Tagarchief: reisverslag

Buen camino

Er zijn honderden redenen te bedenken om de Camino de Santiago te lopen, tot Santiago de Compostela in het noordwesten van Spanje of een stukje ervan. Niet veel van de mede-peregrinos die ik tegenkwam in de week dat ik de Camino liep, verdenk ik van religieuze motieven, hooguit spirituele motieven. Het graf van apostel Jacobus bezoeken of dichter bij God zijn. Ik kan weinig met dat soort motieven. In de middeleeuwen was er nog een aflaat te halen in Santiago, een korting op het vagevuur. Later speelde volgens Herman Vuijsje het navoelen van het lijden van Jezus een rol. ‘De camino mocht niet over rozen lopen, maar moest over doornen gaan.’

Culturele motieven, noemt een Spaanse site. Dat is voor velen nu een belangrijke reden. Voor de meesten, denk ik. Of huilen en uitrazen, wat verdriet of tegenslag vooronderstelt. Jezelf terugvinden, pure eenzaamheid ervaren of juist vriendschap vinden. Liefde misschien, zoals die Oostenrijkse medepelgrim die vertelde hoe hij zijn lief was tegengekomen tijdens een eerdere tocht. De natuurbeleving, de uitdaging of de sport. De lokale wijnen langs de route ontdekken, een alternatief voor playa en pretparken bezoeken of nu eindelijk eens het land van Goya en Don Quijote leren kennen.

Het is heel simpel, haal een stempelkaart, vul je rugzak met wat voeding, water en kleding en begin te lopen. Vooropgezet dat je een beetje conditie hebt. Begin liefst vroeg in de ochtend, tegen zonsopgang. Of eerder als je een nachtlampje hebt. Volg de borden en pijlen en als je rond de middag in de buurt van een herberg komt, is dat wellicht een mooi moment om de tocht voor die dag te onderbreken.

Ik was in Pamplona waar ik een taalcursus deed. Weinig cursisten, maar dat trekt me juist wel. Een stad die ik vaag kende, waarvandaan ik vrienden kon bezoeken en waar ik me kon onderdompelen in het Spaanse leven. Dat zocht ik daar. Na afloop van de cursus had ik nog een weekje. En pas een dag of drie voordat ik me op de Camino begaf, bedacht ik dat het misschien wel een goed idee was me op de Camino te begeven. Misschien hielp het dat een Spaanse vriendin me enthousiast appte dat ze net die week de laatste vijf etappes naar Santiago had gelopen. Mijn simpele motto: lopen is leuk!

Behoorlijk onvoorbereid, ja. Maar goed, wat heb je nodig? Zo dacht ik. Behalve een paar loopschoenen, een tandenborstel en natuurlijk, vanzelfsprekend, onontbeerlijk, een boek. Waar ga je heen zonder boek? Ik nergens. Nooit.

In dit geval was dat helaas niet Homo Deus, het prachtige, meeslepende, overtuigende werk van de Israëlische historicus Yuval Noah Harari. Grappig dat ik een Schotse vrijwilligster die wacht hield bij een kerkje onderweg juist met dat boek zag. Grappig ook omdat Noah Harari religie als heel functioneel beschrijft: het christendom is bedacht om landbouw en consumptie van planten en dieren te legitimeren. Zijsprongetje. Dat boek had ik al voor de vakantie gelezen, ik las nu een dikke Spaanse roman van Paloma Sanchez-Garnica.

Terug naar de tocht. Pamplona ligt een 750 kilometer van Santiago de Compostela, maar juist de oversteek van de Pyreneeën trok me aan. Dus nog een stukje terug. Ik kocht een ‘credencial’, een stempelkaart die als bewijs geldt voor de herbergen dat je daadwerkelijk bezig bent met de Camino. Alleen op vertoon van die kaart kun je daar slapen. Ik nam de bus naar Saint Jean Pied-de-Port, net over de Spaanse grens en drie etappes vóór Pamplona. En ik liep er naar het toeristenbureau voor een eerste stempel.

Daar schoten de tranen me in de ogen. Mijn eerste stempel! Hoeveel zouden er volgen, wat zou ik tegenkomen, is dit het begin van iets, hoeveel honderdduizenden mensen zijn me voorgegaan, wat is dit? Ik vraag me af of de stempelaar van het toeristenbureau iets heeft gemerkt. Hij was wel heel vriendelijk en wenste me ongeveer als eerste ‘buen camino’.

Later die dag raakte ik opnieuw geëmotioneerd. Ik had de acht kilometer naar herberg Orisson gelopen en me daar ingeschreven. Tot het gezamenlijk avondeten had ik nog een paar uur en ik probeerde te lezen. Dat ging moeizaam. Blij dat om 7 uur ’s avonds het eten op tafel stond. Er zaten ruim dertig peregrinos aan twee lange tafels. Ik zat naast Victor en Estefania, twee Spaanse wandelaars. Er waren veel Italianen, een paar Amerikanen. Er was nog een Argentijn, een van de eersten die ik tegenkwam. Ik zag hem later, nauwelijks gestopt met lopen voor die dag, met een halve liter bier. ‘Dat is goed voor je spieren’, beweerde hij.

De Franse eigenaresse van de herberg vroeg even aandacht voor dat ze met het toetje kwam. ‘Willen jullie allemaal je naam en land noemen?’ Op dat moment zag ik mijn mede-peregrinos pas. Allemaal mensen zoals ik die soms al eerder de Camino hadden gelopen, maar meestal net gestart waren. Sommigen gingen heel zelfverzekerd staan, met trots en overtuiging, anderen waren juist super verlegen, misschien wel extra door de bravoure van anderen. En ik kreeg opnieuw de tranen in mijn ogen.

Het maakt me niet uit wat de motieven zijn. Of je nu op zoek bent naar inkeer en reflectie of niet, daar misschien toe gedwongen wordt, al lopend. Of ook al wil je alleen maar even lopen. Maakt mij niet uit. Maar ik vind het mooi wat Vuijsje – ook een pelgrim zonder God – daarover schreef: ‘Wie nu naar Compostela trekt, maakt zich los van waarden als effectiviteit en efficiëntie. Vaak weet hij zelfs niet wat hij wil en gaat hij op pad om daar achter te komen. Terwijl we in ons dagelijks leven steeds doelgerichter zijn geworden, is op de camino een tegengestelde ontwikkeling te zien.’

Ik denk aan het Italiaanse echtpaar, die ik net voor Pamplona waarschijnlijk voor de vijfde keer die dag, tegenkwam. “We leven tijdelijk in een aparte wereld, een wereld waarin je enige doel is lopen, stempelen, eten en slapen. Los van de wereld, afgekeerd van de wereld. Al die mensen die we tegenkomen, en die niet de Camino lopen, zijn buitenstaanders. Voor hen gaat het echte leven door. Wij zijn daar even weg.” Dat is mooi, vakantiedoel op zich. En dat je helemaal in het nu leeft. Dat gevoel had ik ook. Niet bezig met zoeken of aankomen, maar hooguit ervaren, beleven, lopen.

Het meest overtuigende was dat ik op de laatste ochtend, in Estella, ergens blij was dat ik niet verderging, maar ergens ook jaloers op de wandelaars die verder gingen. Ik zie jullie nog wel een keer!

Foto’s Camino
Meer foto’s van deze zomer in Spanje

Schok en sake

De Japanse cultuur leer je niet kennen in een paar weken. En de Japanner nog minder. Maar achttien dagen in dit land van uniforme salary men, supersnelle treinen, vele Shintotempels en geautomatiseerde wc-brillen geeft wel een indruk.  

Het is alsof er iemand zwaar aan mijn bed schudt. Het is ongeveer middernacht en ik was diep in slaap, maar ik zit nu direct rechtop. Waar ben ik, wat gebeurt er? Dit moet een aardbeving zijn, realiseer ik als er niemand naast het bed staat. Ik heb ooit gehoord dat je dan naar buiten moet, waar het huis niet op je kan neerstorten. Later, dichtbij het strand van Kamakura, zie ik richtingsborden die wijzen waar je hogerop kan komen zodat je een tsunami, een vloedgolf na een zware trilling, kunt ontwijken. In het huis van Sumire, op het platteland een twintig kilometer onder Nikko, blijft het stil. Geen geluiden van paniek. Maar ik ben flink geschrokken.

“Het was niks”, vertelt Sumire bij het ontbijt. Ze pakt de muur in de kamer beet. “Een paar jaar geleden stonden de muren hier te trillen.” Het blijkt dat het episch centrum van deze aardbeving in zee bij Fukushima lag, 5,3 volgens Richter. Hier in Nikko voelt het dan nog als een 2’tje of een 3’tje. “Dat gebeurt zo’n beetje dagelijks.”

180716 in kimono2

Meisje in kimono in Kyoto

Sumire kan het weten. Twee dagen geleden meldde ik me bij haar. Ze werkt op een softwarebedrijf en runt een Airbnb. Omdat haar huis ver van een supermarkt of restaurant ligt, zijn ontbijt en diner inbegrepen en rijdt ze haar gasten als die geen eigen vervoer hebben, ’s ochtends naar een stationnetje op een minuut of 10 van haar huis. Ook mij. Aan het eind van de middag komt ze me na een seintje daar weer ophalen. In haar Japanse automodel met een televisieschermpje in het dashboard. Nadat ik de prachtige Tosho-gu heb bezocht bijvoorbeeld, een tempel van 400 jaar oud, of een mooie wandeling heb gemaakt in het berggebied vanaf 1500 meter hoogte, een uurtje bussen vanaf Nikko.

Manet

Vandaag ga ik verder naar Takasaki. Ik ontmoet er Jun Omoto en zijn lieve vrouw en slaap op tatamimatten in hun oude zijdehuis, een huis dat werd gebruikt voor de opslag van moerbeibladeren en de kweek van zijderupsen. De laatste week van mijn Japanreis is dan aangebroken.

Japan is een intrigerend land. Ik ben 18 dagen op reis, deels een groepsreis waarbij we de toeristische hoogtepunten bezoeken, en deels solo, waarbij ik de al te grote toeristentrekkers vermijd en meer Japanners ontmoet. Soms communiceer ik met hen via vertaalapps op de smartphone. Met Jun, die maar een paar woorden Engels spreekt, bijvoorbeeld. Bewonderaar van onder meer componist Poulenc en schilder Manet.

Intrigerend, want de mentaliteit van Japanners is zo anders dan de onze. Ik voel me bijvoorbeeld heel veilig, het land is enorm veilig. Dat zou komen omdat Japanners vanuit het collectief denken in plaats van het individu. Benadeel je een ander, dan benadeel je het collectief. Je doet ook jezelf schade. Dat verklaart het enorme vertrouwen dat de meeste Japanners in anderen hebben. Ze lijken heel gewetensvol. Ze zijn in mijn ervaring in elk geval vriendelijk, beleefd, aardig, gastvrij en ondanks de taalbarrière vaak, open en benaderbaar. Ik had het anders verwacht: Lost in Translation.

Volgens de journaliste van wie ik een boek lees ‘Japan unmasked’ is de verklaring simpel. “De typisch Japanse denkwijze komt voort uit filosofische en metafysische factoren van Shinto, Boeddhisme, Confucianisme, Taoisme en Zen. Terwijl de typische westerse mentaliteit vooral een product is van Christelijke thema’s gemengd met logica en verwetenschappelijking.”

Of dat verklaart waarom de Japanse salary men, werknemers van bedrijven die zich ’s ochtends naar kantoor spoeden, er allemaal hetzelfde uitzien (donkere broek, lichte blouse, aktetas aan de schouder), weet ik niet. En evenmin of het iets zegt over waarom iedereen steeds netjes in de rij wacht, waarom er zoveel druk is om keihard te werken, waarom de Japanners zo hard streven naar perfectie.

Het heeft ook een keerzijde. Ik lees over de pesterijen op werk en school van zwakkeren en mensen die niet beantwoorden aan het algemene beeld, lhbt’ers bijvoorbeeld. De tienduizenden jongens die zich verscholen houden in een kamertje in het ouderlijk huis en de vele zelfmoorden. De Japanse samenleving heeft naast de zachte kant ook een hele harde kant.

Manga

Weer een andere kant zie ik in de trein van Nikko naar Takasaki. We rijden tussen rijstvelden. Naast me zitten een stuk of tien schoolmeisjes van een jaar of twaalf tot veertien, allemaal in dezelfde witte blouse en donkerblauwe rok. In Nederland zou dat veel herrie betekenen, gegiechel, luide verhalen. Hier is het stil. De meisjes zijn allemaal in hun mobiel verdiept. Geen Pokémon Go, dat in Japan sinds 24 juli te downloaden is, maar ongetwijfeld een of andere chat.

En nog een andere kant zie ik tijdens een avondje met Kumi en Misato. Kumi is presentatrice geweest bij de tv en Misato is een vriendin van haar die goed kan tekenen. “Wat drink je?” vraagt Kumi. Ze heeft een Airbnb-kamer in haar huis in Suginami, een stadsdeel in het westen van Tokio. Het is zaterdagavond en ze pakt een fles van twee liter sake. Misato maakt in een paar minuten een schets van mijn gezicht. Ze maakt ook de typische strip- of mangatekeningen die je hier overal ziet.

Mangapersonages hebben lange benen en grote ogen. Meisjes zijn snoezig, met veel strikjes en soms wat diva-achtig. Die tekeningen zie je overal op straat, op waarschuwingsborden, bij aankondigingen of waar dan ook. Boekhandels liggen vol met mangastrips en als iemand eens een boek leest in de metro – meestal ligt de smartphone in de hand – blijkt het vaak een stripverhaal. Elk bedrijf, elke stad, lijkt wel zijn eigen mascotte te hebben, en dat is dan een pop of personage dat geïnspireerd is door die typische mangastijl. Manga is hier niet alleen voor kinderen.

Dat leer ik later. Het is nu zaterdagavond in Tokio. Terwijl Misato een lang bad neemt en nog even welterusten zegt voordat ze gaat slapen, schenkt Kumi een glaasje sake bij.


Een selectie van foto’s van de reis door Japan is hier te vinden: groepsdeel, solodeel en portretten.