Turkije 2010

17 juli – 9 augustus 2010

Een Koerdische vrouw met een witte hoofddoek wenkt met een kippenpootje. Ze zit met vijf of zes zusters en dochters en een paar kinderen aan de rivieroever in Hasankeyf te picknicken. In de schaduw van de overblijfselen van een brug. Twee mannen eten twintig meter verderop. Behalve kip zijn er ook tomaten en aubergines; er is kaas, brood, ayran (yoghurtdrank) en water. Ze wenkt nog een keer en zelfs nog een derde keer. ‘Wil je echt niet mee-eten? Geen probleem hoor, we hebben genoeg. Een grote pan vol.' Met enige schroom, want kan dat wel, ga ik bij de vrouwen zitten. Weliswaar ben ik vegetariër, maar terwijl kippetjes om me heen scharrelen, eet ik een pootje.

Zodra we aan de thee toe zijn, komen de mannen erbij. Ik leg al mijn Turks op tafel en ook de drie woorden Koerdisch die ik heb geleerd. Ze lachen en leren me er nog een paar.

Dat is spreekwoordelijke gastvrijheid van Turkije. Heel bijzonder. Het maakt me gelukkig en ook wel een beetje beschaamd. Zoveel gastvrijheid ben ik niet gewend.

Een kort verslag van mijn Turkijereis kan in zes woorden: fascinerend land, vriendelijke mensen en hoge temperaturen. Maar hoezo fascinerend, vriendelijk, hoog?

De laatste aanduiding is het eenvoudigste, want de temperaturen lopen op tot 45 graden. In het zuidoosten zie ik bedden op de platte daken. Voor het eerst in Hasankeyf. Mensen die geen airco hebben, en dat zijn er veel, profiteren daar van de nachtelijke verkoeling.

Ik lees op de website van Frederike Geerdink ( www.journalistinturkije.nl ) wel dat er ongelukken gebeuren. Geregeld vallen er slaperige kinderen van het dak. “Alleen al in de zuidoostelijke provincie Diyarbakir kwamen in de afgelopen tien weken dertig mensen om en raakten tachtig mensen gehandicapt door ongelukken bij het dakslapen”, schrijft ze. “Landelijke cijfers zijn er niet, maar een arts in Diyarbakir laat weten dat alleen in het verkeer meer doden vallen.”

Byzantium

Mijn Turkse thuis is het Hitit Hotel in Ankara. Direct van het vliegveld neem ik de bus naar stadsdeel Ulus. Na vier dagen vertrek ik voor een reisje naar Safranbolu en de Zwarte Zee, maar de zondag erop kom ik weer terug. Want tot en met woensdag heb ik opnieuw cursus Turks. En ook op de laatste vakantiedag klop ik weer aan. Ik word hartelijk verwelkomd. “Daar heb je Vandenborn weer! Hoe gaat het met je?” Murat, Achmed, Hazife en Sarif doen receptie, helpen met bagage of schenken thee.

Nauwelijks 200 meter van het hotel, heuvelop, is het archeologisch museum, het Museum of Anatolian Civilizations . Dat gaat zeker tienduizend jaar terug. De steentijd, de bronstijd en de tijd van de Hittieten. Die leefden 1800 tot 1200 jaar voor Christus in centraal Anatolië, in het gebied tot aan Babylon (de historische stad die dicht bij Bagdad lag). Voorwerpen, beelden, sieraden. De moedergod Cybele, verwijzingen naar het Gilgamesj-epos en de Gordiaanse knoop.

Turkije fascineert omdat hier zoveel geschiedenis ligt. Tussen de Tigris en de Eufraat. Hier ligt de bakermat van onze beschaving, maar ik ervaar een verpletterend gebrek aan kennis. Het Byzantijnse rijk bijvoorbeeld. Daar weet ik heel weinig van. Het museum, dat ik bezoek op de eerste dag in Turkije, stimuleert wel. Ik wil meer zien, proeven en ervaren.

Kurtulus

En leren. De eerste maandag ga ik naar een taleninstituut. Drie uur 's middags zit ik in een klas met Serina uit California en krijg ik les van Cigdem. De basis van het Turks. Hoe zeg je bijvoorbeeld: hallo, ik ben Ton en ik kom uit Nederland. Hoe gaat het met u? Met mij gaat het goed.

In Ankara lees ik de biografie van Obama van David Remnick, hoofdredacteur van The New Yorker. Met de zware pil in mijn rugzak loop ik vanuit Ulus, het oude stadsdeel, over het ziekenhuisterrein naar het Kurtulus-park. Hier wordt gejogd, gepingpongd, geflaneerd en verkoeling gezocht bij de vijver. Het is er prettig. Ik kies een bank in de schaduw, neem een slok water en lees een paar hoofdstukken. Dan loop ik verder naar Kizilay, waar behalve het taleninstituut veel café's, boetiekjes en boekwinkels zitten en ook het restaurant waar ik lunch. Kort daarna begint de les.

In Safranbolu ontmoet ik Susuma en Zeyneb. In Amasra rijd ik mee met Nermin en Keriman. Overal ontmoet ik mensen, steeds weer. Opmerkelijk, want ik ben in mijn ogen niet zo open, niet iemand die zomaar mensen aanspreekt. Maar hier gaat het vanzelf. Het kassameisje, een bazaarverkoper die thee aanbiedt, de suppoost, gewoon zomaar iemand die een opmerking maakt over mijn foto-onderwerpen. Meestal gaat het van anderen uit, en heel soms vanuit mezelf.

Safranbolu

Safranbolu, op ongeveer 200 kilometer boven Ankara, is een aanrader. Het is een plezierige stad, toeristisch, maar niet overspoeld door toeristen. Dat zijn dan vooral Turkse vakantiegangers en een relatief grote groep Aziaten. Ik zit er in een pension met een heerlijk dakterras. En ik loop door de stad en de omgeving.

Safranbolu – de naam komt van saffraan – lag op de zijderoute en de inwoners profiteerden een paar eeuwen geleden van de handel. Ze bouwden grote huizen, waarvan er verschillende gerestaureerd zijn en open voor publiek. Verder is er een karavanserai, haast vanzelfsprekend in een oude handelsplaats. Maar die lijkt niet meer op een onderkomen voor reizigers en hun kamelen in de 13e eeuw. Er is een luxueus hotel gevestigd.

Met Susuma bezoek ik het museum en de klokkentoren daarnaast. De klokkenluider vertelt dat hij al decennia in de toren zit. Trap op, toeristen ontvangen, kaartje scheuren, klok luiden, trap af. Goed uitzicht in elk geval.

Amasra ligt bijzonder mooi. Vanuit Safranbolu daal je langzaam naar de Zwarte Zee. Kort voor de kustlijn gaat dat behoorlijk steil. Amasra ligt op een schiereiland. Er is al heel lang bewoning, en ook in de Griekse en Perzische tijd is Amasra bekend. De stad was ten slotte twee eeuwen lang onderdeel van de Italiaanse stadsstaat Genua. Er is een kasteel waarvan alleen nog muren staan. Daar vind ik bij particulieren een slaapplaats. Ik bezoek er ook een klein archeologisch museum.

Bijzonder, denk ik, is dat Nermin en Keriman, twee vrouwen van ongeveer 40, mij meenemen voor een ritje bergop. We ontmoeten elkaar als ik een colaatje drink op een bank met uitzicht over Amasra. Ik lees Joris Luyendijk over de islam. Een tipje van de sluier, zo heet het boek. Het is zaterdagmiddag rond een uur of 5.

We wisselen wat opmerkingen, maar alleen Nermin spreekt Engels. Als ze na een halfuurtje weggaan, bedenken ze zich. Ze vragen of ik meega. Over een uur of wat zakt de zon in de zee. We lopen over de markt met biologische regioproducten; Nermin lijkt er iedereen te kennen. En we rijden langs de kust naar het oosten. Een paar dorpjes verderop kopen Nermin en Keriman kaas en knoflook en stoppen we even bij een kennis van Nermin. Onderweg terug maak ik een foto van de zonsondergang bij Amasra. Het is een heerlijke zaterdagavond. Ik heb nóg spijt dat ik niet ben ingegaan op de uitnodiging voor een diner in een visrestaurant.

Berber

Op elke straathoek zit een kapper. Voor dames of voor heren. De dameskappers zitten wat meer verborgen, bijvoorbeeld op de tweede verdieping. Zoals alles voor vrouwen meer verborgen is. De mannenkappers of berbers hebben meestal kleine winkels, waar behalve een onvermijdelijke theepot vele cologneflessen en parfums staan. De kapper wacht op de klanten en die komen vanzelf. De meeste Turken gaan waarschijnlijk vaker naar de kapper dan vijf keer per jaar, zoals ik. Voor de deur staat een droogrek met handdoeken.

Op twintig meter van het Hitit hotel zit ook een kapperszaak. Na het ontbijtbuffet ga ik erheen. Die ochtend begon overigens met een paar rondjes door het Gençlik Park, niet een ideale loopomgeving, maar er zijn weinig mogelijkheden.

Ik moet nog even wachten voor ik een ‘coupe türk' krijg. Trots stelt de kapper zijn zoon voor, een veelbelovende basketballer. Dan gaat hij voortvarend aan het werk. Met een brandende wattenstaaf verwijdert hij de haren op de oorschelp, de neusharen worden weggeschoren en met olie en een flinke dot watten worden de oren zelf gereinigd. Knippen zelf is precisiewerk, met zorg en aandacht. En dan word ik voorover in de wasbak geduwd en afgezeept. Minstens drie flessen reuk gaan over mijn hoofd. Die geuren blijven de hele dag aan me hangen.

Koerdistan

Uit wat ik opvang over wat er politiek speelt, begrijp ik dat er een referendum op 12 september wordt gehouden waarin een uitspraak over een Grondwetswijziging moet komen. Het voorstel is om de macht van het leger – die macht is groot sinds Atatürk – in te perken. Verder is er nog steeds de spanning met Israël, na de aanval op een hulpkonvooi waarbij negen Turkse slachtoffers zijn gevallen, en de Koerdische kwestie. De PKK heeft eerder dit jaar de wapens weer opgenomen en soldaten gedood. En natuurlijk is toetreding tot de EU al decennialang een thema. Het zal zeker impact hebben, want Turkije telt 76 miljoen inwoners; er is binnen de unie maar één land dat er meer heeft (Duitsland, 82 miljoen).

Ik zit in het Koerdische deel. Diyarbakir, Mardin, Sanliurfa. Maar dat wil niet zeggen dat je eenvoudig een lijn kunt trekken: hier wonen Koerden en hier niet. De grootste groep woont in Istanbul, ruim duizend kilometer ver. Koerden wonen verder in Syrië, Irak en Iran. Ze hebben een eigen taal en cultuur, maar geen staat. In het noorden van Irak hebben ze na de val van Saddam Hoessein wel vergaande autonomie verworven.

Maar in Turkije is er spanning. Ik hoor een Koerdische man de Turken voor fascisten uitmaken. Atatürk, die er na de onafhankelijkheidsoorlog tussen 1919 en 1923 mede verantwoordelijk voor was dat uitzicht op Koerdische onafhankelijkheid uit het zicht verdween, zal hier minder populair zijn. Ondanks de beelden en een klein museum net buiten Diyarbakir. In veel landen wordt de PKK als een terroristische beweging beschouwd. En Turkije, dat lange tijd hun bestaan negeerde, ziet Koerdistan als een bedreiging. Op dezelfde wijze worden (of werden) de Armeniërs cultureel onderdrukt. Nu worden onder druk van Europese mensenrechtenorganisaties en het Turkse verlangen om bij de EU te komen, de minderheden langzamerhand meer rechten en vrijheden toegestaan.

Al met al is de streek behoorlijk multicultureel. Verschillende minderheden, nationaliteiten en religies. Ik zie veel Arabieren met paarsblauwe hoofddoeken. In Midyat, op een kilometer of dertig van de grens, staan ook verschillende Syrische kerken. In Syrië zou ooit het Christendom geboren zijn toen Paulus op weg naar Damascus, zich bekeerde.

En in Sanliurfa (of Urfa) zouden Job en Abraham hun sporen hebben. Een mooi verhaal: Abraham, een profeet voor de moslims, vernietigde volgens de legende heidense beelden in oud Urfa en daar werd Nimrod, de Assyrische koning, boos over. Hij wilde hem op de brandstapel zetten, maar God veranderde het vuur in water en de brandende kolen in vis. Abraham zelf werd de lucht in geworpen en landde in een rozenbed op de plaats waar nu kasteelresten staan.

Dit verhaal inspireerde het ontwerp van de tuin: rozenbedden en vijvers vol karpers. Het is een van de plezierigste plekken tijdens mijn reis. Met theetuinen, uitzichtpunten, Turkse toeristen en bedevaartgangers. De vissen worden gevoerd, mensen flaneren of zitten op en langs het grasveld. En ook de grote bazaar naast de tuin is prettig. Anders dan in sommige Arabische landen is er weinig druk om bijvoorbeeld tapijten te kopen.

Lokanta

De taal valt niet mee. Ik probeer soms wat koppen uit de krant te lezen, maar de meeste kranten lijken vooral sensatienieuws te brengen, met veel halfgeklede vrouwen op de voorpagina. In een serieuzere krant zie ik een bericht over ‘Islambestrijder' Wilders die in Nederland over de vorming van een coalitie gaat praten. Er is ook de Daily News , een speciale uitgave van een Turkse krantenuitgever, maar die is lang niet overal te krijgen.

De Turkse grammatica is anders dan ik gewend ben. Heb je nu met een werkwoord te maken, wat heeft een andere uitgang van een zelfstandig naamwoord voor gevolgen voor de betekenis van dat woord in de zin en hoe is eigenlijk die zin opgebouwd? Lastiger dan de Europese talen met een gemeenschappelijke afkomst waar ik me totnogtoe in heb verdiept.

Soms is het handig dat ik drie woordjes Turks spreek, maar meestal hoeft het niet. Bijvoorbeeld in het toeristische Cappadocië. Als ik in Avanos een fiets leen, vraag ik of er geen slot omheen moet als ik hem even achterlaat. “ No problem ,” verzekert Achmed van het hotel. “Er is echt niemand die je fiets meejat.”

Dan de Turkse keuken. Dat is vooral vlees, hoor ik. Die ‘dimensie' negeer ik. Er is immers ook veel groente, bijvoorbeeld aubergine en paprika, linzensoep, zoet brood en veel fruit. Een keer schuif ik aan bij een maaltijd van watermeloen, brood en witte kaas. Dat smaakt goed. En ik probeer een paar keer baklava, met honing en pistache. De ayran, een yoghurtdrank waar zout in zit, bevalt me minder. Omdat de meeste restaurants en zeker de lokanta's, waar je een beperkte keuze hebt, geen (dure) alcohollicentie hebben, drink ik meestal water of cola bij het eten.

Byzantium

God spreekt in de Koran rechtstreeks tot de gelovigen. Zo schrijft Joris Luyendijk in zijn inleiding tot de Islam. Dat is heel anders dan de Bijbel, het boek over God, opgetekend door getuigen.

Bovendien stelt Augustinus, de kerkvader in de 4de eeuw, dat de Kerk bepaalde passages in de Bijbel niet letterlijk hoeft te nemen. Het boek is immers niet bedoeld als leerboek van natuurkennis. Dat geeft rond 1600 wellicht ruimte voor een andere wetenschappelijke ontwikkeling dan die in de Islamitische wereld. Met Galilei, Kepler en Copernicus. Zou kunnen, maar zo'n bewering vraagt een wat genuanceerder fundament. Bijvoorbeeld van Floris Cohen in ‘De herschepping van de Wereld'.

Terug naar de Islam zoals die zich na het overlijden van Mohammed in 632 verspreidt. Volgens de Koran is de Islam de vervolmaking van Joden- en Christendom. Abraham is de stamvader van de Arabieren. De moslimwereld komt tot bloei en Bagdad wordt een wetenschappelijk centrum van de wereld terwijl in Europa het licht uitgaat. Vanaf 1050 verliest de Islam echter definitief terrein op de Westerse wereld.

Het Byzantijnse rijk, dat ongeveer van de vierde tot de vijftiende eeuw bestaat, zit nog tussen de Westerse wereld en het centrum van de Islam. Rond 400 valt het Romeinse Rijk uiteen in een Westers gedeelte, rondom Rome, en Byzantium. Constantinopel, dat later wordt omgedoopt tot Istanbul, weerstaat een paar eeuwen later de Arabische offensieven. De grens van het rijk loopt over het westelijk deel van Turkije; in Cappadocië gaan veel christenen ondergronds. Die ondergrondse stad, waarvan het gangenstelsel zeker acht verdiepingen moet hebben, en de Byzantijnse grotkerken met soms schitterend bewaard gebleven fresco's, zie ik op de laatste dagen van mijn vakantie.

Om het hak-takgeschiedenisverhaal af te maken: na Byzantium komen de Ottomanen, de 15 de eeuw. In WO I scharen zij zich aan Duitse zijde. Als dan na de oorlog Turkije wordt opgedeeld, begint Atatürk een bevrijdingsoorlog.

Nog een paar hoogtepunten: de komst van de Hittieten naar Anatolië - zoals Aziatish Turkije wordt genoemd - na 2000 voor Christus. De vernietiging van Troje, zoals beschreven in de Iliad van Homerus, vindt plaats rond 1200 voor Chr. Dan bevolken de Assyriërs, de Phoeniciërs en de Perzen het land. En langs de westkust de Grieken. Alexander de Grote verdrijft de Perzen in 334 voor Chr. In Gordian hakt hij de Gordiaanse knoop door. Volgens de traditie zou degene die deze knoop kan ontwarren over Azië heersen, maar Alexander heeft niet veel geduld; hij pakt zijn zwaard.

Nu is Erdogan premier. Hij is partijvoorzitter van de AKP, een centrumrechtse partij met een Islamitisch-concervatief karakter. Turkije blijft een seculier land, met scheiding van kerk en staat. Maar de Islam is merkbaar aanwezig, bijvoorbeeld omdat vijf keer per dag de ‘ezan' wordt geroepen vanaf de minaretten. Bij zonsopgang, terwijl ik in Turkije ben is dat 5 uur in de ochtend, voor het eerst.

Saz

De Turkse muziek klinkt voor mijn gevoel soms heel melancholisch. De octaaf is er niet verdeeld in twaalf stukjes, zoals bij ons, maar in 53. Dat geeft de muziek al een heel ander karakter. Bovendien bespelen ze andere instrumenten, zoals de saz of baglama, een soort luit. Bijvoorbeeld de in Turkije heel populaire Neset Ertas, die ik in Avanos, Cappadocië, hoor. Hij zingt en speelt, versterkt, voor zeker 10.000 bezoekers aan de oever van de rivier die langs het dorp loopt.

Ongeveer de enige Turkse artiest die ik ken, is Sezen Aksu. In een cd-winkel adviseert de verkoper Zeki Müren, maar ik koop een cd van Melihat Gülses.

En als ik in Midyat een theetuin inloop, hoor ik een prachtig lied. Ik vraag een paar jongens of ze weten wie dit zingt. Yasemin Göksu, noteren ze. Aldi gitti neyim var neyim yoksa.

Met het papiertje waarop dit staat, ga ik op zoek. Allereerst naar een cd-winkel in Urfa. Dat valt niet mee, geen winkel te vinden. En als ik er dan een gevonden heb, een winkeltje in de kelderverdieping van een winkelcentrum, is Yasemin Göksu niet aanwezig. Wel Tarkan en Sertab Erener, vertegenwoordigers van de Türkpop, maar niet veel meer.

“Probeer het twee straten verderop eens”, wijst de eigenaar me. Ook in die cd-winkel is de cd niet op voorraad, maar er wordt waar ik bijzit een schijfje gebrand dat ik zo meekrijg. Aldi gitti, hoor ik later, gaat over afscheid en verlangen.

 

Wageningen, 27 augustus 2010

Terug