Categorie archief: reportage

In het middelpunt van Europa

“Zit je nu Duits te leren”, vraag ik aan het meisje naast mij. Ze leest aantekeningen met werkwoordsvervoegingen. Ja, soms zijn mijn vragen geniaal (;-)). We zitten in de trein van Praag naar Olomouc en ik worstel me, toevallig, door een Duitstalige biografie over Lou Salomé. Een boek dat meer gaat over haar relaties met mannen – filosoof Friedrich Nietzsche, publicist Paul Rée en de in Moravië geboren Sigmund Freud – dan over de in Rusland geboren psychoanaliste zelf. Het meisje studeert in Olomouc en heeft morgen examen, vertelt ze. Ja, Duits is moeilijk, en ze moet nog een paar jaar. Maar ik denk dat ze deze biografie vlotter zou lezen dan ik.

Olomouc is een stad in Moravië, ruim 200 kilometer oostelijk van Praag. Het heeft de sfeer van een provincieplaats, zeker in vergelijking met Praag. Het Deventer van Tsjechië zeg maar, of Wageningen.

Heel wat anders dan Praag in elk geval. Dat moet je vergelijken met Amsterdam, Parijs, Rome, Barcelona. Heel veel toeristen in het centrum van de stad die bij elkaar lijken te kruipen rond de highlights. In Praag is dat de Karelsbrug over de Vltava-rivier, het grote stadsplein in de oude stad, de Praagse Burcht (een complex van kastelen, kerken en musea), de Joodse begraafplaats en het museum over Mucha.

Ik ben over de Karelsbrug gelopen, slingerend tussen de drommen fotograferende toeristen. Ja, en ik ben ook naar dat museum gegaan. Alfons Mucha is net als Franz Kafka een Tsjechisch symbool. Wat Vincent van Gogh is voor Nederland. Mucha ging naar Parijs en maakte er vanaf 1894 veel posters voor het theater van de beroemde actrice Sarah Bernhardt. Prachtige vrouwen in mooie poses. Art nouveau. Ik vind het mooi, de posters, maar het museum is klein, druk en teveel op toeristen gericht die er in een halfuurtje doorheen snellen.

Mooie stad hoor, Praag. Architectuur, sfeer, een rivier, uitgaansleven en veel musea. En bovendien ligt Praag in het middelpunt van Europa en heeft het een compact centrum en goedkoop bier. Dat trekt een hoop mensen. Massatoerisme.

In de Praagse Burcht, met uitzicht op de stad, wil een groep Spaanse mannen een foto maken. Een van hen gaat binnenkort trouwen en viert nog even zijn vrijgezellenstatus. Met liters bier, schat ik. Ik schiet een paar foto’s op de smartphone van een van hen. Een kwartiertje later ontdek ik een rustig straatje dat me van de hogergelegen burcht terugvoert naar de stad. Bijna alle toeristen drommen de trappen af in plaats van het straatje. Voor me uit lopen slechts een paar nonnen.

Zware pijen

Praag ligt middenin Bohemen. Volgens de legende voelde prinses Libuse dat hier een stad zou komen. Ze trouwde met een boerenjongen en stichtte de dynastie van de Premysliden, zo’n familie van koningen die jarenlang over het land heerst. Tot ongeveer 1300. Karel IV, naamgever van ongeveer de beroemdste brug ter wereld, wordt in 1347 koning van Bohemen en later ook nog benoemd tot keizer van het Heilige Roomse Rijk. Het was een bijzondere eer, geloof ik, als de Paus je kroonde als keizer van dat grote politieke verband van staatjes in een gebied dat liep van Nederland tot Midden-Italië.

Karel trouwde met de 13-jarige Blanche van Valois, de zus van Filips VI die koning van Frankrijk zou worden. Een kindhuwelijk zou je denken, maar Karel zelf was ook net 13. Kinderenhuwelijk. Kinderen van 13 hadden toen een andere status. Klein uitgevallen volwassenen, als je ook de schilderijen uit de middeleeuwen ziet.

Karel IV liet Bohemen bloeien en maakte van Praag een belangrijke hoofdstad. Ik stel me dat voor als een stad met handel, een stad die groeide, waar kerken werden gebouwd en pleinen. En waar machtige mensen rondliepen in mooie kostuums in prachtige paleizen.

Ook in Bohemen kwam er net als een goede honderd kilometer noordwestelijker, waar Luther in Leipzig kritiek uitte, verzet tegen het machtsmisbruik van de katholieke kerk. Hier was dat Jan Hus met zijn Hussieten. Hus stierf in 1415 op de brandstapel, maar de twisten bleven. En veel mensen werden later protestant.

De contrareformatie, vanaf ongeveer 1620, was zo heftig dat de protestanten op de vlucht sloegen. In Tsjechië is nu het katholicisme het grootst (ongeveer een kwart van de bevolking), maar veruit de meeste Tsjechen rekenen zich niet tot een religieuze groep. Er staan mooie, grote kerken. In Olomouc zijn verschillende kloosters en ik zie ook veel monniken in zware pijen lopen. Maar een oud klooster waar ik heenloop, net buiten de stad, is kortgeleden omgevormd tot een ziekenhuis.

Charta 77

Het verhaal over de politiek is zoals zo vaak het masculiene verhaal van moord oorlog. De ontmanteling van het Oostenrijks-Hongaarse rijk na de Eerste Wereldoorlog, de republiek Tsjechoslowakije, de inval van de Duitsers in Sudetenland in 1938 en een half jaar later in heel Tsjechië.

Dan is er de moord op nazi-leider Reinhard Heydrich in Praag, de moord waarover de Franse schrijver Laurent Binet dat bijzondere boek Hhhh over schreef. Verder de onderdrukking in de stalinistische staat en de Praagse lente in 1968. Ik lees erover op een terrasje met een halve liter bier voor me, en zie soms standbeelden, herdenkingstekens of straatnamen die aan de grote gebeurtenissen herinneren.

Charta 77 ken ik vaag, maar hoe zat het ook weer? Toen de Russen de Praagse lente ruw braken en de oppositie muilkorfden, waren de dissidenten even stil, maar niet weg. Gesteund door de Helsinki-akkoorden over de mensenrechten ondertekenden een paar duizend kunstenaars en intellectuelen een manifest dat die Helsinki-waarden onderstreepte. Dat was Charta 77. Die ondertekenaars werden vaak vervolgd of verbannen, maar één ervan, Vaclav Havel, sprak het volk toe na de fluwelen revolutie in 1989. Hij werd staatshoofd.

Meer aan de zijlijn van de grote geschiedenis is er de defenestratie, aanpak van politieke tegenstanders die bijna traditie leek te worden. Ze werden het raam uitgegooid. Of het verhaal van een rabbijn uit de 16e eeuw, bevriend met de astronoom Tycho Brahe, die een beeld van klei, de golem, tot leven zou hebben gewekt. Praag was sowieso een centrum van magie en alchemie. Of Karel Capek die in het begin van de 20e eeuw het woord ‘robot’ voor het eerst gebruikte. Wat zou die opkijken als hij 80 jaar na zijn dood weer even tot leven zou komen en onze gedigitaliseerde wereld zou zien.

En dan het verhaal van de Roma en de marginalisatie en discriminatie van deze mensen. Is er een lijn te trekken naar het vluchtelingenbeleid van het land? Tsjechië heeft net als Hongarije, Slowakije en Polen de grenzen gesloten voor vluchtelingen, doof voor de EU-oproep om deel te nemen aan de opvang van mensen die vluchten voor oorlog en onderdrukking.

Janácek

Terug in Nederland lees ik Milan Kundera, ook een dissident, en een migrant. Hij vluchtte naar Parijs en schreef veel van zijn mooiste boeken in het Frans. Het boek Verraden testamenten gaat over kunst en literatuur, Musil bijvoorbeeld. En vooral over Janácek die hij als de grootste Tsjechische componist beschouwt. Groter dan Dvorak, Smetana en Martinu. Het probleem van Janácek was dat hij in Brno woonde, honderd kilometer onder Olomouc en ook een provinciestadje, zeker vergeleken met Praag. Janácek schreef vernieuwende opera’s en fantastische pianomuziek, maar ze werden niet gehoord. Of niet begrepen.

Ik bezoek het huis in Brno waar hij leefde, nu een museum. Na een treinreis vanuit Olomouc die wat langer duurt dan normaal omdat er aan het spoor wordt gewerkt. Als ik bij het museum kom, is het nog dicht. Een halfuurtje later ben ik de eerste bezoeker van de dag, net voordat er een groep van zeker twintig Japanse toeristen komt. Voordat die oosterse invasie plaatsvindt, wijst de suppoost me de weg. “Als je dit allemaal gezien hebt, kan ik een dvd starten over Janácek”, zegt ze. Ik zie de mooie documentaire, een Duitse productie van ruim een uur, helemaal uit, terwijl de Japanners na tien minuten vertrekken.

Het is een van de hoogtepunten van mijn korte Tsjechiëreis. Net als de uitvoering van het Nationaal Tsjechisch Ballet op mijn laatste avond in Praag. Choreografieën van de dansers zelf, soms uitermate klassiek en op spitzen en soms heel modern en bijna urban. Ze hebben muziek gebruikt van barok tot Bowie. Ik vind het prachtig.

Een selectie van mijn foto’s staat hier.

Nog twee minuten

leestijd: anderhalve minuut

Met hoeveel passen we achterin een truck? Tellen lukt me niet, maar het ziet zwart om me heen. Toen we ingeladen werden – er is geen ander woord voor – zag ik de paniek in de ogen van mijn metgezellen. Nu is het donker, niet omdat het nacht is, maar omdat er geen lichtinval is. Af en toe hoor ik een kreet van pijn als we door een bocht gaan en lichamen tegen de wand van de truck worden gedrukt. Met moeite blijven we overeind.

Mijn leven? Ik ben al vroeg van mijn moeder gescheiden. Kort na de geboorte. Dat zou beter zijn voor de productie. Mijn zusjes zijn wel gebleven, en worden straks misschien op hun beurt moeder, maar ik ben weggevoerd. Mijn moeder zag me vertrekken en kon niets doen. Het deed veel pijn, ik zag het bij haar. En ik heb weken rondgelopen met een knoop in mijn maag. Ik heb geen idee wat er van haar of mijn zusjes gekomen is. Familie telt niet in dit leven.

Ik kwam na een lange reis in een saai hok, vies en krap. En dit is mijn laatste reis, weet ik. Ik hoorde de man en de vrouw praten. “Die en die”, wezen ze. Ze keken ook naar mij. “Die zijn er klaar voor.” Een naam kreeg ik niet van hen, ik was er te kort. Een nummer ben ik. Massa. Opbrengst.

Was dat het nou? Het leven is eten en gegeten worden. Niet meer dan dat blijkbaar. Ze zeggen dat in je laatste minuten je hele leven aan je voorbijschiet. Ik heb daar niet veel tijd voor nodig. Ik kwam nauwelijks buiten. De eerste weken nadat ik van mijn moeder gescheiden was, leefde ik alleen en daarna leefden we in een klein groepje. Dat heeft een klein half jaar geduurd en nu staan we hier. Hoe lang nog?

We worden de truck uitgedreven. De paniek is nu echt voelbaar. Ze, de mensen die over ons lot beslissen, proberen stress te vermijden. Dat heb ik begrepen, want dat is beter voor de kwaliteit. Maar echt, je voelt het als je tussen dit hekwerk staat en je kunt maar één kant op, alleen maar voorwaarts. Het is alsof je opnieuw de moederschoot uitgeperst wordt, zo verlaten we de vrachtwagen.

Maar waar toen de weg naar leven leidde, voert die nu naar de dood. Binnen twee minuten ben ik dood. En vanavond ben ik kalfsvlees in het schap.

Buen camino

Er zijn honderden redenen te bedenken om de Camino de Santiago te lopen, tot Santiago de Compostela in het noordwesten van Spanje of een stukje ervan. Niet veel van de mede-peregrinos die ik tegenkwam in de week dat ik de Camino liep, verdenk ik van religieuze motieven, hooguit spirituele motieven. Het graf van apostel Jacobus bezoeken of dichter bij God zijn. Ik kan weinig met dat soort motieven. In de middeleeuwen was er nog een aflaat te halen in Santiago, een korting op het vagevuur. Later speelde volgens Herman Vuijsje het navoelen van het lijden van Jezus een rol. ‘De camino mocht niet over rozen lopen, maar moest over doornen gaan.’

Culturele motieven, noemt een Spaanse site. Dat is voor velen nu een belangrijke reden. Voor de meesten, denk ik. Of huilen en uitrazen, wat verdriet of tegenslag vooronderstelt. Jezelf terugvinden, pure eenzaamheid ervaren of juist vriendschap vinden. Liefde misschien, zoals die Oostenrijkse medepelgrim die vertelde hoe hij zijn lief was tegengekomen tijdens een eerdere tocht. De natuurbeleving, de uitdaging of de sport. De lokale wijnen langs de route ontdekken, een alternatief voor playa en pretparken bezoeken of nu eindelijk eens het land van Goya en Don Quijote leren kennen.

Het is heel simpel, haal een stempelkaart, vul je rugzak met wat voeding, water en kleding en begin te lopen. Vooropgezet dat je een beetje conditie hebt. Begin liefst vroeg in de ochtend, tegen zonsopgang. Of eerder als je een nachtlampje hebt. Volg de borden en pijlen en als je rond de middag in de buurt van een herberg komt, is dat wellicht een mooi moment om de tocht voor die dag te onderbreken.

Ik was in Pamplona waar ik een taalcursus deed. Weinig cursisten, maar dat trekt me juist wel. Een stad die ik vaag kende, waarvandaan ik vrienden kon bezoeken en waar ik me kon onderdompelen in het Spaanse leven. Dat zocht ik daar. Na afloop van de cursus had ik nog een weekje. En pas een dag of drie voordat ik me op de Camino begaf, bedacht ik dat het misschien wel een goed idee was me op de Camino te begeven. Misschien hielp het dat een Spaanse vriendin me enthousiast appte dat ze net die week de laatste vijf etappes naar Santiago had gelopen. Mijn simpele motto: lopen is leuk!

Behoorlijk onvoorbereid, ja. Maar goed, wat heb je nodig? Zo dacht ik. Behalve een paar loopschoenen, een tandenborstel en natuurlijk, vanzelfsprekend, onontbeerlijk, een boek. Waar ga je heen zonder boek? Ik nergens. Nooit.

In dit geval was dat helaas niet Homo Deus, het prachtige, meeslepende, overtuigende werk van de Israëlische historicus Yuval Noah Harari. Grappig dat ik een Schotse vrijwilligster die wacht hield bij een kerkje onderweg juist met dat boek zag. Grappig ook omdat Noah Harari religie als heel functioneel beschrijft: het christendom is bedacht om landbouw en consumptie van planten en dieren te legitimeren. Zijsprongetje. Dat boek had ik al voor de vakantie gelezen, ik las nu een dikke Spaanse roman van Paloma Sanchez-Garnica.

Terug naar de tocht. Pamplona ligt een 750 kilometer van Santiago de Compostela, maar juist de oversteek van de Pyreneeën trok me aan. Dus nog een stukje terug. Ik kocht een ‘credencial’, een stempelkaart die als bewijs geldt voor de herbergen dat je daadwerkelijk bezig bent met de Camino. Alleen op vertoon van die kaart kun je daar slapen. Ik nam de bus naar Saint Jean Pied-de-Port, net over de Spaanse grens en drie etappes vóór Pamplona. En ik liep er naar het toeristenbureau voor een eerste stempel.

Daar schoten de tranen me in de ogen. Mijn eerste stempel! Hoeveel zouden er volgen, wat zou ik tegenkomen, is dit het begin van iets, hoeveel honderdduizenden mensen zijn me voorgegaan, wat is dit? Ik vraag me af of de stempelaar van het toeristenbureau iets heeft gemerkt. Hij was wel heel vriendelijk en wenste me ongeveer als eerste ‘buen camino’.

Later die dag raakte ik opnieuw geëmotioneerd. Ik had de acht kilometer naar herberg Orisson gelopen en me daar ingeschreven. Tot het gezamenlijk avondeten had ik nog een paar uur en ik probeerde te lezen. Dat ging moeizaam. Blij dat om 7 uur ’s avonds het eten op tafel stond. Er zaten ruim dertig peregrinos aan twee lange tafels. Ik zat naast Victor en Estefania, twee Spaanse wandelaars. Er waren veel Italianen, een paar Amerikanen. Er was nog een Argentijn, een van de eersten die ik tegenkwam. Ik zag hem later, nauwelijks gestopt met lopen voor die dag, met een halve liter bier. ‘Dat is goed voor je spieren’, beweerde hij.

De Franse eigenaresse van de herberg vroeg even aandacht voor dat ze met het toetje kwam. ‘Willen jullie allemaal je naam en land noemen?’ Op dat moment zag ik mijn mede-peregrinos pas. Allemaal mensen zoals ik die soms al eerder de Camino hadden gelopen, maar meestal net gestart waren. Sommigen gingen heel zelfverzekerd staan, met trots en overtuiging, anderen waren juist super verlegen, misschien wel extra door de bravoure van anderen. En ik kreeg opnieuw de tranen in mijn ogen.

Het maakt me niet uit wat de motieven zijn. Of je nu op zoek bent naar inkeer en reflectie of niet, daar misschien toe gedwongen wordt, al lopend. Of ook al wil je alleen maar even lopen. Maakt mij niet uit. Maar ik vind het mooi wat Vuijsje – ook een pelgrim zonder God – daarover schreef: ‘Wie nu naar Compostela trekt, maakt zich los van waarden als effectiviteit en efficiëntie. Vaak weet hij zelfs niet wat hij wil en gaat hij op pad om daar achter te komen. Terwijl we in ons dagelijks leven steeds doelgerichter zijn geworden, is op de camino een tegengestelde ontwikkeling te zien.’

Ik denk aan het Italiaanse echtpaar, die ik net voor Pamplona waarschijnlijk voor de vijfde keer die dag, tegenkwam. “We leven tijdelijk in een aparte wereld, een wereld waarin je enige doel is lopen, stempelen, eten en slapen. Los van de wereld, afgekeerd van de wereld. Al die mensen die we tegenkomen, en die niet de Camino lopen, zijn buitenstaanders. Voor hen gaat het echte leven door. Wij zijn daar even weg.” Dat is mooi, vakantiedoel op zich. En dat je helemaal in het nu leeft. Dat gevoel had ik ook. Niet bezig met zoeken of aankomen, maar hooguit ervaren, beleven, lopen.

Het meest overtuigende was dat ik op de laatste ochtend, in Estella, ergens blij was dat ik niet verderging, maar ergens ook jaloers op de wandelaars die verder gingen. Ik zie jullie nog wel een keer!

Foto’s Camino
Meer foto’s van deze zomer in Spanje

Danser in Lyon

Schuin kijk ik naar de andere dansers. We hebben allemaal een lange, grijze regenjas aan, een hoed op en grote schoenen aan. Mijn speciale dansschoenen passen zelfs over mijn gewone schoenen heen. Elk half uur kun je hier meedoen aan een uitvoering, ergens in een halfverlicht zaaltje in het Musée des Confluences. We zitten met zo’n vijftien mensen tegen de wand, het licht wordt minder, een stem zegt wat we gaan doen. ‘Sta op en stamp op het ritme van de muziek naar het lichtvlak. Ga heel dicht bij elkaar staan. Handen in je zak en hoofd naar beneden. Ren op het teken allemaal achter een van jullie aan die uit het groepje ontsnapt.’ Ja, in het Frans. Vandaar dat ik me soms moet voegen naar de andere danseurs.

Danser Joe heet het. Het is onderdeel van een expositie over hedendaagse dans. Maguy Marin, Pina Bausch, Merce Cunningham, Kurt Jooss. Le sacre du printemps in vijftig verschillende uitvoeringen. Deze expositie is echt de enige reden dat ik naar dit museum op een stukje grond waar Rhône en Saône samenvloeien (confluence), ben gelopen. De hele geschiedenis van de hedendaagse dans in foto’s, video’s en muziek. Bij de ingang van de expo krijg je een koptelefoon en dan loop je de dynamische wereld van de dans binnen.

lyon-191116-20a-klein

Ik ben in Lyon. Ja, wie gaat er nou naar Lyon? Ik ken niemand die me is voorgegaan. Lyon, daar rijd je zo snel mogelijk aan voorbij op de Route du Soleil naar warmere oorden, zuidelijker streken, zonniger landen. Zo ontoeristisch lijkt me dat dan dat ik er heen wil. Juist daarom. En er is vast wel een theater en een kunstmuseum. Wat blijkt, er is een mooie balletvoorstelling in het theater en een prachtige verzameling in het kunstmuseum. En dat is lang niet het enige.

Vieux-Lyon is het mooiste deel van de stad. Huizen uit de middeleeuwen, pleintjes van kinderkopjes, binnenplaatsjes achter poorten. Traboules heten die doorgangen. Lyon was de stad van de zijdewevers, het was de stad van de marionetten en ik veronderstel dat het ook de stad van de dans is. Of is het toeval dat ik tegen dansscholen en balletwinkels loop, dat er voor de l’Opéra voortdurend hiphopdansers bezig zijn, dat de dansexpositie nu draait? Kan, maar wel een leuk toeval dan.

Op de ene heuvel ontstond een Romeinse stad toen Caesar besloot om vanuit Lugdunum zoals Lyon toen heette de Galliërs te verslaan. Op een andere heuvel strekte zich de Gallische stad Condate uit. Nu de Croix-Rousse, een wijk met bochtige straten en lange trappen. Daar loop ik een paar dagen rondjes. Maar een hoogtepunt is de uitvoering van het Ballet de l’Opéra de Lyon van drie dansstukken van drie verschillende choreografen (Childs, De Keersmaeker en Marin) op muziek van Beethoven. Danser Joe natuurlijk, en het prachtige Musée des Beaux Arts.

Op een grijze maandag – ja, dit museum is open op maandag, er komen dan ook schoolklassen en tekenstudenten – loop ik er uren rond. Langs Picasso, Rubens, Zurbarán, Delacroix, Rodin, Manet. Na een lange kunstmiddag drink ik een biertje in bar les Berthom voordat ik terugreis naar Bron, een voorstad van Lyon waar ik bij Dominique en Albert in hun Airbnb-kamer logeer.

Ik heb een lang weekend veel gezien in Lyon, maar lang niet alles. Het doet me denken aan het gedicht van Wilmink: Op doorreis door Vlaanderen. ‘Ach mijn vrouw wil naar Zuid-Frankrijk / voor vakantie en vertier. / Daarom rijdt ze nu door Vlaanderen / en ik ben haar passagier. / Meid, waarom zo ver gereden, / waarom blijven we niet hier, waarom blijven we niet in Vlaanderen / met zijn duizend soorten bier?’ Lyon? Aanrader. Hoewel de kans steeds kleiner wordt dat je in het Musée des Confluences nog mee kunt doen aan Danser Joe – ik waarschuw maar – blijft er genoeg te zien en te beleven.

Foto’s van Lyon staan hier.

Schok en sake

De Japanse cultuur leer je niet kennen in een paar weken. En de Japanner nog minder. Maar achttien dagen in dit land van uniforme salary men, supersnelle treinen, vele Shintotempels en geautomatiseerde wc-brillen geeft wel een indruk.  

Het is alsof er iemand zwaar aan mijn bed schudt. Het is ongeveer middernacht en ik was diep in slaap, maar ik zit nu direct rechtop. Waar ben ik, wat gebeurt er? Dit moet een aardbeving zijn, realiseer ik als er niemand naast het bed staat. Ik heb ooit gehoord dat je dan naar buiten moet, waar het huis niet op je kan neerstorten. Later, dichtbij het strand van Kamakura, zie ik richtingsborden die wijzen waar je hogerop kan komen zodat je een tsunami, een vloedgolf na een zware trilling, kunt ontwijken. In het huis van Sumire, op het platteland een twintig kilometer onder Nikko, blijft het stil. Geen geluiden van paniek. Maar ik ben flink geschrokken.

“Het was niks”, vertelt Sumire bij het ontbijt. Ze pakt de muur in de kamer beet. “Een paar jaar geleden stonden de muren hier te trillen.” Het blijkt dat het episch centrum van deze aardbeving in zee bij Fukushima lag, 5,3 volgens Richter. Hier in Nikko voelt het dan nog als een 2’tje of een 3’tje. “Dat gebeurt zo’n beetje dagelijks.”

180716 in kimono2

Meisje in kimono in Kyoto

Sumire kan het weten. Twee dagen geleden meldde ik me bij haar. Ze werkt op een softwarebedrijf en runt een Airbnb. Omdat haar huis ver van een supermarkt of restaurant ligt, zijn ontbijt en diner inbegrepen en rijdt ze haar gasten als die geen eigen vervoer hebben, ’s ochtends naar een stationnetje op een minuut of 10 van haar huis. Ook mij. Aan het eind van de middag komt ze me na een seintje daar weer ophalen. In haar Japanse automodel met een televisieschermpje in het dashboard. Nadat ik de prachtige Tosho-gu heb bezocht bijvoorbeeld, een tempel van 400 jaar oud, of een mooie wandeling heb gemaakt in het berggebied vanaf 1500 meter hoogte, een uurtje bussen vanaf Nikko.

Manet

Vandaag ga ik verder naar Takasaki. Ik ontmoet er Jun Omoto en zijn lieve vrouw en slaap op tatamimatten in hun oude zijdehuis, een huis dat werd gebruikt voor de opslag van moerbeibladeren en de kweek van zijderupsen. De laatste week van mijn Japanreis is dan aangebroken.

Japan is een intrigerend land. Ik ben 18 dagen op reis, deels een groepsreis waarbij we de toeristische hoogtepunten bezoeken, en deels solo, waarbij ik de al te grote toeristentrekkers vermijd en meer Japanners ontmoet. Soms communiceer ik met hen via vertaalapps op de smartphone. Met Jun, die maar een paar woorden Engels spreekt, bijvoorbeeld. Bewonderaar van onder meer componist Poulenc en schilder Manet.

Intrigerend, want de mentaliteit van Japanners is zo anders dan de onze. Ik voel me bijvoorbeeld heel veilig, het land is enorm veilig. Dat zou komen omdat Japanners vanuit het collectief denken in plaats van het individu. Benadeel je een ander, dan benadeel je het collectief. Je doet ook jezelf schade. Dat verklaart het enorme vertrouwen dat de meeste Japanners in anderen hebben. Ze lijken heel gewetensvol. Ze zijn in mijn ervaring in elk geval vriendelijk, beleefd, aardig, gastvrij en ondanks de taalbarrière vaak, open en benaderbaar. Ik had het anders verwacht: Lost in Translation.

Volgens de journaliste van wie ik een boek lees ‘Japan unmasked’ is de verklaring simpel. “De typisch Japanse denkwijze komt voort uit filosofische en metafysische factoren van Shinto, Boeddhisme, Confucianisme, Taoisme en Zen. Terwijl de typische westerse mentaliteit vooral een product is van Christelijke thema’s gemengd met logica en verwetenschappelijking.”

Of dat verklaart waarom de Japanse salary men, werknemers van bedrijven die zich ’s ochtends naar kantoor spoeden, er allemaal hetzelfde uitzien (donkere broek, lichte blouse, aktetas aan de schouder), weet ik niet. En evenmin of het iets zegt over waarom iedereen steeds netjes in de rij wacht, waarom er zoveel druk is om keihard te werken, waarom de Japanners zo hard streven naar perfectie.

Het heeft ook een keerzijde. Ik lees over de pesterijen op werk en school van zwakkeren en mensen die niet beantwoorden aan het algemene beeld, lhbt’ers bijvoorbeeld. De tienduizenden jongens die zich verscholen houden in een kamertje in het ouderlijk huis en de vele zelfmoorden. De Japanse samenleving heeft naast de zachte kant ook een hele harde kant.

Manga

Weer een andere kant zie ik in de trein van Nikko naar Takasaki. We rijden tussen rijstvelden. Naast me zitten een stuk of tien schoolmeisjes van een jaar of twaalf tot veertien, allemaal in dezelfde witte blouse en donkerblauwe rok. In Nederland zou dat veel herrie betekenen, gegiechel, luide verhalen. Hier is het stil. De meisjes zijn allemaal in hun mobiel verdiept. Geen Pokémon Go, dat in Japan sinds 24 juli te downloaden is, maar ongetwijfeld een of andere chat.

En nog een andere kant zie ik tijdens een avondje met Kumi en Misato. Kumi is presentatrice geweest bij de tv en Misato is een vriendin van haar die goed kan tekenen. “Wat drink je?” vraagt Kumi. Ze heeft een Airbnb-kamer in haar huis in Suginami, een stadsdeel in het westen van Tokio. Het is zaterdagavond en ze pakt een fles van twee liter sake. Misato maakt in een paar minuten een schets van mijn gezicht. Ze maakt ook de typische strip- of mangatekeningen die je hier overal ziet.

Mangapersonages hebben lange benen en grote ogen. Meisjes zijn snoezig, met veel strikjes en soms wat diva-achtig. Die tekeningen zie je overal op straat, op waarschuwingsborden, bij aankondigingen of waar dan ook. Boekhandels liggen vol met mangastrips en als iemand eens een boek leest in de metro – meestal ligt de smartphone in de hand – blijkt het vaak een stripverhaal. Elk bedrijf, elke stad, lijkt wel zijn eigen mascotte te hebben, en dat is dan een pop of personage dat geïnspireerd is door die typische mangastijl. Manga is hier niet alleen voor kinderen.

Dat leer ik later. Het is nu zaterdagavond in Tokio. Terwijl Misato een lang bad neemt en nog even welterusten zegt voordat ze gaat slapen, schenkt Kumi een glaasje sake bij.


Een selectie van foto’s van de reis door Japan is hier te vinden: groepsdeel, solodeel en portretten.   

Eten onder verdwenen populieren

Een eettafel ergens in Wageningen met dans, voordracht en muziek. Dat is de Tafel van W. Dinsdagavond 24 mei kwamen ruim 130 mensen op de fiets naar de Veensteeg, in het Binnenveld net buiten de stad. Een stoel op de bagagedrager, een glas in de tas. Ze ontmoetten elkaar tussen de weilanden waar een paar maanden geleden nog metershoge populieren ruisten.

Zodra iedereen een plaats heeft gevonden aan de 36 meter lange tafel, klimt Robbert Kamphuis, kunstenaar, erop. Klompen aan zijn voeten. Kamphuis is initiatiefnemer en organisator van de Tafel. Hij opent de avond, introduceert het thema en geeft een voorzet voor de tafelgesprekken.

w5

“We zijn hier vaak geweest de afgelopen maanden”, zegt hij. Kamphuis besloot samen met Wim Huijser en Henk Meeuwsen een gedenkboek te maken toen werd aangekondigd dat de populieren in het Binnenveld gekapt zouden worden. Het thema – elke Tafel heeft een thema – is vandaag ook die populier, of eerder de gekapte populier. De klompen zijn speciaal gemaakt van Veensteeg-populierenhout.

Het idee van de Tafel is dat Wageningse burgers met elkaar in gesprek gaan. De Tafel van W organiseert ‘voor iedereen uit de creatieve sector in Wageningen en iedereen die zich daarbij betrokken voelt’ onregelmatig een maaltijd aan een tafel die steeds op een andere plek staat. Zo staat het in het manifest. De Tafel wil de creatieve samenwerking in de stad versterken. ‘De stemming tijdens de maaltijd is vrolijk en prikkelend, en er wordt vol vuur gesproken. Vaak over zaken die beter kunnen.’

w6

Bijvoorbeeld de procedure rond de populierenkap. Kamphuis verbindt de kwestie van de bomen aan het proces van besluitvorming. Hij verwijst naar een boekje van David van Reybrouck (Tegen Verkiezingen). Van Reybrouck beschrijft daarin het democratisch vermoeidheidssyndroom: we hebben geen vertrouwen meer in het democratisch proces. “Maar”, vat Kamphuis samen, “het zou mooi zijn als we toch zoveel vertrouwen krijgen in het proces dat de uitkomst er niet meer toe doet.” Kap of geen kap.

Dan komt de amuse op tafel. Onder een dreigende lucht verzorgt Food of Cultures het buiteneten. Dat komt in zes rondes op tafel. Er klinkt muziek. Die is van de Zweedse jazzpianist Jan Johansson, vertelt Kamphuis. De man verongelukte in 1968: hij reed tegen een populier. De jazz wordt afgewisseld met gekwaak van kikkers in de sloten langs de Veensteeg.

klompen

Een hardloper passeert en later ook twee skaters. Ik ontmoet Tim, illusionist, aan de ene, en Liede, Tafelmiss, aan de andere kant. Tim buigt lepels en vorken en Liede loopt samen met medemiss Iris zes keer over tafel. Met klompen en met steeds minder kleding aan. Als zij de derde of de vierde ronde hebben aangekondigd, vraagt Henk Meeuwsen, geluidenverzamelaar, de eters de schoonheid te ervaren van een huilende motorzaag. De opname eindigt met het geluid van een vallende boom. “Black & Decker, de eerste symfonie”, grapt Tim.

‘Uit Wagenings hout’ heet het gedicht dat stadsdichter Martijn Adelmund voor vandaag heeft geschreven. Andere sprekers verwoorden hun gedachten over populieren en aanverwante zaken. En als het begint te schemeren en de flessen en glazen opzij zijn gezet, klimt zangeres Alin Coen met vijf danseressen van Bransz Dansgroep op tafel. Ze brengen moderne dans, en zoals iedereen die vanavond op tafel staat, op klompen.

“We zijn nu een soort van club”, zegt Kamphuis. Niet zozeer omdat alle eters vandaag de ervaring van de Tafel delen, maar vooral omdat ze allemaal een medaille hebben gekregen uit zijn eigen privéverzameling. Die verzameling verspreidt zich na afloop van de 11de Tafel over Wageningen.

w1

De Tafel van W
De Tafel van W op de Veensteeg is de 11de Tafel. Het begon in 2009. Sindsdien stond de Tafel op de middenstip van het voetbalveld op de berg, op veerpont Lexkesveer, in een proefbassin van Marin en op het podium van Junushoff. De geschiedenis over de Tafel is te vinden op tafelvanw.nl. Tijd is onregelmatig en de plaats maakt organisator Robbert Kamphuis pas een dag voor het evenement bekend. Wanneer er een volgende Tafel is, weet hij niet. Zelfs niet, óf er een volgende Tafel komt.

Een bureaubewerking van deze reportage heeft vrijdag 27 mei in De Gelderlander (Vallei-editie) gestaan, niet geheel ongeschonden. Hierbij daarom het verhaal van de Tafel met foto’s van mijzelf.