tartt, zeiden mensen.

Tartt verbaasde de literaire wereld met ‘De verborgen geschiedenis’. Ik vond dat ook echt een fantastisch boek met een heel bijzondere sfeer. Wat er precies gebeurde in het boek weet ik niet meer. Het ging ook niet over de moord, maar vooral over wat die moord op de campus met een studentengroepje deed. ‘De meisjes’ doet ook zoiets. Het gaat niet om de moord, maar om de mensen.

Meer nog dan ‘De verborgen geschiedenis’ echoot ‘De meisjes’ het boek van Truman Capote over een andere waargebeurde moord in de VS, ‘In cold blood’. Dat boek focust, ongeveer net als ‘De meisjes’, op de psyche van de moordenaars. Hoe kwamen zij ertoe om de familie Clutter in Kansas te vermoorden?

Cline, 27 jaar oud, is een nieuwe belofte in literair Amerika. Ze kreeg van uitgeverij Random House een voorschot van 2 miljoen dollar voor het boek. Terecht? Ja, helemaal!

emma
(foto: Megan Cline)

De meisjes’ gaat over Evie, een 14-jarige tiener in California in 1969. Dat is een tijd van sektes, communes, seksuele vrijheid, lsd-trips. Evie’s ouders zijn net gescheiden. Ze hunkert naar aandacht, gezien worden, een ander leven. Ze komt in aanraking met een sekte, maar het is niet zozeer de sekteleider die haar aantrekt. Eerder Suzanne, een van de meisjes. Iets in haar, haar onafhankelijkheid misschien wel, losheid, de indruk daarvan, of in elk geval iets dat Evie bij haar ziet, wekt bij Evie het verlangen om net als zij te zijn en door haar opgemerkt te worden. En gaat het misschien niet altijd daarover bij onzekere tieners die op zoek zijn? Bevestiging van wie je bent en hoe je jezelf ziet.

Is dat een female gaze? Ik weet het niet. Ik heb eens gelezen dat vrouwelijke schilders een pieta anders schilderen dan mannen. Bij mannelijke schilders zijn Jezus en Maria gericht naar het publiek, bij vrouwelijke schilders kijken Jezus en Maria naar elkaar. Wat kan hen dat publiek schelen, ze zijn er voor elkaar. Het gaat deze schilders veel meer om de relatie tussen moeder en kind. Tijdens mijn laatste bezoek aan het Rijksmuseum zocht ik voorbeelden, maar ik kwam nauwelijks vrouwelijke schilders tegen. De enige soort van female gaze die ik zag, was een bloemstilleven. Hoe stereotiep.

In ‘De meisjes’ zit weinig van die stereotypering. “Ik zie gender ook vooral als performance”, zei Emma Cline 18 september in Boeken, het programma op zondagochtend dat ik nog steeds met Wim Brands associeer. Evie wil gezien worden door Suzanne, erkend worden als persoon. Daar draait het om in het boek. Misschien wel zoals jongeren nu bijna allemaal hartstochtelijk gezien willen worden op social media. Het bijzondere is dan hoe je in de wereld van de stuurloze Evie komt, meevoelt en de slordige slobberjurken van de meisjes bijna kunt aanraken. Cline maakt sfeer.

Oké, het boek gaat misschien ook over de Mansonmoorden. Charles Manson (1934) vestigde zich met zijn commune (The Family) in Los Angeles. Er dwarrelden vrouwen langs de commune die hij inwijdde in de vrije liefde. ‘In de wereld van de dwalende meisjes’, schrijft NRC treffend. Het is de tijd van flowerpower en wilde orgieën. Manson stuurde zijn volgelingen op rooftocht. En in de nacht van 8 op 9 augustus 1969 drongen vier sekteleden het huis van Sharon Tate binnen, echtgenote van Roman Polanski. De mensen die op dat moment in het huis waren, werden bruut vermoord en een dag later werden nog twee mensen vermoord. Bedoeling was de moordpartijen in de schoenen van de zwarten te schuiven en een rassenoorlog te ontketenen. Manson leeft nog en zit een levenslange gevangenisstraf uit. Misschien niet met dergelijke extreme consequenties, maar sektarische waanzin bestaat nog steeds.

Daar gaat het Emma Cline echter niet om. Het gaat om Evie. In het boek kijkt ze terug op die tijd, want de vertelstem is van de middelbare Evie. Ze vertelt haar verhaal aan een pubermeisje Sasha, dat haar naar de details vraagt. En ze vraagt zich opnieuw af, zoals ze dat al die jaren heeft gedaan, wat zou ze gedaan hebben als ze erbij was geweest. Als ze met Suzanne en de andere meisjes naar het huis was gegaan waar de moorden plaatsvonden. Die vraag blijft haar kwellen.

Het is de broeierige sfeer, de hangerige jonge vrouwen in die slobberjurken, met vieze voeten, de manier waarop ze elkaar in het oog houden. Jaloers soms, als de ander naar hun zin teveel aandacht krijgt van de sekteleider. Je voelt de blikken en je ziet ook waarom mensen dingen doen die ze eigenlijk niet willen doen. Dat alles wordt enorm invoelend beschreven en in prachtige taal. Nogmaals: ‘De meisjes’.

Naschrift

Ik ben ‘De meisjes’ twee weken nadat ik het boek las niet vergeten, maar net heb ik ‘Wie is nou normaal?’ van de Britse Lisa Williamson gelezen. Ook een debuut en zeker een zo bijzondere leeservaring. ‘Wie is nou normaal?’ gaat over transgendertieners, hun onzekerheden, angsten en emoties. Williamson laat prachtig zien dat ze net als iedere tiener verliefd worden en dromen hebben. Invoelend is een woord wat ook hier past. Ik heb Williamson geïnterviewd – erg leuk – en dat interview staat op www.continuum.nl.

Dance Academy in herhaling

Sammy is verongelukt. Er is veel verdriet op de Australische dansschool in het centrum van Sydney. Tara Webster zou met Sammy dansen voor de Prix de Fonteyn. Hij had voor die prestigieuze internationale danscompetitie een prachtige choreografie in elkaar gezet. En in de uitzending van gisteren was het zover, de dag van de danswedstrijd. Zomer 2016, geen lid van de doelgroep, maar ik kijk de herhaling van Dance Academy, dagelijks op tv.

Het is ook de zomer van vakantie in Japan, een bijzondere ervaring die me nog lang bij zal blijven. Japan heeft indruk gemaakt. De mensen, de sfeer, de bezienswaardigheden. Ik ben er nog niet mee klaar. Met Pokémon Go, de immens populaire game die er deze zomer werd gelanceerd, heb ik nog niet eens kennisgemaakt.

Eerder las ik boeken van Haruki Murakami en Yasunari Kawabata. En met de leesclub bespreken we zondag ‘De tuin van de Samoerai’, van de Amerikaans-Japanse Gail Tsukiyama, maar meer indruk maakte ‘Een bijna volmaakte vriendschap’ van Milena Michiko Flasar. Over de dagelijkse ontmoeting van een salary man (lid van het leger van werknemers die zich dagelijks naar kantoor spoeden en keihard werken) die zijn vrouw niet durft te vertellen dat hij zijn baan kwijt is en de jongen die nadat hij zich twee jaar lang verscholen heeft op een kamertje in het huis van zijn ouders, weer naar buiten komt. Het gaat dan misschien eigenlijk over de sociale druk in de Japanse samenleving. Dat is denk ik een maatschappij waar mensen erg bevreesd zijn om buiten de groep te vallen.

Het is ook de zomer van de Olympische Spelen in Rio. Ik heb enorm veel bewondering voor Nafissatou Thiam bijvoorbeeld, de Belgische zevenkampwinnares, voor Sifan Hassan, die elke 1500 meter totnogtoe beslist vanuit de achterhoede, en voor turnkampioene Sanne Wevers. Op de een 10-centimeter brede evenwichtsbalk waar ze haar salto’s en pirouettes doet, zou ik al hoogtevrees krijgen.

Wat me wel opvalt is dat de tv vaak erg nationalistische keuzes maakt. NPO schakelt steeds naar de Nederlandse sporters en BBC volgt vooral de Engelse medaillekandidaten. Yurigate, de liesblessure van Dafne Schippers, de tegenvallende zwemprestaties, dat vroeg allemaal veel aandacht en diep-filosofische beschouwingen. “Komt het nog goed met de Nederlandse sport, beste kijkers, we gaan het vannacht ontdekken.” De interviewtjes met de sporters – hoe ging het, kun je even ons meenemen in de wedstrijd? – zijn vaak nogal voorspelbaar. Normaal kijk ik zelden sport, maar ik kijk nu voor mooie sport (dat zijn niet de vecht- of krachtsporten) dan nog het liefst naar het Belgische Sporza. “Usain, moeten we je naam niet veranderen van Bolt in Gold?”

Natuurlijk is de zomer altijd de zomer van de Zomergasten. Maar de eerste twee gasten vielen tegen. Hedy d’Ancona (78), PvdA-politica en actief feministe, met haar verhalen over vroeger, filmbeelden van bijvoorbeeld Una giornata particolare, en de actualiteit van Koot en Bie, vond ik wel heel boeiend. De interviewer, Thomas Erdbrink, correspondent in Teheran, komt in mijn ogen niet zo goed uit de verf. De serie is nu halverwege, de zomer is nog niet voorbij. Het kan nog goedkomen.

Het is de zomer van de boeken die ik lees, zoals altijd. Maar echt boeken die me bij zullen blijven, heb ik nog niet gelezen deze zomer. Kan nog. Aardig is nu in elk geval het boek van de Spaanse Marian Izaguirre. ‘Toen het leven nog van ons was.’ Het speelt zich af in 1951, voor mensen die tot het Republikeinse kamp behoorden, betekent het overleven in een fascistisch land waar veel niet meer kan. Het leven is hen ontnomen, lijkt het wel. De buitenlandse Alice en boekhandelaar Lola pakken daar iets van terug en lezen samen de memoires van Rose, een mooi verhaal in een ander mooi verhaal.

dance-academy-tara-on-black

En ten slotte is het dus ook de zomer van Dance Academy, een jeugdserie die voor het eerst werd uitgezonden tussen 2010 en 2013. De drie seizoenen, 65 afleveringen, komen elke werkdag op tv en ik volg het met veel plezier. Nu Sammy is verongelukt en ik de belangrijkste karakters in de serie heb leren kennen, is het verdriet op de dansschool invoelbaar. Bij Abigail bijvoorbeeld die eerder een relatie met Sammy had en bij Ollie, waarmee Sammy uit de kast kwam. Toen ging het een paar afleveringen over zijn homoseksuele geaardheid en reacties van de omgeving daarop. “Ik heb altijd al een homoseksuele vriend willen hebben”, roept Tara uit terwijl ze hem omhelst.

Wat de serie zo goed maakt, is niet alleen het inkijkje in de balletwereld, een wereld die me fascineert, maar ook alle emoties die de dansers meemaken. De ene aflevering zitten ze in een diep dal, na een teleurstelling, een harde opmerking van een dansconcurrent of het gevoel dat ze er nooit zullen komen. De volgende aflevering staan ze in de schijnwerpers, zijn ze volmaakt gelukkig, verliefd misschien, en ervaren ze de vriendschap van medestudenten op de Dance Academy.

Dance Academy wordt vooral verteld vanuit het perspectief van Tara Webster. Ze leert ballettechniek (inspirerend voor mijn danslessen), en soms ook hedendaagse dans en hip-hop. De vrienden, de schoolsfeer, liefdes, de docenten. Ik droom nog weleens van die mooie tijd toen ik net aan de studie in Wageningen begon. Een tijd van dromen en kansen, van hoop en teleurstelling. Er is veel mooie dans te zien in de serie, maar deels is het dan zeker ook nostalgie.