Categorie archief: boeken

#MeToo is opmaat

Nu is met #MeToo ook de populaire dirigent James Levine gevallen. Toch is er geen sprake van hysterie en heksenjacht, wat mensen ook zeggen. Ik denk eerder aan bevrijding. Aanpak van een systeem van uitoefening van macht en gedwongen zwijgen. En van vastgeroeste ideeën over vrouwelijkheid en mannelijkheid. Dit is een begin.

Rebecca Solnit citeert bell hooks in haar essaybundel ‘De moeder aller vragen’. De Amerikaanse feministe, die haar auteursnaam met kleine letters schrijft, zei: “De eerste daad van geweld die het patriarchaat eist van de man is niet geweld tegen vrouwen. Nee, het patriarchaat eist van alle mannen dat ze daden van psychische zelfverminking plegen, dat ze de emotionele kant van zichzelf om zeep helpen.”

“Mannelijkheid is één grote verloochening”, schrijft Solnit vervolgens. Emoties, expressiviteit, ontvankelijkheid, al die mogelijkheden worden afgezworen om er maar bij te horen. Vrouwen zijn al langer bezig in het gevecht met stereotyperingen, maar mannen lopen eeuwen achter. #MeToo zou voor hen de start kunnen betekenen van eenzelfde strijd. Het gevecht tegen de stereotypering. Het verhaal van zo moeten mannen zijn. Macho en masculien, en boys will be boys.

#MeToo begon met de roep van slachtoffers van seksueel misbruik die zich niet langer stoorden aan een ongeschreven zwijgplicht. Over dat zwijgen schreef Solnit een lang essay. Mannen voelen ook de druk om te zwijgen, zegt ze. Zonder commentaar zich onderwerpen aan de ‘mannennorm’ zoals die bijvoorbeeld geldt in de studentenvereniging, bij de sportclub of op de werkvloer. Al die plekken waar alledaags seksisme gemakkelijk wordt weggewoven.

De volgende stap in #MeToo zou kunnen zijn te denken over mannelijkheid. Simone de Beauvoir schreef: Je wordt niet als vrouw geboren, je wordt tot vrouw gemaakt. Dat geldt ongetwijfeld net zo voor mannen: je wordt tot man gemaakt. ‘Man’ is niet iets onbeweeglijks en eeuwigs. Vast en vastgeroest. Het kan best anders.

Als we dan toch bezig zijn, kunnen we misschien nadenken over de dwingende indeling man-vrouw en over het hele concept gender. Dat je je er bewust van wordt dat je als je probeert te beantwoorden aan maatschappelijke verwachtingen je ook altijd een rol speelt. Het verzet tegen stereotypering (bijvoorbeeld dat mannen sterk, stoer en dominant zijn) mag dan nog veel verder gaan.

Nog even terug naar de oorsprong van #MeToo. Je zou het kunnen zien als de volgende stap in de opstand die begon toen het misbruik in de katholieke kerk aan de kaak werd gesteld. Tegen pedofiele priesters die jarenlang de hand boven het hoofd werd gehouden. Zo bleek er ook seksueel grensoverschrijdend gedrag in het leger, het onderwijs, de sportwereld. Steeds was er macht in het spel en zwegen de getraumatiseerde slachtoffers. En wat je nu hoort, is ongetwijfeld niet meer dan het topje van een ijsberg van macht en zwijgen.

Het duurde toch nog even (tot oktober 2017) voordat #MeToo in alle hevigheid losbarstte. Dat bracht de institutionele genderongelijkheid en het seksueel machtsmisbruik in de filmwereld aan het licht, schrijft Dana Linssen in De Filmkrant (maart 2018). Eerder was er bijvoorbeeld al Emma Sulkowicz, een Amerikaanse kunststudente, als aanklacht tegen haar verkrachter een matras over de campus van Columbia University sleepte. En president Grab-them-by-the-pussy, aan wie we misschien wel de heropleving van het feminisme te danken hebben. Plus #MeToo, toch zeker voor een deel.

Af en toe zijn er geluiden van een backlash. #MeToo zou te ver gaan en leiden tot verkramping en preutsheid. Bijvoorbeeld omdat kunst met blote borsten niet meer kan. Niet terecht, want het gaat bij #MeToo helemaal niet om puritanisme, om blote borsten of dat je nu als man niet meer mag flirten. Het gaat er in #MeToo om dat je veronderstelt dat je kunt nemen wat je wilt, dat wederzijdse toestemming niet nodig is en dat je anderen het zwijgen kunt opleggen. Het gaat erom dat in onze maatschappij vrouwen minder ruimte krijgen en het gaat er vervolgens om, mijn veronderstelling, dat mannen aan machoverwachtingen moeten voldoen. Het gaat vooral om een herstel van evenwicht.

Met #MeToo is een begin gemaakt. Hoe verder? Mannelijkheid en de verwachtingen daarover ter discussie stellen is één stap. Misbruik van machtsverhoudingen bespreken. En misschien is er een intersectioneel #MeToo mogelijk. Dat je niet alleen naar machtsverhouding in genderrollen kijkt, maar ook naar die waar het klasse, kleur of seksuele geaardheid betreffen.

Rotzooi in ons hoofd

Google, Apple, Facebook, Amazon. Ze groeien maar door en slokken andere op. Wat willen ze? Hun algoritmen denken voor ons, ze veranderen ons concept van kennis en de journalistiek ingrijpend, en ook onze ideeën over privacy of auteursrecht. Ze hebben invloed op onze relaties en contacten. Sociale media zorgen misschien wel voor meer contacten, maar niet voor diepere of betere. En wat gebeurt er eigenlijk met al de informatie die we delen? En onze dierbare foto’s?

Ik vertrouw het niet. En Franklin Foer – de journalist die ‘Ontzielde wereld. De existentiële dreiging van Big Tech’ schreef – voedt mijn wantrouwen. We kruipen steeds meer in onze veilige bubbel, zegt hij. Daar waar we liefst alleen de meningen toelaten die de onze bevestigen. Anders ontvolgen we of blocken we wel. Sociale media verbinden niet, ze polariseren eerder, denkt hij. Vanwege de filterbubbel. Er ontstaat een nieuwe verzuiling en mensen verschansen zich in hun (politieke) positie. Van een beschaafd debat is vaak nauwelijks sprake meer. Kijk naar de presidentsverkiezingen in de VS, het isolationisme in Catalonië of de zwartepietendiscussie in Nederland.

Google en Facebook verkopen het mooi. Alles is vrij en gratis, stellen ze. We verbinden de wereld en we maken het leven zoveel gemakkelijker voor je. Sluit je aan. Wij zijn ook best vlotte types, beetje rebels soms, en we hebben het beste met jou en de wereld voor. Maatschappelijk verantwoord. Eerder enigszins anarchistisch en links. (Misschien heeft Zuckerberg weldoordacht verkozen zich bij zijn potentiële tegenstanders aan te sluiten, oppert Foer, bij de Democraten in plaats van bij de Republikeinen.) Maar het gaat hen uiteindelijk vooral ook om advertenties, hun belangrijkste bron van inkomsten. En macht, invloed, monopolie. Dan kun je ongestoord verder bouwen aan je imperium.

Alomtegenwoordigheid is het fundament voor hun advertentie-inkomsten, want vooral daardoor zijn ze zo aantrekkelijk. Hoe beter ze in staat zijn om te schiften, verschillende doelgroepen te onderscheiden, hoe meer die aantrekkelijkheid stijgt. Facebook en Google attenderen specifieke groepen op bepaalde advertenties. Dat betekent wel dat ze mensen in kaart moeten brengen. Wie ben je, waar woon je, wat doe je, wat vind je leuk? Hoe meer je deelt met hen, hoe beter. Hoe beter hun processen werken.

Oppervlakkige internetjunkies

Oké, ik heb ook informatie gedeeld op Twitter en LinkedIn. Ik heb accounts aangemaakt op Facebook en Pinterest en me aangemeld bij YouTube en Tumblr. Ik gebruik Google Maps om me te oriënteren, in de cloud van Drive staan bestanden en ik heb zelfs een gmail-adres. Geen recht van spreken. Of juist daarom misschien wel.

Facebook en Google veranderen ons in oppervlakkige internetjunkies, denkt Foer. Ik geloof dat het voor een groot deel klopt. We worden mensen die ook hun nepnieuws serieus nemen, moeite hebben in elk geval om het onderscheid te maken. We kijken bovendien de godganse dag of onze Facebookberichtjes wel voldoende geliked worden. De voortdurende zucht naar erkenning, bevestiging. Hoe meer, hoe beter. Hoe meer je immers stijgt in sociaal aanzien.

We laten ons voortdurend afleiden. Ongestoord een boek lezen valt niet mee, en nog minder als het een e-book is. Ben je een tijdje offline, dan vraag je je af wat je gemist hebt. We wonen in onze telefoon, we hebben soms slotjes nodig om ons internetgebruik in te perken, voortdurend worden we geprikkeld, verleid, gestreeld, gestoord. ‘We zijn allemaal al een beetje cyborg geworden’, schrijft Foer. We zitten vast aan onze machientjes.

Grayson Perry

Je kent het verhaal. Bijvoorbeeld omdat je Eggers’ De Cirkel hebt gelezen, of je het nu goed vond of niet. Foer waarschuwt dat het tijd wordt om na te denken over de gevolgen van de allesoverheersende datareuzen (want het zijn onze data) en in verzet te komen. Terug naar een tijd van bespiegeling, zelf denken, nieuwe verlichting uit deze duistere tijd waarin je misschien wel overeenkomsten met de middeleeuwen ziet.

Ik denk aan het doek van de Britse kunstenaar Grayson Perry die Steve Jobs (Apple) en Bill Gates (Microsoft) als een soort heiligen aan de muur had gehangen. Zuckerberg (Facebook), Page (Google) en Bezos (Amazon) zijn nog een paar van die iconen. Ze drijven op big data, enorme aantallen gegevens. Dat geheel aan data – lees Yuval Noah Harari – is dan God. Het is de nieuwe religie.

Foer heeft wel bewondering voor de technologie. Zeker: de zoekmachine van Google of de algoritmes die de basis vormen van de artificiële intelligentie. Maar zegt hij: ‘Facebook en Google hebben (uiteindelijk) een wereld geschapen waarin de oude grenzen tussen feiten en leugens zijn vervaagd, waarin foutieve informatie zich viraal verspreidt.’ In die wereld is het misschien niet zo gek dat een man als Trump president van de Verenigde Staten kon worden. Het leek mij onvoorstelbaar, maar het is gebeurd.

We zijn al cyborg geworden, want (Foer) ‘onze telefoon is een uitbreiding van ons geheugen, we hebben fundamentele mentale functies uitbesteed aan algoritmen’. Efficiënt misschien, maar daar worden we waarschijnlijk eerder dommer van dan slimmer. En Google denkt na over een verdere vervlechting, chips in ons hoofd. ‘We hebben onze geheimen laten opslaan op servers en laten exploiteren door computers’, vervolgt Foer. ‘Wat we nooit mogen vergeten, is dat we niet alleen versmelten met machines, maar ook met de bedrijven die deze machines beheren.’

Foer heeft hoop. Zo zegt hij in de Volkskrant: “De weerstand groeit tegen bedrijven die rotzooi in je mond stoppen. Laten we ons ook verzetten tegen techbedrijven die rotzooi in ons hoofd stoppen.”

Genderverschil ontsluierd

Genderverschil is vooral inbeelding. Dat concludeer ik uit de boeken van twee wetenschappers die ik deze zomer heb gelezen. Aanraders, die boeken. Cordelia Fine en Yuval Noah Harari duwen je vastgeroeste wereldbeelden om.

Cordelia Fine en Yuval Noah Harari zijn medeverantwoordelijk voor mijn zomergedachten. Prachtige boeken hebben ze geschreven. Ik las Homo Deus en lees nog Sapiens van Harari, een Israëlische historicus. En ik heb Testosteron Rex gelezen van Cordelia Fine. Fine geeft les in geschiedenis en filosofie op de universiteit in Melbourne.

Waar het onderwerp voor Fine behoorlijk afgebakend lijkt, het hormoon testosteron, is dat voor Harari veel breder. Hij behandelt de hele mensheid. Heden, verleden en toekomst. De plaats van de mens in de wereld en hoe we daar zijn gekomen. De cultuur, de wetenschap, de religie.

Harari beschrijft verschillen en overeenkomsten. In ras, geloof, relaties. Hij beschrijft bijvoorbeeld ook het verschil tussen mannen en vrouwen. Hij verdiept zich in de vraag hoe het komt dat de man meestal dominant is in de maatschappij en de beste posities bekleedt. Is er echt een verschil dat kan verklaren waarom dit zo is? Daar raakt hij aan Cordelia Fine, want ook bij haar gaat het om het veronderstelde verschil tussen mannen en vrouwen. Over sekse en over gender. Is dat verschil echt of is het bedacht door ons, en heeft het zich vervolgens ontwikkeld, versterkt, geïnstitutionaliseerd?

Een ander punt van overeenkomst bij Fine en Harari is dat ze allerlei aannames nadrukkelijk aan de kant zetten. Echt, landbouw bracht ons niet alleen voorspoed, er is meer overeenkomst tussen ideologie en religie dan je zou denken, geloof in de waarde van geld is helemaal gebaseerd op vertrouwen. En de meeste verschillen tussen mannen en vrouwen hebben we zelf bedacht.

Stereotypering

Niet testosteron verklaart de verschillen tussen mannen en vrouwen, maar puur onze verwachtingen, stelt Fine. Gevoelens van zorgzaamheid en leiderschap worden niet veroorzaakt door verschillende hormoongehaltes. Het is zelfs eerder zo, blijkt uit onderzoek, dat dominant gedrag en strijd testosteronniveau doen stijgen, ook bij vrouwen. Dus gedrag bepaalt eigenlijk testosteronniveau en vervolgens bepaalt testosteronniveau weer gedrag. Zo zou je het kunnen formuleren, soort kip en ei. Voor verschil tussen mannen en vrouwen, bijvoorbeeld in maatschappelijk succes of zorgzaamheid, wijzen op testosteron is gemakkelijk en lui. Dat het allemaal begint bij de hoeveelheid testosteron in je lichaam is een mythe die onderbouwd lijkt te zijn door verkeerd uitgevoerd onderzoek.

Zoals Rika Ponnet, seksuologe, schrijft in een blog: “er zijn geen typisch mannelijke of vrouwelijke eigenschappen.” Die bestaan alleen maar in onze gedachten. En, “het is niet de overmacht van mannen of de zorgzaamheid van vrouwen die ons als soort hebben gebracht waar we staan, maar wel ons vermogen ons als groep aan te passen aan wisselende levensomstandigheden. Niet de dominante mannen bepaalden overlevingskansen van een groep, wel het vermogen om zich te organiseren, voor elkaar te zorgen, intieme verbanden aan te gaan en deze verbanden te onderhouden.”

Nee, beargumenteert Fine, verschillen in gedrag hebben echt helemaal niets te maken met gender of testosteron. Want: “alle pasgeboren mensen erven genderconstructies als een verplicht deel van hun ontwikkelingssysteem: genderstereotypen, ideologie, rollen, normen en hiërarchie worden doorgegeven via ouders, leeftijdsgenoten, leraren, kleding, taal, media, rolmodellen, organisaties, scholen, instituties, sociale ongelijkheden en ook speelgoed.”

Dus nogmaals, we noemen bepaald gedrag typisch mannelijk of vrouwelijk, maar gedrag is niet mannelijk of vrouwelijk. Dat maken wij ervan. Dat beargumenteert Fine in haar boek. Stereotypering. Wat krijg je dan? Fine: “Mensen die op genderessentialistische wijze denken, onderschrijven gemakkelijker de genderstereotypen die de basis vormen van bedoelde en onbedoelde discriminatie op de werkvloer.” Of, ze oordelen milder over seksuele misdrijven. Genderstereotypering kan ook mannen schaden (want veeleisende hypermasculiene normen), maar meestal was en is het nadelig geweest voor vrouwen, vooral als je naar hun carrière kijkt. Ze worden eerder kapster en keukenprinses dan chefkok en concertdirigent.

Brons

Imaginaire hiërarchieën, zegt Harari. Die werken in rassen, geloven, kasten en vooral ook in geslacht. Want, “overal hebben mensen zichzelf verdeeld in mannen en vrouwen. En bijna overal staan mannen er het beste voor, in elk geval sinds de agrarische revolutie.” Hij wijdt een hoofdstuk aan sekse en gender. En begint met woorden die Fine had kunnen schrijven. “De meeste wetten, normen, rechten en plichten die bij mannelijkheid of vrouwelijkheid horen, zeggen meer over de menselijke verbeelding dan over de biologische werkelijkheid.” De gemeenschap heeft mannen en vrouwen taken toebedeeld (kinderen grootbrengen, tegen geweld beschermen, gehoorzaam zijn aan de man). Maar, zegt hij, het is duidelijk: “Omdat het niets met biologie te maken heeft, varieert de betekenis van mannelijkheid en vrouwelijkheid enorm van samenleving tot samenleving.”

Of het overal zo is, weet ik niet, maar volgens Harari hebben we er een dagtaak aan als man om je mannelijkheid te bewijzen en als vrouw om anderen ervan te overtuigen dat je vrouwelijk genoeg bent. “Succes wordt niet gegarandeerd. Vooral mannen leven in constante angst om hun aanspraken op mannelijkheid te verliezen.” Misschien wel omdat het mannelijk ideaal het meest oplevert als het gaat om economische kansen, politieke macht, bewegingsvrijheid. “Het concept gender is een wedstrijd waarin sommige deelnemers alleen mogen meelopen voor brons.” Het is me niet helemaal duidelijk wie Harari daarmee bedoelt – ik denk brons: derde plek, derde sekse – maar hoe dan ook: het klinkt prachtig.

Mooi hoe Harari vervolgens mogelijke verklaringen bespreekt voor het ontstane maatschappelijk verschil tussen mannen en vrouwen en er gewoon niet uitkomt. Wat heeft mannen zo geholpen? Fysieke kracht, agressie, samenwerking? We weten het niet, erkent hij. Gelukkig veranderen genderspecifieke rolpatronen de laatste decennia sterk. Steeds meer samenlevingen geven mannen en vrouwen gelijke rechten, politieke bevoegdheden en economische kansen.

Gendergelijkheid

Een eerste stap, maar de weg is nog lang. Kunnen we gaan denken in kwaliteiten, rollen en verantwoordelijkheden als mens, in plaats van als man of vrouw? Echte seksegelijkheid. “Een evenwichtiger samenleving waarin meer jongens met poppen spelen, meer vaders voor kinderen zorgen, en meer vrouwen in de wetenschap of op hogere posities werkzaam zijn?”

Fine citeert vervolgens filosoof Letitia Meynell die zegt: “Als je de verdeling van een bepaald kenmerk in een populatie wilt veranderen, moet je niet proberen de natuur te overwinnen, maar het ontwikkelingssysteem anders inrichten.” Geen sinecure, denkt Fine. “Dan moet je sleutelen aan de sociale structuren, waarden, normen, verwachtingen, voorstellingen en opvattingen waarvan onze geesten, interacties en instellingen doordrongen zijn, en die van invloed zijn op, in wisselwerking treden met, en verstrengeld zijn met onze biologie. Je zult die allemaal opnieuw moeten opbouwen.” Het wordt niet voor niets sociale constructie genoemd.

Het zal nog wel even duren voordat we individuen los kunnen zien van hun gender. Voordat we niet direct een heel stelsel van verwachtingen, patronen en houding projecteren – van speelgoedvoorkeur tot financieel risicogedrag – op de geconstateerde gender. En voordat we de verwarring kunnen plaatsen als gender er niet meer toe doet.

Ik vroeg me af wat de argumentatie van Fine zou betekenen voor transgender mensen. Zij beïnvloeden immers hun hormonen om mannelijker of vrouwelijker te worden. Heeft dat vervolgens echt invloed op hun genderidentiteit? Eigenlijk gaat het dan (opnieuw) om de vraag: wat maakt het dat je je man of vrouw voelt? Ontwikkelt zich dat en hoe ontwikkelt zich dat gevoel? Wat voor invloed hebben hormonen precies? Alleen uiterlijk of ook innerlijk?

Misschien zijn dat onbeantwoordbare vragen. Fine erkent in elk geval dat ze geen expertise heeft op het gebied van transgender en genderidentiteit. Oké! Ik denk wel dat wat Fine en Harari betogen – dat het genderverschil dat wij maken voor het grootste deel inbeelding is, menselijke projectie en cultureel bepaald – positieve consequenties kan hebben voor genderdiversiteit. Uiteindelijk.

De Argonauten van Maggie Nelson is verbijsterend mooi

‘Genderbending memoires’ staat op de achterflap van De Argonauten. Het zijn biografische essays, lees ik, en ze gaan over zwangerschap, moederrol en genderidentiteit. Korte, scherpgeschreven stukjes over de relatie van de Amerikaanse schrijfster, Maggie Nelson, met Harry Dodge. En tussendoor zijn er beschouwingen waarbij vele genderdenkers voorbij komen. Eve Sedgwick, Beatriz Preciado, Jane Gallop, Luce Irigaray.

Is Harry een transman of non-binair? Of is hij een butch on T, een stoere lesbienne die testosteron injecteert. Maggie weet in de begintijd van de relatie niet welk voornaamwoord ze moet gebruiken. Beeldend kunstenaar Harry heeft in elk geval met liefde afscheid genomen van de vrouw die hij was en de vrouwenrol die hij had.

Maggie Nelson (1973) schrijft poëzie en beschouwing. Ze schreef bijvoorbeeld over liefdesverdriet en de kleur blauw, over de moord op haar tante Jane en over geweld in avant-garde kunst. Het zijn hybride boeken: essayistisch, poëtisch, biografisch, filosofisch. Ik had nog nooit van haar gehoord, maar The Argonauts werd met groot enthousiasme ontvangen. Het boek kwam op beste-boekenlijstjes 2015 van kranten zoals The New York Times, San Francisco Chronicle, The New Yorker, Publishers Weekly en The Guardian. Het is nu ook in het Nederlands vertaald.

Bovendien, nog meer reden om wakker te worden en naar de winkel te rennen, het boek zou gaan over queer en queerness. Dat intrigeert me, want ben ik dat? Wanneer ben je eigenlijk queer? Ben je pas queer als je ook in je genderexpressie de normen van de maatschappij ter discussie stelt? Als ik een roze sjaal omsla en mijn nagels lak?

Geslacht! rockt!

Niet voor dat woord, queer, maar in het algemeen vraagt Nelson zich af: Hoe kunnen woorden ontoereikend zijn? Natuurlijk zijn ze toereikend, vindt ze. ‘Wat zich niet laat zeggen wordt niet afgerekend op wat het, per definitie niet kan zijn.’ Zo’n zin moet je wel drie keer lezen, maar dan realiseer je je dat wat er buiten de taal ligt, er misschien niet toe doet. Ze is ook schrijfster natuurlijk. Harry niet, die is kunstenaar, en twijfelt veel meer aan woorden en wat ze uitdrukken. Misschien is Harry juist daarom wel kunstenaar, zoekend naar een expressievorm die als woorden dat niet zijn, dan wel toereikend is.

Dat is pas de eerste vraag die ze oproept. Er komen er nog veel meer. En veel daarvan jassen onze te gemakkelijke aannames compleet omver. Hannah van Wieringen, die het boek begin dit jaar in NRC Handelsblad besprak, citeert Nelson. ‘Aan de ene kant (is er) de aristotelische, wellicht evolutionaire behoefte om alles in hokjes te plaatsen – roofdier, schemering, eetbaar – en aan de andere kant de noodzaak om recht te doen aan het transitieve, de vlucht, de grote brij van het bestaan waarin wij feitelijk leven.’ Het gaat in De Argonauten om het niet-categoriseerbare. En dan vooral het niet-categoriseerbare in identiteit en intimiteit. Ze onderzoekt zo de genderrol en de moederrol. Die ligt niet vast. Nogmaals, die ligt niet vast.

Maar hoe je je ook voelt, man, vrouw of iets ertussenin, hoe voelt dat dan? Is het de Engelse dichter en filosofe Denise Riley die gezegd heeft dat je niet 24 uur per dag ondergedompeld kan zijn in het directe besef van je sekse? ‘Gender-zelfbewustzijn is, goddank, iets wat aan momenten is gebonden.’ Dat lees ik in het boek in de week dat op NPO3 Geslacht! begint, een programma over het tussengebied van man en vrouw, en Eva Jinek de presentatrice toevertrouwt dat ook zij niet de hele dag bezig is met zich vrouw te voelen, ‘echt niet.’ Ryanne van Dorst, die Geslacht! presenteert – super doet ze dat – stelt die vraag ook in het programma. Hoe voelt dat dan? Hoe voelt het om vrouw te zijn, Patricia Paay? Hoe is het om man te zijn, Maxim Hartman? Misschien weet je het na het programma nog niet, maar een ding weet ik na twee afleveringen wel: Geslacht! rockt!

In en uit het leven

Waarom die titel, De Argonauten? Argonauten bevoeren het mythische schip de Argo dat op zoek ging naar het Gulden Vlies. Tijdens de reis wordt het schip vernieuwd, zonder de naam te veranderen. Hetzelfde gebeurt min of meer met de relatie van Nelson en Dodge. De woorden ‘ik hou van jou’ veranderen van inhoud, maar de relatie blijft. Het ligt niet vast. Ook dit ligt niet vast.

De Argo (Konstantinos Volanakis)

Roland Barthes, een Franse taalfilosoof, verwijst naar de Argo om te illustreren hoe dat werkt, dat een zin zoals ‘ik hou van je’ in de tijd wel van betekenis moet veranderen. Nelson stuurt Dodge de tekst van Barthes nadat ze in de beginfase van de relatie die woorden gebruikt. Misschien wel te snel. Ze wil hem vertellen dat hij niet moet schrikken. De betekenis van die woorden past zich wel aan. ‘Het doel van liefde en taal is nu juist om een en dezelfde zinsnede zo aan te wenden dat die voor altijd nieuw zal zijn’. Ze zijn in hun relatie als de argonauten op het schip dat ze zelf verbouwen.

Een al te simpel bruggetje van de vorige alinea naar deze is nu wat gevoelig. Misschien zo: zoals het schip van buiten verandert, veranderen ook Nelson en Dodge. Lichamelijk. Allereerst lichamelijk. Want terwijl Dodge meer man wordt (borstamputatie), wordt Nelson zwanger. Ze wordt moeder van Iggy. Ze schrijft dan prachtige observaties over die ervaring. Over de bevruchting, de zwangerschap, het moederschap.

En als het over moederschap gaat, gaat het ook over haar eigen moeder en de moeder van Harry. Het verhaal over het overlijden van de laatste raakt me diep. ‘Alle vrijwilligers zeiden dat het aan mij was om mijn moeder duidelijk te maken dat ze rustig kon gaan. Ik denk dat ik niet erg overtuigend was, de eerste 33 uur dat ik bij haar was.’ ‘Je hoeft niet bang te zijn’, zegt hij tegen haar. En op het einde: ‘Ik wist dat ze haar weg had gevonden, het aandurfde (..) Ik was echt verbluft, trots.’

Dit verhaal over het sterven van de moeder van Harry wordt afgewisseld met het verhaal over de geboorte van Maggie’s zoon. In en uit het leven. Ook de ervaring van de geboorte is misschien wel de meest aangrijpende beschrijving ervan die ik ooit gelezen heb.

Het is een boek

Het is misschien toch vooral een liefdesverhaal. Nelson en Dodge. En tegelijk wordt onze binaire wereld ontleed. Zoals Olivia Laing in een bespreking van het boek zegt: Nelson gebruikt haar ervaringen als een middel om de maatschappij open te wrikken, als onderzoek van wat het is dat daar zo stevig verdedigd wordt. Die binaire indeling, de hokjes, de duidelijkheid, de noodzaak om categorieën schoon en puur te houden.

Homoseksuele mensen die trouwen en zwanger worden, mensen die van de ene naar een andere gender gaan, of nog erger, zich niet willen committeren aan een van beide. Dat alles veroorzaakt enorme verwarring in denksystemen, stelt Laing. En die verwarring is ongetwijfeld deels ook reden dat de transgenderbeweging zo bedreigend bleek voor bepaalde domeinen van feministisch denken.

Natuurlijk, als ik stel dat dit boek vooral een liefdesverhaal is, categoriseer ik ook. Dat dit boek niet te categoriseren is, past perfect bij de inhoud. Het is een boek, laten we het daarop houden. Een boek dat ontroert, je aanzet tot beschouwing en je misschien ook wel verandert.

Oude fiets mag ook

De meest eenzame, minst benijdenswaardige, de ergste van alle ergen in ‘Gij nu’ is misschien wel Jessica. In ongeveer niemands schoenen wil ik stappen, maar die van Jessica zijn het ergst, erg in het kwadraat.

Ze is 9 in het verhaal, het leven moet dan nog ongeveer beginnen. Ben je 9, dan zit je in de aanloopfase, de warming-up. Je bent nog aan het oefenen voor het leven. Jessica racet voor het eten op tafel staat, snel een paar rondjes op haar prachtige nieuwe fiets. Geel is die, met blauwe handvaten. Ze is op weg naar een nieuwe recordtijd. Herkenbaar, records zijn zo lekker. Maar dan knalt ze met haar fiets tegen haar broertje die net terugkeert van voetbaltraining. Jessica heeft niets, maar Mario ligt met zijn gezicht naar het asfalt en staat nooit meer op.

Jessica draagt de schuld haar verdere leven met zich mee. Een jas die je niet kunt uittrekken. Haar zusjes negeren haar en haar moeder kan niet meer tegen haar praten. Ze vlucht naar oma. Het is verschrikkelijk, en al helemaal voor een kind van 9.

Als ze zeker dertig jaar later na een grotendeels mislukt leven voor het eerst weer op een fiets stapt, is dat een kleine overwinning. Maar verzucht ze: “Ik wou dat ik naar iemand toe kon fietsen. Ik wou dat iets wat voorbij is ook voorbij gaat. Ik wou dat ik mijn familie nooit meer hoefde te zien.” En: “Ik vraag me af waarom willen niet genoeg zou zijn.”

Dat schrijft Griet Op de Beeck. Prachtig! Maar Jessica is in haar verhalenboek dat je als een verkenning van eenzaamheid en pijn kunt zien, niet het enige personage dat je raakt. Er zijn meer eenzame zielen in ‘Gij nu’.

fiets

Eenzaamheid, een raar fenomeen. Voor eenzaamheid heb je per definitie aan jezelf niet genoeg, je hebt er ook anderen voor nodig. Voor filosofe Hannah Arendt zijn denkende mensen ook alleen nooit eenzaam. Hun gedachten houden hen gezelschap. Ook al is dat gezelschap niet altijd stuurbaar. Je zou willen, ik wou soms dat gedachten stuurbaarder waren. Maar ze ontsnappen door deurtjes die je dacht gesloten te hebben. Of in elk geval graag nog eventjes dicht had gehouden.

Zonder eenzaamheid zou ik eenzamer zijn, citeert NRC-redacteur Marjoleine de Vos dichteres Marianne Moore. Ze haalt een andere dichter aan die veronderstelt dat we op een bepaalde manier verslaafd raken aan onze angsten: ‘Pijn kent haar genoegens.’ Dan moet je eenzaamheid wel beschouwen als iets waar je bang voor moet zijn en iets dat zelfs pijn kan doen. Zoals heimwee soms een hand om je keel slaat en in je maag kan knijpen.

Misschien kent de pijn haar genoegens – je hebt pijn, dus je bent – maar misschien is het wel dat de eenzaamheid je gezelschap houdt als je alleen bent. En kost het moeite om dat gezelschap te laten gaan. Het is niet zo eenvoudig als dit: de deur openzetten en de eenzaamheid wegsturen.

Dat is misschien wel de eerste stap. En dan op je nieuwe fiets, geel met blauwe handvaten, het dorp door. Zoals Jessica, maar dan zonder een nieuwe recordtijd te willen zetten.

Of een roze fiets met zwarte handvaten. Een oude fiets mag ook.

Slordige slobberjurken

Emma Cline (1989) schreef ‘De meisjes’. Het is haar debuut. Eerder had ze wel eens een verhaal geschreven, maar nog geen boek van 300 bladzijden. De nieuwe Donna Tartt, zeiden mensen.

Tartt verbaasde de literaire wereld met ‘De verborgen geschiedenis’. Ik vond dat ook echt een fantastisch boek met een heel bijzondere sfeer. Wat er precies gebeurde in het boek weet ik niet meer. Het ging ook niet over de moord, maar vooral over wat die moord op de campus met een studentengroepje deed. ‘De meisjes’ doet ook zoiets. Het gaat niet om de moord, maar om de mensen.

Meer nog dan ‘De verborgen geschiedenis’ echoot ‘De meisjes’ het boek van Truman Capote over een andere waargebeurde moord in de VS, ‘In cold blood’. Dat boek focust, ongeveer net als ‘De meisjes’, op de psyche van de moordenaars. Hoe kwamen zij ertoe om de familie Clutter in Kansas te vermoorden?

Cline, 27 jaar oud, is een nieuwe belofte in literair Amerika. Ze kreeg van uitgeverij Random House een voorschot van 2 miljoen dollar voor het boek. Terecht? Ja, helemaal!

emma
(foto: Megan Cline)

De meisjes’ gaat over Evie, een 14-jarige tiener in California in 1969. Dat is een tijd van sektes, communes, seksuele vrijheid, lsd-trips. Evie’s ouders zijn net gescheiden. Ze hunkert naar aandacht, gezien worden, een ander leven. Ze komt in aanraking met een sekte, maar het is niet zozeer de sekteleider die haar aantrekt. Eerder Suzanne, een van de meisjes. Iets in haar, haar onafhankelijkheid misschien wel, losheid, de indruk daarvan, of in elk geval iets dat Evie bij haar ziet, wekt bij Evie het verlangen om net als zij te zijn en door haar opgemerkt te worden. En gaat het misschien niet altijd daarover bij onzekere tieners die op zoek zijn? Bevestiging van wie je bent en hoe je jezelf ziet.

Is dat een female gaze? Ik weet het niet. Ik heb eens gelezen dat vrouwelijke schilders een pieta anders schilderen dan mannen. Bij mannelijke schilders zijn Jezus en Maria gericht naar het publiek, bij vrouwelijke schilders kijken Jezus en Maria naar elkaar. Wat kan hen dat publiek schelen, ze zijn er voor elkaar. Het gaat deze schilders veel meer om de relatie tussen moeder en kind. Tijdens mijn laatste bezoek aan het Rijksmuseum zocht ik voorbeelden, maar ik kwam nauwelijks vrouwelijke schilders tegen. De enige soort van female gaze die ik zag, was een bloemstilleven. Hoe stereotiep.

In ‘De meisjes’ zit weinig van die stereotypering. “Ik zie gender ook vooral als performance”, zei Emma Cline 18 september in Boeken, het programma op zondagochtend dat ik nog steeds met Wim Brands associeer. Evie wil gezien worden door Suzanne, erkend worden als persoon. Daar draait het om in het boek. Misschien wel zoals jongeren nu bijna allemaal hartstochtelijk gezien willen worden op social media. Het bijzondere is dan hoe je in de wereld van de stuurloze Evie komt, meevoelt en de slordige slobberjurken van de meisjes bijna kunt aanraken. Cline maakt sfeer.

Oké, het boek gaat misschien ook over de Mansonmoorden. Charles Manson (1934) vestigde zich met zijn commune (The Family) in Los Angeles. Er dwarrelden vrouwen langs de commune die hij inwijdde in de vrije liefde. ‘In de wereld van de dwalende meisjes’, schrijft NRC treffend. Het is de tijd van flowerpower en wilde orgieën. Manson stuurde zijn volgelingen op rooftocht. En in de nacht van 8 op 9 augustus 1969 drongen vier sekteleden het huis van Sharon Tate binnen, echtgenote van Roman Polanski. De mensen die op dat moment in het huis waren, werden bruut vermoord en een dag later werden nog twee mensen vermoord. Bedoeling was de moordpartijen in de schoenen van de zwarten te schuiven en een rassenoorlog te ontketenen. Manson leeft nog en zit een levenslange gevangenisstraf uit. Misschien niet met dergelijke extreme consequenties, maar sektarische waanzin bestaat nog steeds.

Daar gaat het Emma Cline echter niet om. Het gaat om Evie. In het boek kijkt ze terug op die tijd, want de vertelstem is van de middelbare Evie. Ze vertelt haar verhaal aan een pubermeisje Sasha, dat haar naar de details vraagt. En ze vraagt zich opnieuw af, zoals ze dat al die jaren heeft gedaan, wat zou ze gedaan hebben als ze erbij was geweest. Als ze met Suzanne en de andere meisjes naar het huis was gegaan waar de moorden plaatsvonden. Die vraag blijft haar kwellen.

Het is de broeierige sfeer, de hangerige jonge vrouwen in die slobberjurken, met vieze voeten, de manier waarop ze elkaar in het oog houden. Jaloers soms, als de ander naar hun zin teveel aandacht krijgt van de sekteleider. Je voelt de blikken en je ziet ook waarom mensen dingen doen die ze eigenlijk niet willen doen. Dat alles wordt enorm invoelend beschreven en in prachtige taal. Nogmaals: ‘De meisjes’.

Naschrift

Ik ben ‘De meisjes’ twee weken nadat ik het boek las niet vergeten, maar net heb ik ‘Wie is nou normaal?’ van de Britse Lisa Williamson gelezen. Ook een debuut en zeker een zo bijzondere leeservaring. ‘Wie is nou normaal?’ gaat over transgendertieners, hun onzekerheden, angsten en emoties. Williamson laat prachtig zien dat ze net als iedere tiener verliefd worden en dromen hebben. Invoelend is een woord wat ook hier past. Ik heb Williamson geïnterviewd – erg leuk – en dat interview staat op www.continuum.nl.

Dance Academy in herhaling

Sammy is verongelukt. Er is veel verdriet op de Australische dansschool in het centrum van Sydney. Tara Webster zou met Sammy dansen voor de Prix de Fonteyn. Hij had voor die prestigieuze internationale danscompetitie een prachtige choreografie in elkaar gezet. En in de uitzending van gisteren was het zover, de dag van de danswedstrijd. Zomer 2016, geen lid van de doelgroep, maar ik kijk de herhaling van Dance Academy, dagelijks op tv.

Het is ook de zomer van vakantie in Japan, een bijzondere ervaring die me nog lang bij zal blijven. Japan heeft indruk gemaakt. De mensen, de sfeer, de bezienswaardigheden. Ik ben er nog niet mee klaar. Met Pokémon Go, de immens populaire game die er deze zomer werd gelanceerd, heb ik nog niet eens kennisgemaakt.

Eerder las ik boeken van Haruki Murakami en Yasunari Kawabata. En met de leesclub bespreken we zondag ‘De tuin van de Samoerai’, van de Amerikaans-Japanse Gail Tsukiyama, maar meer indruk maakte ‘Een bijna volmaakte vriendschap’ van Milena Michiko Flasar. Over de dagelijkse ontmoeting van een salary man (lid van het leger van werknemers die zich dagelijks naar kantoor spoeden en keihard werken) die zijn vrouw niet durft te vertellen dat hij zijn baan kwijt is en de jongen die nadat hij zich twee jaar lang verscholen heeft op een kamertje in het huis van zijn ouders, weer naar buiten komt. Het gaat dan misschien eigenlijk over de sociale druk in de Japanse samenleving. Dat is denk ik een maatschappij waar mensen erg bevreesd zijn om buiten de groep te vallen.

Het is ook de zomer van de Olympische Spelen in Rio. Ik heb enorm veel bewondering voor Nafissatou Thiam bijvoorbeeld, de Belgische zevenkampwinnares, voor Sifan Hassan, die elke 1500 meter totnogtoe beslist vanuit de achterhoede, en voor turnkampioene Sanne Wevers. Op de een 10-centimeter brede evenwichtsbalk waar ze haar salto’s en pirouettes doet, zou ik al hoogtevrees krijgen.

Wat me wel opvalt is dat de tv vaak erg nationalistische keuzes maakt. NPO schakelt steeds naar de Nederlandse sporters en BBC volgt vooral de Engelse medaillekandidaten. Yurigate, de liesblessure van Dafne Schippers, de tegenvallende zwemprestaties, dat vroeg allemaal veel aandacht en diep-filosofische beschouwingen. “Komt het nog goed met de Nederlandse sport, beste kijkers, we gaan het vannacht ontdekken.” De interviewtjes met de sporters – hoe ging het, kun je even ons meenemen in de wedstrijd? – zijn vaak nogal voorspelbaar. Normaal kijk ik zelden sport, maar ik kijk nu voor mooie sport (dat zijn niet de vecht- of krachtsporten) dan nog het liefst naar het Belgische Sporza. “Usain, moeten we je naam niet veranderen van Bolt in Gold?”

Natuurlijk is de zomer altijd de zomer van de Zomergasten. Maar de eerste twee gasten vielen tegen. Hedy d’Ancona (78), PvdA-politica en actief feministe, met haar verhalen over vroeger, filmbeelden van bijvoorbeeld Una giornata particolare, en de actualiteit van Koot en Bie, vond ik wel heel boeiend. De interviewer, Thomas Erdbrink, correspondent in Teheran, komt in mijn ogen niet zo goed uit de verf. De serie is nu halverwege, de zomer is nog niet voorbij. Het kan nog goedkomen.

Het is de zomer van de boeken die ik lees, zoals altijd. Maar echt boeken die me bij zullen blijven, heb ik nog niet gelezen deze zomer. Kan nog. Aardig is nu in elk geval het boek van de Spaanse Marian Izaguirre. ‘Toen het leven nog van ons was.’ Het speelt zich af in 1951, voor mensen die tot het Republikeinse kamp behoorden, betekent het overleven in een fascistisch land waar veel niet meer kan. Het leven is hen ontnomen, lijkt het wel. De buitenlandse Alice en boekhandelaar Lola pakken daar iets van terug en lezen samen de memoires van Rose, een mooi verhaal in een ander mooi verhaal.

dance-academy-tara-on-black

En ten slotte is het dus ook de zomer van Dance Academy, een jeugdserie die voor het eerst werd uitgezonden tussen 2010 en 2013. De drie seizoenen, 65 afleveringen, komen elke werkdag op tv en ik volg het met veel plezier. Nu Sammy is verongelukt en ik de belangrijkste karakters in de serie heb leren kennen, is het verdriet op de dansschool invoelbaar. Bij Abigail bijvoorbeeld die eerder een relatie met Sammy had en bij Ollie, waarmee Sammy uit de kast kwam. Toen ging het een paar afleveringen over zijn homoseksuele geaardheid en reacties van de omgeving daarop. “Ik heb altijd al een homoseksuele vriend willen hebben”, roept Tara uit terwijl ze hem omhelst.

Wat de serie zo goed maakt, is niet alleen het inkijkje in de balletwereld, een wereld die me fascineert, maar ook alle emoties die de dansers meemaken. De ene aflevering zitten ze in een diep dal, na een teleurstelling, een harde opmerking van een dansconcurrent of het gevoel dat ze er nooit zullen komen. De volgende aflevering staan ze in de schijnwerpers, zijn ze volmaakt gelukkig, verliefd misschien, en ervaren ze de vriendschap van medestudenten op de Dance Academy.

Dance Academy wordt vooral verteld vanuit het perspectief van Tara Webster. Ze leert ballettechniek (inspirerend voor mijn danslessen), en soms ook hedendaagse dans en hip-hop. De vrienden, de schoolsfeer, liefdes, de docenten. Ik droom nog weleens van die mooie tijd toen ik net aan de studie in Wageningen begon. Een tijd van dromen en kansen, van hoop en teleurstelling. Er is veel mooie dans te zien in de serie, maar deels is het dan zeker ook nostalgie.

Een klein leven van Hanya Yanagihara

Jude zet alleen in zijn loft een scheermesje op zijn huid, zoekend naar troost in zelfmutilatie. Zijn vriend Willem, acteur, wil na ‘het incident’ alleen nog maar rollen in New York, geen duizenden kilometers van Jude vandaan. Harold, adoptievader, voelt zich onmachtig. Dat is de situatie op twee derde van Een klein leven. Daar ben ik nu en ik vraag me af, wie is toch Hanya Yanagihara, de schrijfster van dit boek?

Ze heeft een bijzonder boek geschreven. Het boek dat vorig jaar als A Little Life verscheen, is sinds april in het Nederlands te lezen. Het gaat over Jude en drie studievrienden in New York: acteur Willem, kunstenaar JB en architect Malcolm. Ze zijn alle drie succesvol, en dat geldt ook voor Jude. Maar Jude heeft een donker verleden, heel donker.

Het is een heel aangrijpend verhaal. Op pagina 200 had ik de tranen in mijn ogen. Vooral vanwege de onvoorwaardelijke liefde die zijn vrienden Jude toedragen. Dan, nog ruim 500 pagina’s te gaan, vraag je je af of Jude, die advocaat wordt en rond z’n 30e wordt geadopteerd door Harold, zijn docent Recht, een weg vindt voor de pijn. Of zijn vrienden hem er misschien uit weten te trekken. Willem bijvoorbeeld, zijn vriend en beschermer. Of er ergens licht is in de tunnel. Maar Jude, die behalve met zijn trauma en scheermesjes, met een fysieke handicap leeft en vaak een rolstoel gebruikt, wil geen hulp. Nauwelijks in elk geval.

Misschien wordt het wel teveel en is de ellende te groot. Jude, die aanvankelijk elke relatie uit de weg gaat, vindt uiteindelijk iemand, maar die slaat hem dan het ziekenhuis in omdat hij niet tegen zwakke mensen kan. Dat is te erg. Dat voel ik haast niet meer. Terwijl de schrijfster daar vooral op uit lijkt: voel het! Voel de pijn, de liefde, de uitzichtloosheid, het trauma, de ellende, de vriendschap! Er is geen troost.

Bovendien zijn er de aanprijzingen, soms nogal verlammend. Dan leg je het boek langs de meetlat, is het die vijf sterren waard, is dat DWDD-panel – boekverkopers immers – wel te vertrouwen, gaat dit boek je leven veranderen zoals de achterflap belooft? En wat te denken van Auke Hulst, recensent NRC Handelsblad, die schrijft: ‘ik heb voor het eerst sinds lang weer gehuild om een boek’. Zo’n intens boek moet dit zijn. Aan de andere kant heb ik ook het woord ‘slachtofferporno’ gehoord, dat is nauwelijks een aanprijzing te noemen.

littlelife

Hanya Yanagihara werd in 1975 op Hawaii geboren. Ze werkt sinds 2015 bij The New York Times Style Magazine en debuteerde in 2013 met The People in the Trees (vertaald als: Notities uit de jungle). Dat boek, gebaseerd op het leven van virologist Daniel Carleton Gaidusek, een boek waar ze afhankelijk van de bron, twaalf of twintig jaar aan werkte, werd enthousiast ontvangen. Maar met haar tweede boek is ze nu echt doorgebroken. Vriendenboeken zijn er meer verschenen. David Trueba (Cuatro amigos), Voskuil (Bij nader inzien), Mary McCarthy (The Group). Maar A little life is een sensatie die misschien wel het beste vergelijkbaar is met De verborgen geschiedenis van Donna Tartt.

Ze had de karakters al lang in haar hoofd, vertelt ze in een interview aan de Guardian, juli 2015. Schrijven van dit boek werd vervolgens een absorberend, vervreemdend en zelfs gevaarlijk proces. “Zo zal ik het waarschijnlijk nooit meer ervaren en ook niet willen ervaren.” Yanagihara vindt het boek een parabel over volwassenheid, zegt ze. Volwassenheid begint als iets wat vol is van sociale verantwoordelijkheid, maar verengt zich tot steeds meer introspectie. “Op het eind (van je volwassen leven) ben je helemaal aan jezelf overgeleverd. Als je kijkt naar de vrienden die Jude’s leven binnenkomen en weer verlaten en hoe ze hem nooit echt kunnen redden, dan is dat denk ik een accurate weergave van mijn volwassen leven en waarschijnlijk van dat van vele anderen.”

Ze vertelt de Guardian dat ze altijd op zichzelf heeft gewoond en nooit een gezin heeft gewild. “Ik geloof niet in het huwelijk en dat doen de karakters in mijn boek net zo min.” Het gaat uiteindelijk in Een klein leven ook om de manier waarop vrienden, in dit geval Willem, kunnen helpen om een verwoest leven te herstellen. En over de grenzen als de schade en verwoesting gewoonweg te diep is.

Een verhaal zoals dat van Jude is onwaarschijnlijk, erkent ze, maar niet onmogelijk. Dat leven begint als hij te vondeling wordt gelegd bij een klooster. Een van de monniken is een pedofiel, maar het gaat in het boek helemaal niet om dit punt, het misbruik inde katholieke kerk. Het boek schetst een beeld van New York waarin homo’s en transgender personen passen, een fluïde seksuele identiteit, maar ook dat is niet hoofdzaak. Het gaat ook niet echt over de artistieke scene waarin de vrienden van Jude leven. Allemaal bijzaak en achtergrondgewoel. Het gaat in mijn ogen enkel over het leven van Jude, a little life. Het gaat over de diepe vriendschappen, trouw en ontrouw en de moeilijke weg naar troost en redding. Of zoals Yanagihara zegt: “het gaat over wat een trauma doet met mensen en met hun gevoel.”

Zoals ik schreef, misschien is het teveel, en ik heb nog 280 pagina’s te goed. Maar ik wil die pagina’s lezen. Nu. Meteen.

Vreedzaam vechten

We leven in tijden van vrede en vrijheid. Dat horen we zeker rond 5 mei als we oorlogen herdenken en oorlogsslachtoffers. Maar dat wil niet zeggen dat er geen conflicten zijn in onze samenleving. Hans Achterhuis en Nico Koning beschrijven in ‘De kunst van het vreedzaam vechten’, ruim 600 pagina’s cultuurgeschiedenis en politieke filosofie, hoe we daarmee omgaan. Een rijk boek waar ik de afgelopen maand veel van heb geleerd. Prachtige inzichten, een blik op achtergronden van religieuze orthodoxie, conservatisme en populisme, zelfs een wending van mijn wereldbeeld op sommige punten en vooral veel over beschaving en modernisering in de westerse wereld. Aanrader, dit boek.

vreedzaam

Wat zeggen Achterhuis en Koning dan allemaal? Nou, bijvoorbeeld dat conflicten in een autoritaire of hiërarchische verhouding beter beheerst kunnen worden, maar in onze moderne gelijkheidsculturen – hoewel die gelijkheid soms wel genuanceerd moet worden – is dat lastiger. Er komen meer conflictsituaties tot uiting dan in een traditionele cultuur. Tussen ouders en kinderen, mannen en vrouwen, gezagsdragers en burgers, aanhangers van het ene geloof en het andere. Toch is er niet een grote toename van geweld, integendeel. Wat is er dan in onze samenleving dat dit voorkomt? Welke instituties beschermen ons? En zijn de dijken die we hebben opgeworpen tegen alle geweld sterk genoeg?

Girard

De schrijvers zetten verticale samenlevingen (traditioneel en hiërarchisch) tegenover horizontale (modern en gelijk, en bijvoorbeeld ook seculier). Ze lazen Samuel Huntington (Botsende beschavingen), René Girard (over mimetische begeerte en zondebokken), Fukuyama, Hobbes, Machiavelli en Arendt, filosofen die over politiek, maatschappij en menselijke verhoudingen hebben nagedacht. En nog veel meer.

In navolging van Huntington denken Achterhuis en Koning dat er conflicten blijven tussen verschillende beschavingen. Er is hooguit vrede mogelijk, maar geen verzoening. Er blijven tegenstellingen. Het gaat erom die conflicten hanteerbaar te maken. Breuklijnoorlogen vinden plaats op de plekken waar verschillende beschavingen elkaar raken, bijvoorbeeld in Bosnië, Soedan, India. Daarnaast zijn er wel gewelddadige conflicten binnen de invloedssfeer van een beschaving, bijvoorbeeld in Somalië.

Maar waar Huntington stelt dat enkel verschillen tot conflicten leiden, vragen Achterhuis en Koning zich af of juist gelijkheid tussen mensen een bron van conflicten is. Een verrassende vraag misschien. Een vraag die als het antwoord bevestigend is, vraagt om een paradigmawisseling, een copernicaanse wending, maar ze vinden materiaal genoeg voor die bevestiging. Ze baseren zich dan op René Girard, de Franse filosoof en antropoloog die kortgeleden, 4 november 2015, in Stanford is overleden.

We verlangen meestal wat anderen verlangen, stelt Girard. Dat kan een concreet object zijn, een huis, kunst, maar ook een positie, vaardigheid, vriendschap of liefdespartner. Ons verlangen is niet authentiek, denkt Girard, het is gewoon na-aperij. Hij spreekt over mimetische begeerte. Het begeerde wordt begeerlijker naarmate het meer door anderen wordt begeerd. We houden onszelf gewoon voor de gek, want zo authentiek en vrij als we denken, zijn we helemaal niet. Girard vindt niet alleen in de wereld zelf bevestiging, maar ook in de iedereen bekende (of voor iedereen toegankelijke) romans van Cervantes, Flaubert, Proust en Dostojevski. En in de mythes van de oude Grieken.

Als gelijkheid gevaarlijk is, omdat mensen dan gemakkelijker kunnen botsen, moeten er waarden en regelsystemen worden ontwikkeld die ongelijkheid bevestigen, bijvoorbeeld in de verhoudingen tussen mannen en vrouwen. Daarmee verklaren Achterhuis en Koning de ongelijkheid tussen mannen en vrouwen in traditionele samenlevingen, maar ze keuren die niet goed. Het is geen legitimatie ervan. Interessant, dit deel over arbeidsverdeling en incesttaboe. In de moderne tijd zijn er andere oplossingen om het gevaar van gelijkheid te beteugelen.

Modernisering

Een volgende stap in het boek is de bespreking van die moderniteit. Ivan Illich, filosoof, toont de schaduwkanten van de moderniteit in zijn werk en hij toont zich sceptisch over de moderne gelijkheid van mannen en vrouwen. Kanttekeningen bij moderniteit, oké, maar hier haken veel mensen af bij Illich. Terecht.

Iets vergelijkbaars gebeurt er met Spinoza. Spinoza doorzag net als Rousseau volgens Achterhuis en Koning wel hoe mimetische begeerte werkt. Zo stelt hij in zijn Ethica dat wanneer een mens die op ons lijkt ‘door een hartstocht wordt aangedaan, wij door een gelijke hartstocht worden meegesleept’. Spinoza constateert dat beide geslachten in ongelijkheid maar wel eendrachtig samenleven. In lijn met zijn filosofie ziet hij daar dan een noodzaak in, een natuurwet. Moeilijk te accepteren, dit punt van Spinoza, maar geen reden hem verder niet serieus te nemen.

Een volgende stap in het betoog is de bespreking van protestreligies. In bijna elke religie ontstaat verzet tegen teveel verticaliteit en gezag dat vooral bezig is haar positie veilig te stellen. Protestantisme bijvoorbeeld. De auteurs beschrijven hiermee hoe verschuivingen van een verticale naar een horizontale ordening hebben plaatsgevonden, maar ook een protestreligie kan weer verticaliteit gaan vertonen.

In algemene zin zijn religies in samenlevingen misschien wel ontstaan als een bron van conflictbeheersing. Er is immers een moreel systeem (Gij zult niet begeren wat van uw naaste is), onderscheid tussen goed en kwaad en middelen van boete en straf. Maar religies hebben ook enorm veel conflicten veroorzaakt. Achterhuis en Koning schrijven dat het moeilijk is over de relatie tussen religie en geweld een duidelijke uitspraak te doen.

Beter dan bijvoorbeeld de kerk, lijken moderne instituties zoals democratie, rechtsstaat, vrouwenrechten, te werken. “Een reeks van toevalligheden heeft de westerse beschaving tot voorloper gemaakt in het moderniseringsproces”, schrijven de auteurs. De oud-Griekse democratie, feministische golven in de Middeleeuwen, wetenschap, de Verlichting, Hobbes en Nietzsche, industrialisatie, massaconsumptie en de daarmee samenhangende groei van het individualisme, dat zijn misschien een paar van die toevalligheden.

Genoeg

Moderne mensen denken seculier, individualistisch en kosmopolitisch, stellen Achterhuis en Koning. Maar dat is op wereldschaal het denken van een minderheid. Het staat tegenover sacraal, patriarchaal en tribaal denken, kenmerkend voor verticale samenleving. Het is duidelijk waar hun sympathie ligt (en de mijne) en waar we heen moeten voorzover we daar nog niet zijn.

Ze zetten wel kanttekeningen bij aspecten van de modernisering, bijvoorbeeld waar het tegen grenzen oploopt van wat de wereld aankan. Een noodzakelijke nuancering. We moeten maat houden. Naast geweldsbeperking is begeerteregulering nodig (over die begeerteregulering wil ik nog een blog schrijven, genoeg is genoeg). Maar modernisering is ook onderwijs, geletterdheid, urbanisatie, welvaart, sociale mobiliteit, meritocratie, lhbt-rechten, emancipatie.

Er is veel verzet tegen modernisering. Achterhuis en Koning benoemen de aard van dat verzet als orthodox-religieus, conservatief of populistisch. De bespreking van de eerste raakt bijvoorbeeld aan de actuele situatie in Syrië en Irak en die van het conservatisme en populisme is denk ik ook herkenbaar in de reacties op de vluchtelingenproblematiek en het referendum over de versteviging van de banden tussen Oekraïne en de EU.

Maar goed, dat is mijn kijk op de lijn in het boek van Achterhuis en Koning. De Kunst van het Vreedzaam Vechten. Aanvankelijk dacht ik: is dat echt wat we doen in onze westerse beschaving: vreedzaam vechten? Is de moderne samenleving die Achterhuis en Koning beschrijven niet een utopie? Worden tribale samenlevingen niet te gemakkelijk af geserveerd? Zoeken ze in het boek misschien vooral bevestiging voor de stelling dat we zijn geëvolueerd van een verticale naar een horizontale samenleving?

Ik heb daar voor mezelf antwoorden op gevonden, maar lees het boek vooral zelf. Dan zie je nog veel meer en veel beter. En dan leer je echt een hoop.

Licht op Spinoza

Hoe zou Spinoza denken over de wereld van vandaag? Misschien zou hij wel vinden dat we tijden van verduistering beleven in plaats van verlichting. Ik ben deze maand helemaal in Spinoza. Boeken gelezen, met Spinozakenner Miriam van Reijen gesproken, hoorcolleges beluisterd, zijn Ethica opengeslagen en nagedacht over wat hij nu eigenlijk zei.

Vijf keer Spinoza

1. Benedictus

Benedictus, daar houd ik het op, niet Baruch. Natuurlijk, Spinoza’s vader was een sefardische jood, gevlucht uit Portugal. En hij was joods opgevoed, maar in 1656 werd hij, 24 jaar oud, uitgestoten uit de joodse gemeenschap. Hij gebruikte daarna zelf zijn Latijnse naam Benedictus. Over zijn leven staat weinig vast, zijn biografie is snel verteld. Maar de jaren van zijn leven (1632 tot 1677) waren hectisch. Rembrandt en Vermeer maakten hun schilderijen en na het einde van de oorlog met Spanje in 1648 ontstond er een tweestrijd tussen prins- en staatsgezinden. Moest Willem II het land besturen of moest Nederland een republiek worden? Het was de tijd dat in Nederland de VOC ontstond, een grote handelsorganisatie die grote rijkdommen uit de koloniën haalde, en in Den Haag werd een politieke moord gepleegd. Misschien wel de eerste van de geschiedenis. Het waren ook de beginjaren van de Verlichting. Spinoza deed het licht aan. Benedictus.

spinoza

2. Vrije wil is een illusie

Dat Spinoza het bestaan van de vrije wil ontkent, ligt voor veel mensen lastig. Maar de meeste neurowetenschappers herkennen het wel. Als je meer over de werking van de hersenen zou weten, kun je gedrag voorspellen, verwachten ze. Ze zijn het vaak ook wel eens met Spinoza dat je geen onderscheid moet maken tussen lichaam en geest. Alles is één. Dat alles dan een oorzaak heeft, zoals Spinoza stelde, willen veel mensen nog wel aannemen, maar dat dit betekent dat je keuzes helemaal niet zo vrij zijn, ligt moeilijk. Het lijkt of je mensen daarmee iets van hun vrijheid afneemt. Vrije wil en vrije keuze staan in onze geïndividualiseerde samenleving immers in groot aanzien. Niemand hoeft voor ons te kiezen, dat doen we zelf wel. Dat idee. Op school kiezen we wat we wanneer willen leren, we kiezen zelf op wie we verliefd worden en niemand heeft het recht om mijn leven te sturen. Maar je keuzes blijken achteraf helemaal niet zo verrassend, want je koos wat jij op het moment van ‘keuze’ goed of het beste vond. Jouw ideeën over ‘goed’ en ‘het beste’ komen niet zomaar uit de lucht vallen.

3. God zit in alles

Ik ben niet gelovig, maar het godsbeeld van Spinoza vind ik prachtig. Hij ontdeed God van alles wat we hem als mensen toegedacht hadden. God is oneindig, dat bleef zo bij Spinoza, maar hij is geen persoon op een zetel in de hemel die luistert naar jouw gebeden en dan ingrijpt. Dat kan helemaal niet, volgens Spinoza. Luisteren naar jouw gebed en ingrijpen in de loop der dingen zou betekenen dat God ingrijpt in de wetten van oorzaak en gevolg, de wetten van de natuur. Onzin. Net zoals wonderen onzinnig zijn. Je begrijpt niet wat er gebeurt omdat je de oorzaak niet kent. En goed en kwaad hebben niets met God te maken, maar alles met opvattingen van mensen. Het godsbeeld van Spinoza leidt verder tot bescheidenheid. Je bent als mens niet het centrum van het universum, degene waar het allemaal om draait en waar zelfs God naar zou luisteren, maar slechts een manifestatie van de oneindige natuur. De vraag of Spinoza nu atheïst was of niet, vind ik niet zo interessant. Ik denk dat ieder van de partijen in deze discussie hem graag in zijn of haar kamp wil trekken. Dat was vroeger wel anders. Omdat met name kerk en predikanten veronderstelden dat de ideeën van Spinoza tot afvalligheid zouden leiden, waren zijn boeken tweehonderd jaar lang verboden.

4. Beter leven

Er zit iets therapeutisch in Spinoza’s filosofie, iets van levenskunst. Voor Spinoza ging het uiteindelijk om gelukkig worden. Geluk is niet te vinden in roem of rijkdom, maar eerder in eenvoud. En in inzicht of kennis van hoe het werkt in de wereld. Spinoza begrijpen en navolgen betekent ook dat je negatieve emoties kunt plaatsen. Verdriet, woede, blijdschap, angst of afkeer. Die hebben allemaal net als alles in de wereld oorzaken. Als je begrijpt waar ze vandaan komen, hoef je niet zo te lijden onder de negatieve emoties (boosheid, jaloezie). Dat geeft rust. Je wordt ook een prettiger mens voor anderen en eigenlijk, verwacht Spinoza, wordt het dan gewoon beter in de wereld. De aanpak van Spinoza lijkt wel wat op de rationeel-emotieve therapie.

spinoza4

Beeld van Nicolas Dings in Amsterdam (foto: ton van den born)

5. Totale tolerantie

Vrijheid van denken en spreken was voor Spinoza zelf nog best lastig, want zijn ideeën waren controversieel. Maar wil je een stabiele staat, dan mag je niemand de mond snoeren, vond hij. Democratie is de best mogelijke garantie dat mensen elkaar niet gaan gebruiken. Spinoza maakte zich ernstige zorgen over de bedreiging voor de liberale geest van zijn tijd en over het te grote gezag van de predikanten. Zijn boek de Tractatus Theologico-Politicus, even tussendoor geschreven terwijl hij met zijn hoofdwerk de Ethica bezig was, is dan ook uit nood geboren. De boodschap was vooral dat je politiek en godsdienst moest scheiden en dat de Bijbel, die door mensen geschreven was, niet onfeilbaar was. Een staat moet gebaseerd zijn op rationele en seculiere principes. Leg dat maar eens naast het kalifaat.

Ter afsluiting

Spinoza zou zich misschien ook niet enorm verbazen als hij nu in de wereld zou rondlopen. Hij had een goed inzicht in de aard van de mens. Spinoza’s oplossing is een goede opvoeding. Dat is de weg die leidt tot een gelukkiger leven. Maar het gaat vaak fout omdat kinderen worden opgevoed met vooroordelen en onredelijke normen, ze worden bang gemaakt en er wordt voor hen nagedacht in plaats van dat gestimuleerd wordt dat ze zelf leren nadenken. Het licht gaat pas weer aan met een goede opvoeding, goede boeken en goed onderwijs.