Wanneer was ú het gelukkigst?

Kun je jezelf kennen? Ik betwijfel het. Want wie ben ik? Ben ik mijn gedachten, mijn gevoelens en emoties, mijn verlangens, obsessies, angsten en liefdes, ben ik wat ik doe of ben ik wat ik denk? Misschien helpen de vragen die bekend staan als de Proust Questionnaire.  

Marcel Proust (1871-1922) heeft de vragen niet bedacht. Maar hij was wel een van de bekendste personen die de vragen serieus beantwoordde, wel drie keer in zijn leven. Hij geloofde blijkbaar dat met de antwoorden van zo’n zelfonderzoek je echt iets van jezelf kunt laten zien. De eerste keer dat Proust ervoor ging zitten, deed hij dat op verzoek van een vriendin, Antoinette Faure. Hij schreef zijn antwoorden in haar vriendenboek. Aan het eind van de negentiende eeuw – de tijd van de romantiek – waren dit soort vragenlijsten, lijsten die iets vertelden over voorkeuren en verlangens van vrienden populair.

Ik heb net het vijfde deel van Prousts A la recherche du temps perdu gelezen. Daaruit komt iemand naar voren die worstelt met zichzelf en die ook niet altijd meent wat hij zegt of doet wat hij wil doen. Het valt me soms niet mee, bladzijdenlang te volgen wat er tussen de verteller en zijn omgeving afspeelt. Wat hij voelt en wat zijn emoties met hem doen. Toch ga ik nog twee delen proberen mee te voelen.

De vragen.

  1. Wat is voor u volmaakt geluk? – Me erkend of geliefd te weten. Zorgenvrij te zijn.
  2. Wat is uw grootste angst? – Alleen te staan, niemand met wie ik mijn leven, mijn twijfels, mijn gedachten kan delen.
  3. Met welk historisch figuur vereenzelvigt u zich het meest? – Simone de Beauvoir. Ze was meer denker dan doener. Ze was misschien niet altijd consequent in idealen en het leven volgens die idealen, maar ze probeerde het wel. 
  4. Welke karaktertrek vindt u het meest irritant van uzelf? – Ik ben teveel met mezelf bezig.
  5. Welke karaktertrek vindt u het meest irritant bij anderen? – Als ze teveel met zichzelf bezig zijn, te overtuigd van het eigen gelijk. Arrogantie en betweterigheid vind ik moeilijk.
  6. Welke verleiding kunt u niet weerstaan? – Noten, ijs, wijn, chocolade.
  7. Wat is uw favoriete reis? – Een reis naar nieuwe plekken, nieuwe avonturen, nieuwe ontmoetingen.
  8. Met welk deel van uw uiterlijk bent u het minst tevreden? – Het mannelijk deel.
  9. Welk levend persoon veracht u? – Politici vaak, mensen die liegen om de gunst van de kiezer. Ik kan wel concreter worden, maar de politicus die ik vandaag nog veracht (Trump bijvoorbeeld), is morgen (hopelijk) verleden tijd.  
  10. Waarvan hebt u het meeste spijt? – Dat ik mensen niet altijd het respect, de aandacht en de waardering heb gegeven die ze verdienden.
  11. Wanneer en waar was u het gelukkigst? – Op reis, want daarin beleef ik momenten van liefde, zorgeloosheid, zelfvertrouwen en tevreden rust intenser. 
  12. Wat is uw huidige gemoedstoestand? – Twijfel.
  13. U mag een ding aan uzelf veranderen. Wat zou dat zijn? – Eén ding maar?
  14. Wat is uw grootste prestatie? – Die moet nog komen. Ik blijf dromen van de grootse prestatie. Maar voorlopig heb ik artikelen geschreven waar ik tevreden over ben en foto’s gemaakt waarvoor hetzelfde geldt.
  15. Wat is uw dierbaarste bezit? – De brieven van geliefden zijn onvervangbaar.
  16. Wat is voor u het dieptepunt van ellende? – Machteloos toe te zien hoe iets gruwelijk achteruit gaat of misloopt.
  17. Waar zou u willen wonen? – Middenin de natuur.
  18. Wat is uw meest typerende eigenschap? – Rust en gelijkmoedigheid.
  19. Mijn belangrijkste tekortkoming? – Ongeduld, domheid in relaties soms en toch ook te veel eigendunk en tegelijk, te veel bescheidenheid. Of misschien beter: beschetenheid. Dat zijn er al minstens drie, allemaal even belangrijk.
  20. Welke eigenschap waardeert u het meest in een man? – Dat is nogal binair gedacht, maar ik begrijp waar het vandaan komt. In een man: intelligentie, aandacht, twijfel en ook vrouwelijkheid.
  21. Welke eigenschap waardeert u het meest in een vrouw? – Zie de vorige vraag, en ook aandacht en intelligentie.
  22. Wie zijn uw favoriete auteurs? – Mijn favoriet is vaak degene die ik dan lees. Namen? Hannah Arendt, Virginia Woolf, Friedrich Nietzsche, Siri Hustvedt, Anna Woltz. Nee, Proust is bijzonder, maar staat (voorlopig) niet in dit rijtje.
  23. Wie zijn uw helden? – Dan denk ik aan de Jeanne d’Arcs van nu. Greta Thunberg, Malala, Emma Watson, Alexandra Ocasio-Cortez. Eerder had je Rosa Parks en nu zijn er de vele jonge vrouwen die in MeToo hun stem laten horen tegen misogynie en mannelijke zelfgenoegzaamheid.
  24. Eigenschap die ik waardeer bij mijn vrienden? – Hun aandacht en eerlijkheid.
  25. Mijn favoriete bezigheid? – Prousts antwoord is prachtig. Liefhebben, zei hij. Ook mooi: dansen, dan rusten. Of: bewonderen.
  26. Mijn favoriete kleur? – Ook hier is het antwoord van Proust (de kleur van de ogen van mijn geliefde) onovertrefbaar. Ik houd van rood, goud, maar kleuren zijn vaak mooi in combinatie en harmonie.
  27. Mijn favoriete bloem? – Ik weet te weinig van mooie bloemen om een goed antwoord te geven.
  28. Mijn favoriete literaire held(in)? – Alice, van Alice in Wonderland.
  29. Mijn favoriete componist? – Mompou, Ravel, Debussy. En elke componist die droefheid en sfeer in muziek kan vangen. Ik hoorde laatst een prachtig stuk van Hans Abrahamsen in een uitvoering van Barbara Hannigan.
  30. Mijn favoriete schilder? –  Ik denk vooral aan de impressionisten. 
  31. Mijn favoriete namen? – De namen van de mensen die ik liefheb.
  32. Een karaktertrek die ik zou willen hebben? – Geduld. Ik wil ook meer wijsheid, maar dat is niet altijd karakter.
  33. Een talent dat ik zou willen hebben? – Nog voldoende te wensen: in dans, in muziek en ook het schrijven van een goede roman.
  34. Wanneer zou je liegen? – Als ik zou zeggen dat ik me altijd goed en gelukkig voel.
  35. Wat zeg je te vaak? – “Dat komt morgen wel.”
  36. Hoe zou je willen sterven? – Omgeven door geliefden.
  37. Wat zie je als je in de spiegel kijkt? – Iemand die zich noch man noch vrouw voelt. Mijn sekse misschien niet, maar mijn gender is onbepaald.
  38. Voelde je je ooit ergens thuis? – Ik voel me thuis waar mijn vrienden zijn. Waar ik me gerust en gelukkig voel. Maar het voelt soms ook wel alsof ik thuis kom zodra ik bij vreemden over de drempel stap.
  39. Lijk je nog steeds op wie je vroeger was? – Ja! Nee!
  40. Hoe luidt uw adagium? – Val niet in slaap, maar blijf dromen.

Op reis naar mijn moeder

“Hoe ben je nu hier gekomen?”, vroeg ze. Sinds ik mijn auto had verkocht, reisde ik met trein en bus. Reizen naar haar duurde wat langer, maar ik vond het plezieriger. In plaats van me te storen aan opdringerige weggebruikers, las ik een boek. Maar de afstand leek gegroeid. Een reis duurde gemakkelijk twee keer zo lang. Voor mijn moeder voelde het alsof ik verder weg was gaan wonen. Ze had me het liefst om de hoek.

Mijn moeder was mijn morele baken. Dat is ze nog steeds. Als ik me afvraag wat te doen, denk ik vaak aan haar. Wat zou ze ervan vinden? Als ik op een buitenlandse reis ben, wil ik haar vertellen over indrukwekkende plekken en leuke ontmoetingen. Toen ze nog leefde, las ze mijn reisverslagen als eerste, ze googelde me regelmatig, ze maakte zich zorgen om mijn uitglijders, ze volgde mijn leven. Ik volgde het hare veel minder.

Ze overleed zeven jaar geleden. De neiging om even te bellen, is gebleven. Wonderlijk! Regelmatig bedenk ik: dat moet ik haar toch even vertellen. Mijn gevoelens, twijfels, succesjes en mijn beschamende misstappen. Alles wat ze die zeven jaar gemist heeft. Ik kijk naar de telefoon. Voorheen belden we wekelijks even met elkaar. En zo eens in de maand stapte ik in trein en bus om haar even vast te houden en te kussen.

Mijn moeder is mijn voorbeeld. Haar rust en gelijkmoedigheid kalmeerden me. Ze oordeelde niet snel, en met terughoudendheid. Ze veroordeelde nauwelijks. In een tijd van snelle oordelen op basis van halve informatie, ga ik af op wat zij zou doen. Wat zou zij zeggen? Ze probeerde iedereen te begrijpen. Oké, ze ergerde zich aan onverschilligheid, luiheid en een onverzorgd uiterlijk. Dat was haar opvoeding en de waarden die ze mij probeerde mee te geven.

Ik weet nog veel van de reisjes naar haar. En ook van ons 52 jaar lang gedeelde leven. Ik herinner me hoe ik me voelde als ik naar haar toe ging. En ook hoe ik me voelde als ik weer in tegenovergestelde richting vertrok, geïnspireerd voor de weken die komen gingen. “Hoe ik hier gekomen ben?” Ik kijk naar haar zachte ogen die me op een of andere manier altijd zullen blijven volgen. “Als vanzelf mam. Over de paden van de liefde, de wegen van geluk, de wolken van verlangen.” Zo zou ik het nooit hebben gezegd, maar zo voelt het nu.

Een vergeten lijstje

Edelvrouw, dat is het eerste woord van het lijstje. Er staan zes woorden op een dubbelgevouwen velletje, neergekrabbeld in een kinderlijk handschrift. Naast het lijstje ligt een blauwe pen. Een vergeten lijstje en een vergeten pen.

Het handschrift lijkt ongeoefend, met losse letters en grote halen. Toch denk ik als ik de woorden zie op dit lijstje eerder aan een vrouw van veertig. Bijvoorbeeld de vrouw die nu de bibliotheek binnenloopt waar ik het lijstje heb gevonden. Ze strijkt het haar uit haar gezicht, draagt een slanke grijsgroene knoopjesjas. Is ze op zoek naar het vergeten lijstje? Heeft ze nieuwe woorden in haar hoofd? Nee, ze loopt met besliste hakgeluiden naar de bestsellers.

Wat bedoelt de vrouw van het lijstje met ‘edelvrouw’? Misschien heeft ze een boek gelezen over een koninklijke familie. Queen Victoria of een gravin aan het hof. Edelheid kun je misschien ook plakken op karakter in plaats van klasse. Of is het dan eerder edelmoedig? Edelvrouw: ik denk aan een vrouw op een schilderij, in een prachtige jurk in diepgroen fluweel, een diadeem in haar haren. Sieraden, juwelen. Voor één zo’n haarversiering kun je drie keer eten in het veganrestaurant op de hoek.

Thomas Edwin Mostyn – The Green Gown

Ook op basis van het tweede woord – breipatronen – denk ik dat de lezeres geen kind is. Niet verdiept in Harry Potter, Lampje of Anna Woltz. Bij zo’n woord – ik geef het toe: het is stereotiep en oppervlakkig denken – wordt de schrijfster ervan direct dertig, misschien wel veertig jaar ouder. Het wordt ook plotseling kouder. Want ja, dikke gebreide truien, sjaals en sokken, de kachel staat te snorren op tien. 

Het volgende woord begrijp ik niet. Seajons. Misschien lees ik het fout of heeft de schrijfster iets fonetisch opgeschreven. Haar Nederlands is nog niet zo goed. Ze leert nog. En ze wil graag ook mooie woorden leren, de mooiste woorden. Zoek de tien mooiste woorden in het Nederlands! Dat was haar opdracht vandaag. Ze heeft er zes en zoekt er nog vier. Ik suggereer: fluweel, ballet, liefde, heimwee.

Het volgende woord duidt echter op iets totaal anders: cloud. Wolk of webwereld? Want cloud is immers ook een internetbewaarplek voor documenten en foto’s. Bij deze vrouw gaat het dan vooral om foto’s. Ze bewaart er de foto’s van haar reizen en haar kinderen. Mijn beeld kantelt opnieuw met dit woord. Want die kinderen zijn het huis uit, getrouwd en zwanger. Ze zoekt breipatronen voor babykleertjes. Ondanks het bijdetijdse woord op het lijstje, wordt de vrouw nu opnieuw tien jaar ouder. Ze is oma. Of toch al heel snel.

Metten, het laatste woord op het lijstje. Is dat in tegenstelling tot die ‘cloud’ juist weer niet een woord van eeuwen terug? Oud-Nederlands. Iets met metten en noenen. Ik weet niet precies wat het betekent, maar het heeft zeker iets met tijdstip van de dag te maken.  

De edelvrouw was haar breipatronen kwijtgeraakt. Misschien wist Seajons meer. Ze kon het hem niet vragen, want hij zat aan de andere kant van de zee. Eigenlijk was ze blij dat hij zo ver weg was. Seajons beklemde haar, verstikte haar en beperkte haar. Ze had haar hele leven gepoogd hem tevreden te houden. Van dag tot dag, jaar tot jaar, van noenen tot metten. Maar haar kinderen maakten haar gelukkig en van breien werd ze blij. Oké, dacht ze, breipatronen: check the cloud!

Ik draai het lijstje om. Maar één woord: dierenrechten. Nee, geen edelvrouw of oma, het is een vrouw met haar hond. Ze is net een winkel uitgestuurd.

Vraag me alles, maar begin niet over de Brexit

Vakantie is voor mij ook elke keer nadenken over het fenomeen ‘vakantie’. Het voelt anders sinds mijn werkzame leven minder gestructureerd is, zo’n vakantie.
En het is begrijpelijk, maar ook best jammer dat het toerisme zo uitbundig is gegroeid. Busladingen mensen rijden naar de topattracties. Daar schuifel je met z’n allen langs The Book of Kells, door beroemde kastelen en pubs en in het centrum van Galway. Niet alleen daar, maar in elke uithoek kom je toeristen tegen. En dan ga ik ook nog in de drukste vakantieweken, want dan voelt Wageningen saai en leeg.
Wat zoek ik dan precies? Een andere omgeving, rust, ontmoeten van mensen, een andere cultuur?

Het antwoord is ongetwijfeld te vinden in de keuzes die ik maak tijdens zo’n reis. Ik ga naar kunstmusea, ik loop lange afstanden in en buiten de stad, ik zoek een Airbnb, ik zit in een stil park, vraag bij de toeristeninformatie of er nog ergens een uitvoering van klassieke muziek of moderne dans is, ik ga in de bibliotheek een boek lezen, ik lees sowieso een hoop en ik sleep ook altijd een stapeltje zorgvuldig uitgezochte boeken mee. Dit jaar nam ik die mee naar Ierland en Noord-Ierland.

Alleen de eerste dagen in Dublin had ik overnachting geregeld, daarna wilde ik naar Belfast en wandelen aan de noordelijke kust, langs de Giant’s Causeway. En ik zou vrienden die ook naar Ierland kwamen, ontmoeten. De rest van de tijd zou zich vanzelf vullen. Maar toch, aan het eind van de vakantie was ik verzadigd en ben ik zelfs een paar dagen eerder teruggekomen dan gepland.



Troubles

Noord-Ierland raakte me het meest, meer dan Ierland. Het weer was er op dat moment beter, en het heeft zeker ook te maken met de recente geschiedenis van de Troubles en onderhuidse spanningen die er nog steeds zijn. Ik heb erover gelezen, exposities bezocht, muurschilderingen gezien en soms, heel soms, iemand erover gesproken. Over wat er gebeurde aan The Bogside, op Bloody Sunday, wat er achter de strijd tussen katholieken en protestanten zat, tussen nationalisten en unionisten. En wat er gebeurde vóór de Troubles.

Het is onvermijdelijk dat je interesse wordt gewekt of aangewakkerd als je in het westen van Belfast langs de muurschilderingen komt, over de stadsmuren van Derry loopt of een museum over de Ierse geschiedenis bezoekt.
Waar ben je, is Derry hetzelfde als Londonderry, vroegen mensen me. Ja, de unionisten spreken over Londonderry en de nationalisten, die liever los van het Verenigd Koninkrijk willen, kiezen voor Derry. London is er in 1613 aangeplakt als een soort van erkenning voor Londense investeerders in de tijd dat land hier gekoloniseerd werd.

Brexit

“Jullie mogen me alles vragen”, zegt Sally die ons, een groep van ongeveer vijftig mensen, deze maandagochtend 29 juli rondleidt in de parlementsgebouwen van het Stormont Estate, aan de oostkant van Belfast. “Maar begin alsjeblieft niet over de Brexit.”

Toen Ierland in 1921 zelfstandig werd en er als een soort van compromis in Noord-Ierland zes Ulster-graafschappen, met overwegend protestantse inwoners, bij het Verenigd Koninkrijk bleven, moest er hier een regering komen die de zaken regelde. Stormont werd gebouwd met geld uit het VK. Er kwam een regering, die gedomineerd werd door de unionisten. Kort nadat de Troubles losbraken, eind jaren zestig – lees over de dreigende sfeer in die jaren The Milkman van Anna Burns –, is de regering overgeplaatst naar Westminster (Londen). Het werd hier te lastig, te rumoerig. Nu zit er sinds het Goede-Vrijdagakkoord (1998) dat een einde aan de Troubles maakte, de Assembly. Die voert een soort van lokaal beleid uit.

De hele Brexit valt daar niet onder, hooguit regionale consequenties. Keith en Sue, een Brits echtpaar dat ik in het hostel in Portstewart ontmoet, zeggen dat ze zich schaamden toen hun land vóór Brexit had gestemd. “Hoe is het mogelijk?”, zeggen ze. “We waren op reis en mensen spraken ons erop aan.” Maar, zeggen ze, niet alle Britten zijn vóór Brexit. In Noord-Ierland (en in Ierland), waar het merendeel tegenstemde, maken ze zich grote zorgen over de gevolgen. Een nieuwe grens? Opnieuw strijd tussen mensen die Noord-Ierland dan los willen weken van het VK en mensen die daar tegen zijn? Je moet er niet aan denken.  

Sympathie

Ierland is het ruige landschap, boomloos vaak en de rode koppen van de mannen die voor de pub staan met een groot glas zwart bier, te schreeuwen tegen elkaar over de verloren wedstrijd. Binnen is op zeven grote tv-schermen sport te zien: voetbal, hurling, golf, paardenrennen. Ierland is ook druilregen en vette fish & chips. Het is een land waar ik soms moeite mee heb. Bijvoorbeeld als ik naar die pub ga om te eten – je kunt er vaak goed en goedkoop eten – maar de live-muziek me haast de tent uit blaast. Of op dagen dat ik me uit het veld laat slaan door een dichte deur, een losse schoenveter of urenlange regen.
 
Ik gleed bij aankomst in Belfast met veertien kilo op mijn rug uit over een natte stoep en stapte vervolgens mijn leesbril kapot. Wat doe ik in dit koude, natte land?
In Dublin slaap ik drie nachten in het huis van Mark, zeker 1,90 meter lang, afgaande op de hoogte van het spiegeltje in de badkamer, maar ik zie hem nooit. “Onregelmatige diensten”, schrijft hij. “De sleutel ligt in een sleutelbox links van de voordeur.”

Maar Ierland is meer. Dublin is ook niet zozeer de stad van Mark, maar eerder van de dichter Seamus Heaney (mooie expositie), Francis Bacon (zijn ongelooflijk rommelige studio in Hugh Lane Museum), de National Gallery en het schiereiland Howth. Postscript van Heaney is een gedicht over hoe een landschap ons sprakeloos kan maken. Dat kan ook in Ierland. Of in Noord-Ierland.

En dan ontmoet ik opnieuw een supervriendelijk iemand die me alle tegenslagen doet vergeten. Ik loop langs de indrukwekkende muurschilderingen waar ik Bobby Sands herken, de gevangen IRA-strijder die ruim zestig dagen in hongerstaking ging tot hij stierf. De schilderingen drukken solidariteit uit met sociale strijd elders in de wereld. Rosa Parks, Nelson Mandela en de onafhankelijkheidsstrijd in Catalonië bijvoorbeeld.

Oké, het woord nationalisme blijft een negatieve connotatie houden, zeker, maar onwillekeurig krijg ik sympathie voor de Ieren die zich eeuwenlang tegen Britse overheersing hebben verzet.

Revolutionairen

“Dat ben ik”, wijst een vrouw in het Revolutionary Museum in Belfast. Ze staat op een foto die gemaakt is met een mini-cameraatje dat de gevangenis werd binnengesmokkeld. Ze zat gevangen in de tijd van de Troubles. In het museum is haar gevangeniscel nagebouwd. Er wordt beschreven wat zestig dagen hongerstaking met je doet en waarom mensen eigenlijk in hongerstaking gingen. IRA-gevangenen wilden afdwingen dat de Britse regering hen zou erkennen als politiek gevangen in plaats van veroordeelde criminelen.

Belfast, waarvandaan al zoveel Ieren naar de nieuwe wereld waren gereisd, is ook de stad waar de Titanic werd gebouwd. Het enorme passagiersschip dat in 1912 op een ijsberg zou lopen. Het is daarmee als je de film hebt gezien een heel klein beetje de stad van Leonardo diCaprio en Kate Winslet. Maar meer dan Kate Winslet in haar mooie rol, telt hier de ‘echte’ geschiedenis van Maud Gonne, Mairéad Farrell en Constance Markievicz.

Countess Markievicz (1868 – 1927) werd voor haar rol bij de Paasopstand van Ierse republikeinen in 1916 ter dood veroordeeld. Die straf werd nooit voltrokken, omdat ze een vrouw was. Ze werd voor Sinn Fein in december 1918 de eerste vrouw die in het Britse Lagerhuis werd gekozen. Daar nam ze geen zitting, maar ze werd lid van het Iers parlement.

Mairéad Farrell, geboren in 1957, kwam al heel jong bij de IRA en werd in 1988 doodgeschoten door het Britse leger. Net als Markievicz werd ook Maud Gonne (1866 – 1953) gearresteerd vanwege haar revolutionaire activiteiten, in 1918. W.B. Yeats (de dichter, niet de schilder Y.B. Yeats) was verliefd op haar, maar ze trouwde met een Franse nationalist en later een Ierse revolutionair, John MacBride. Die werd geëxecuteerd voor zijn rol bij de opstand in 1916. In 1900 had Gonne de nationalistische groep Daughters of Ireland opgericht, die zich inzetten voor de Ierse cultuur. In gevangenschap werd ze ziek en ze werd vrijgelaten op voorwaarde dat ze niet terug zou gaan naar Ierland. Ze ging echter meteen terug om als revolutionair, feminist en activist verder te strijden.

Stepdance

Deze uitweiding tekent wel een beetje waar ik me in verdiepte tijdens de reis door Ierland en Noord-Ierland. In het Ulster Museum, het Tower Museum, in Belfast en Derry, maar ook in Galway, in het City Museum waar de strijd opnieuw werd beschreven, nu met nadruk op de rol van regionale onafhankelijkheidstrijders.

Maar er is meer dan deze geschiedenis. In de bus van Limerick naar Waterford komt een Amerikaanse vrouw naast me zitten. “Ik kom uit New Jersey,” vertelt ze, “en mijn voorouders zijn Ieren.” In Ierland wonen ongeveer zes miljoen Ieren, begrijp ik, maar er zijn ongeveer veertig miljoen Amerikanen met Ierse afkomst. Zelfs Obama had een Ierse voorvader. Vooral na de Grote Hongersnood, na opeenvolgende verloren aardappeloogsten halverwege de 19e eeuw, emigreerden vele Ieren. Katholieken bijna altijd, die aan de overkant van de oceaan grote gezinnen kregen.  

Langzamerhand krijg een idee van wat Iers is. Op de muur in Derry laten kinderen iets zien van de typische manier van dansen. Die dansvorm lijkt goed te passen bij Ierse traditionals op oude instrumenten, bijvoorbeeld een doedelzak. Het is een soort van step- of tapdance, waarbij het bovenlichaam bijna stil wordt gehouden, armen strak naar beneden, en de dans vooral bestaat uit snelle voet- en beenbewegingen. Benen soms hoog gestrekt in de lucht.    


Een selectie van foto’s van mijn reis door Ierland en Noord-Ierland vind je hier en hier.

A small town girl in a big arcade

Jeanne d’Arc kom je in Rouen overal tegen, op straathoeken en pleintjes. Haar naam, haar beeltenis, haar verhaal is hier zo onvermijdelijk als de vezels in volkoren. Ze is nu ruim 600 jaar oud, maar nog steeds negentien. Voor eeuwig negentien.

En voor eeuwig een voorbeeld. De Jeannes van nu? Dat zijn Malala, die strijdt voor onderwijs voor meisjes, Emma Watson, op de bres voor gendergelijkheid, en natuurlijk Greta Thunberg, die onvermoeibaar de machthebbers wijst op hun verantwoordelijkheid voor de toekomst van de aarde en de gevaren van de klimaatcrisis. Niet omdat ze stemmen horen, zoals Jeanne, maar wel omdat ze gedreven zijn en zich genoodzaakt voelen.

Maar terug naar Jeanne d’Arc. Waarom ontmoet je haar zo vaak in Rouen? In kathedraal, museum, als standbeeld en op schilderijen?

Standbeeld van Jeanne d’Arc in Caen

Nee, la Pucelle d’Orléans (de Maagd van Orléans) werd niet geboren in Orléans, maar op 6 januari 1412 in Lotharingen. Ze was een boerenmeisje, de familie d’Arc (van de brug of boog), en had vier broers en zussen. Frankrijk was in oorlog met Engeland dat bijna de helft van het land bezet hield, ongeveer het gebied ten noorden van de Loire. Die bezetting had te maken met de opvolging van de Franse koning.

Koningsloos vochten de Fransen een wanhopige strijd tegen de Engelsen en ook tegen de Bourgondiërs die een akkoord met de Engelsen hadden gesloten – het Hertogdom Bourgondië was een zelfstandige regio rond Dijon. Karel VII was de beoogde troonopvolger, de dauphin, maar zijn kroning moest dan in Reims plaatsvinden, in het noorden van het land, en Reims was bezet. Net als Parijs. En Orléans werd belegerd.

Heilig leger

Jeanne was een erg vroom meisje, altijd in de kerk om te bidden en te biechten. Vanaf haar twaalfde of dertiende zei ze dat ze stemmen hoorde. Die kwamen van Jezus, van aartsengel Michaël en van de heilige Catherina. Later zagen gelovige jongeren bijvoorbeeld Maria verschijnen. En nu zou je iemand zoals Jeanne misschien naar een kinderpsychiater sturen, maar die waren er toen niet. De stemmen, zei ze, vertelden haar dat ze Frankrijk moest bevrijden van de Engelsen.

Jeanne wist niet hoe of wat te doen, maar uiteindelijk wendde ze zich in 1428 tot een plaatselijke edelman Robert de Bradicourt. Die geloofde haar eerst niet – ‘stemmen?’ –, maar ze bleef aandringen. Vervolgens reisde Jeanne naar het kasteel van Chinon. Karel VII had de residentie vanuit het Louvre in Parijs verplaatst naar deze relatief veilige plek aan de Loire. Ook daar waren ze aanvankelijk nogal sceptisch, zo’n boerenmeisje. Maar ook daar wist ze met haar onbevangen houding te overtuigen. Ik stel me The Favourite voor, de film waarin om de genegenheid van Queen Anne wordt gestreden. Misschien zou Yorgos Lanthimos, de regisseur van die film, zich eens op het verhaal van Jeanne en Karel VII moeten storten.

Hoe dan ook, Jeanne kreeg een leger. Denk je eens in: een meisje van zestien of zeventien dat een leger gaat aanvoeren. In een tijd dat de enige vrouwen die in de buurt van zo’n leger kwamen, prostituees waren. “Nee”, zei ze, “dit is een heilig leger.” Geen prostituees, maar priesters reisden mee. Zo kwam ze in Orléans, waar ze, hoewel de legerleiders poogden haar buiten de gevechten te houden, dapper meedeed. Wordt gezegd. Tot groot enthousiasme van de Fransen, zo’n meisje in harnas met de vlag van de dauphin. Ze kreeg de gehate Engelsen op de knieën. Op 8 mei 1429 gaven ze het op en was Orléans bevrijd.

Arcade

Dat was voor haar eigenlijk nog maar het begin. Jeanne werd bejubeld en op de golven van het succes ging ze verder. Zoals Duncan Laurence die na het winnen van het Eurovisie Songfestival overal in uitverkochte zalen zingt, als a small town girl in a big arcade. Jeanne van de Arc(ade).

George William Joy, ‘le sommeil de Jeanne d’Arc’, 1895

Reims werd veroverd en Karel de VII gekroond. Koning nu, besloot Karel echter een wapenstilstand te sluiten, tot woede van Jeanne die de Engelsen juist wilde verdrijven. De troost, dat zij en haar familie in de adelstand werden verheven, interesseerde haar niet. Bovendien liet de koning haar gruwelijk in de steek toen de Bourgondiërs haar gevangen namen. Die leverden haar uit aan de Engelsen.

De Engelsen beschuldigden haar van hekserij en ketterij – geef nou maar toe dat je geen stemmen hebt gehoord – en begonnen een showproces in Rouen. Of eigenlijk voerde bisschop Pierre Cauchon het proces. Niet echt onpartijdig, om het zachtjes uit te drukken, want hij verweet Jeanne het verlies van zijn bisdom.

Daar kon hij geen zaak van maken, natuurlijk. Maar een jaar lang kwamen er vooral mensen langs die haar beschuldigden. En Jeanne werd vele malen ondervraagd, ze werd slecht behandeld en ze kreeg ook nog een rondleiding door de martelkamer. Ik vraag me af wat voor ‘rondleiding’ ze dan kreeg. “Kijk mevrouw d’Arc, hier ziet u de folterkist, dit is het rad waarop u heel langzaam doodgaat, dan de knieënsplijter, hier de kwelpeer die we in uw vagina of uw mond kunnen opendraaien en dat daar, de borstenscheurder. Heeft u nog vragen?” Gruwelijk! Het bleef bij dreigementen, en hoe dan ook, ze maakte op haar ondervragers en uiteindelijk ook op de beul veel indruk.

Maar ze bezweek onder de druk en ze vroeg vergiffenis voor haar daden. Ze werd aanvankelijk veroordeeld tot levenslang en mocht nooit meer mannenkleren of een harnas dragen. Toen ze dat in haar cel toch deed, misschien omdat ze bang was om verkracht te worden door de bewakers – dat hadden ze al eerder geprobeerd – was het afgelopen. Ze herriep haar spijtbetuiging en zei dat ze alleen maar vergiffenis had gevraagd in een zwak moment, opdat ze niet zou worden verbrand. Nu wilde ze liever sterven dan levenslang gevangen zitten.

Er werd een brandstapel voor haar gebouwd en ze moest dood op de Vieux Marché in Rouen omdat ze mannenkleren droeg. In de Bijbel staat immers dat je niet de kleren aantrekt van het andere geslacht (Deuteronomium 22:5). Allejezus! De Kerk trok de handen van haar af en Jeanne d’Arc, de redster van Frankrijk, stierf op 30 mei 1431. Het land treurde. En besloot een paar decennia later dat niet Jeanne de ketter was, maar bisschop Cauchon (daar kom ik zo op terug). Een paar eeuwen later (in 1920) werd ze alsnog heilig verklaard. 

Androgyn

Haar bijzondere verhaal – het boerenmeisje dat Frankrijk redt – inspireerde vele schilders. In het Musee des Beaux Arts in Rouen is een zaal met alleen maar Jeanne d’Arcs. In Parijs hangt het beroemde schilderij van Eugène Delacroix waarop een vrouw het volk aanvoert. Die vrouw in La Liberté guidant le peuple (De Vrijheid leidt het Volk) is natuurlijk Jeanne d’Arc, of op zijn minst geïnspireerd door haar. Zoals ze op blote voeten en in een onderjurk onverschrokken de vlag zwaait.

Ze inspireerde schrijvers zoals Bertolt Brecht, Mark Twain, Michel Tournier (Gilles et Jeanne), Hubert Lampo (De duivel en de maagd) en een paar jaar geleden nog Kathryn Harrison en Lidia Yuknavitch (The book of Joan). En verder filmmakers en musici zoals Tsjaikovski en Verdi en ook Leonard Cohen, Kate Bush, Madonna en The Smiths (Bigmouth strikes again).

In 2017 bracht het Nationale Theater het verhaal in de versie van Friedrich Schiller (première van Die Jungfrau von Orléans in 1801) opnieuw op toneel. Jeanne is multi-inzetbaar, zei regisseur Theu Boermans van Het Nationale Theater tegen Opzij (23 januari 2017). “Die meerduidigheid als personage maakt haar zo interessant.”

Multi-inzetbaar, maar soms ook wel uitermate dubieus om haar als symbool voor jouw ‘strijd’ op te voeren. Franse socialisten omarmden haar eind 19e eeuw en later zagen de Franse nationalisten haar als voorbeeld, het Front National bijvoorbeeld. Zij gebruiken, of beter: misbruiken haar, in de strijd tegen vreemde overheersing. Voor de Kerk is ze een bruid van God. En voor het feminisme is Jeanne een symbool omdat ze niet kiest voor trouwen en kinderen krijgen, maar ze voor zichzelf een heel andere taak ziet weggelegd. Ze zag er androgyn uit, als de overgeleverde beelden kloppen, met kort haar en mannenkleding. Ze voerde zelf het woord ter verdediging tijdens het proces en ze was het toonbeeld van een sterke vrouw. Ik lees ook een verhaal van iemand die Jeanne d’Arc aanvoert in de dierenbevrijding.

Of Jeanne wordt vergeleken met jonge mensen die zich laten verleiden tot strijd en terrorisme. Volgens Boermans laat Schiller prachtig zien wat de sociale en emotionele omstandigheden zijn waardoor iemand tot dergelijke daden komt. “Het zijn vaak sensibele jonge mensen in moeilijke sociale omstandigheden die in een identiteitscrisis verkeren en het geloof extremer toepassen dan hun ouders.”

Schiller zag haar toen hij het stuk eind 18e eeuw schreef, niet alleen als een historische heldin, maar ook als een jonge vrouw. Jeanne zou zelf niet gevochten hebben, maar Schiller geeft haar een zwaard in de hand. Haar heilige strijd wankelt echter in het stuk, wanneer ze een jonge Engelsman doodt die smeekt voor zijn leven. En als ze met een tweede Engelsman worstelt en die in de ogen kijkt, wordt ze verliefd.

Dan komt ze in een crisis omdat ze wordt geconfronteerd met de consequenties van het geweld. Ze komt tot bezinning, “en haar onderdrukte seksualiteit komt vrij”, zegt Boermans. “Daardoor wordt ze menselijk.” En ook complexer, een personage dat een ontwikkeling doormaakt en aan zichzelf gaat twijfelen. Ze daalt af van die hoge wolk, neemt afstand van het iconische beeld en komt misschien wel dichter bij ons. Ze redt het nog wel, in de strijd tegen de Engelsen, maar is misschien toch niet zo anders dan wij, gewone mensen.

‘Jeanne d`Arc listening to her voice’, Leon Francois Benouville

Dapper meisje

Je wilt misschien weten hoe het afloopt in Frankrijk en met Jeanne na haar dood. De Fransen hebben dankzij haar een kantelpunt in de oorlog met de Engelsen bereikt. Ze dringen de Engelsen steeds verder terug en bijna twintig jaar na de dood van Jeanne veroveren ze ook Rouen weer. De hertog van Bourgondië verbreekt zijn band met de Engelsen en op 10 september 1435 komt er een vredesverdrag met koning Karel VII. Parijs wordt weer teruggeven aan de Fransen.

Na zijn intocht in Rouen vraagt Karel VII om het proces van Jeanne te heropenen. De paus wijst dat af. Maar als zes jaar later de moeder van Jeanne, die net als Jeanne zelf en haar hele familie in de adel verheven was, ook een verzoek doet, wordt dat wel geaccepteerd. Zij wil de naam van haar dochter zuiveren.

Bij dat nieuwe proces, in Reims in 1455 en 1456, wordt Jeanne door de getuigen geschetst als een eerlijk, zuiver, integer en dapper meisje. De inquisiteur beschrijft haar als een martelares. Dat proces verloopt veel grondiger dan 25 jaar eerder, maar de uitkomst is toch ook wel politiek. De schuldigen zijn immers bij voorbaat al de Engelsen die Jeanne kochten van de Bourgondiërs en het proces financierden waarin ze veroordeeld werd. Er waren ook wel Engelsen die Jeanne niet dood wilden en juist probeerden dat eerdere proces, onder leiding van bisschop Cauchon, te vertragen of tegen te werken. Na het rehabilitatieproces groeit in Frankrijk de liefde voor Jeanne d’Arc.

Oké, de stemmen waren misschien hallucinaties of er was een andere verklaring voor, maar ze inspireerde uiteindelijk toch een heel land tot verzet en bevrijding. Vanaf 1920 was 8 mei, de dag van de bevrijding van Orléans, een feestdag ter ere van haar. Het is nu vooral de dag dat het einde van WO II wordt herdacht. En Frankrijk herdenkt Jeanne d’Arc elk jaar op 30 mei, de dag dat ze stierf op de brandstapel.

De oordeelmaatschappij

We oordelen elkaar dood. De hele dag door. We beoordelen vaak op basis van niets. Want oordeelloosheid in onze mondige maatschappij kan echt niet. Stel je voor dat je moet zeggen: ik weet het niet. Gezichtsverlies! Een lege blik als ze je vragen: wat vind jij? Kleurloos! Maar wat zegt een oordeel eigenlijk? 

Als ik turf wat ik allemaal like in een maand op sociale media, dan verbaas ik mezelf. Vage kennissen met een nieuwe baan, een uitgesproken mening over De Luizenmoeder, enthousiasme over een documentaire van Sunny Bergman, hugs van de Nieuw-Zeelandse premier Jacinda Ardern, het verdriet van een familielid, een gedicht van onze stadsdichter over het museum, onrecht dat Amnesty International tegen een Filippijnse advocaat constateert, een foto van de Women’s March, oproepen van klimaatspijbelaars of een hallucinerend mooi optreden van Fatma Said. Fijn, mooi, fantastisch!

Het gemakkelijkste oordeel van nu is zo’n like, een hartje of een traantje, een duimpje omhoog of omlaag. Maar wat zegt het? Soms raakt iets me echt, maar soms betekent het niet meer dan dat ik het opgemerkt heb. Je bent gezien! Ik weet dat je er bent! Ik treur met je mee! Ik heb je lief maar dat durf ik niet te zeggen. En daarom stuur ik je een duimpje. Want ik vind je mislukte foto best leuk. Geloof ik. Of nou ja, ik vind het leuk dat je een mislukte foto post.

I judge, therefore I am. Als variant op Descartes. Op internet kom je echter tal van tips tegen: hoe te stoppen met oordelen over anderen. Spinoza waarschuwde voor te snelle oordelen. Je oordeel is immers bijna altijd gebaseerd op gebrekkige informatie. Je wordt bijvoorbeeld boos omdat je beste vriendin je laat wachten. Ze is al een uur te laat voor je afspraak. Ze reageert zelfs niet op je appjes. Had je geweten dat ze niet kon omdat ze iemand van de verdrinkingsdood probeerde te redden, dan had je je boosheid kunnen inslikken. Wat weet je over de ander? Een slordige look, open sandalen, foute kleren, dik of dronken. Je hebt mensen al ingedeeld na twee seconden.

Oordelen is gemakkelijk, maar het maakt het leven van de ander soms heel erg moeilijk. De coming out van een transgender persoon, de puber die zichzelf zo lelijk vindt en uren in de badkamer aarzelt en moed verzamelt om de wereld tegemoet te treden, of de faalangst van mensen die het podium opstappen. ‘We concurreren met onszelf’, zegt Paul Verhaeghe, psychoanalyticus en hoogleraar in Gent. Hij komt later in dit artikel terug. Voorlopig alleen dit: minder snel of niet oordelen maakt het leven niet alleen voor jezelf prettiger, maar ook voor anderen. 

Gun anderen ‘hun reis’

Op sochicken.nl (een website van Jelle Hermus uit Delft) lees ik dat mensen vooral oordelen omdat ze zelf onzeker zijn. Dat zou kunnen, het is in elk geval een geruststelling, maar juist die snelle oordelers maken me bang. Wat vinden ze van mij?

En waarom oordelen zij zo snel? Door te oordelen, schrijft Hermus, voel je je even iets beter over jezelf. Enerzijds door af te kraken (want zelf ben je vast beter, jij weet bovendien wat de wereld nodig heeft en welke kant we uit moeten) en anderzijds door te juichen (je hebt smaak en je deelt mee in het succesje van een ander). Oordelen helpt overzicht te krijgen, maar het belemmert je ook, en maakt je deels blind. Je hoeft niet meer verder te kijken. Het maakt je ook saai, vindt Hermus, want ‘je trekt al je ervaringen door een filter in je hoofd van hoe de wereld zou moeten zijn.’ Je kruipt in je bubbel, sluit je af voor groei en ontwikkeling en alles blijft hetzelfde, je leven wordt kleurloos.

Geen mening hebben geeft niet, voert hij aan. Je kunt de wereld zien zonder direct te bedenken wat je ervan vindt. Wel fijn, maar best lastig, want je mening wordt vaak gevraagd. Ik sta versteld van straatinterviews waarbij mensen meteen een oordeel hebben op wat hen maar wordt voorgelegd. Ik zou mijn schouders ophalen en doorlopen, maar daarmee kom je niet weg.

Dat mensen van jou willen weten hoe jij erover denkt, komt volgens sochicken.nl vaak omdat ze het zelf niet weten of er dan niet over na hoeven te denken. Maar niet oordelen geeft kalmte, acceptatie en tevredenheid, en je gunt anderen ‘hun reis’. Aldus opnieuw sochicken.nl.

Gedachteloos doen wat ze je zeggen

Oordelen krijgt bij filosoof Hannah Arendt (in navolging van Kant) een hele andere behandeling. Ze schreef eerder over handelen, en vervolgens over denken, willen en inderdaad oordelen in The life of Mind. Hoewel dat laatste boek uiteindelijk alleen in schetsen bestond. Ze pleit er dan voor dat mensen hun verantwoordelijkheid nemen, hun politieke verantwoordelijkheid als burger. Kleurloosheid is voor haar juist de burger die zich daarvoor afsluit. Maar ze stelt wel eisen aan het oordelen. En aan het denken dat daaraan voorafgaat. Gedachteloosheid is kwalijk, het onvermogen tot oordelen. Zoals Eichmann in de Tweede Wereldoorlog de ambtenaar was die gedachteloos deed wat hem werd opgedragen.

Oordelen is de voor Arendt de brug van denken naar doen. Ze spreekt over een oordeelsplicht en ze veroordeelt de tendens in de maatschappij van haar tijd om niet te denken en niet te oordelen. Ze zou zeker ook niet te spreken zijn over de al te lichtvaardige oordelen die sociale media en maatschappelijke bubbels veroorzaken. Daar ligt ook gedachteloosheid onder.

Oordelen is voor Arendt het vermogen om het algemene en het particuliere met elkaar te verbinden. Het vraagt reflectie op de vraag of een gevoel van behagen of onbehagen, het vraagt verruiming van onze geest, verplaatsing in een ander en dat we onze particuliere omstandigheden buiten beschouwing laten. Pas dan is een oordeel geen vooroordeel meer. Je moet er dus wel wat voor doen om tot een oordeel te komen. Niet iets wat je kunt door gedachteloos langs de posts op je tijdlijn scrollen. 

De tips van sochicken maken je lui en misschien juist wel saai. Ze passen bij de oppervlakkigheid van vele posts op sociale media. Maar wat is erger: de saaiheid van degene die nooit oordeelt of de saaiheid van degene die dat wel doet? Als je het maar goed doet. Uiteindelijk zijn de adviezen op sochicken om niet te oordelen eigenlijk net zo goed oordelen. Er is dan sprake van een soort van catch-22.

Nog iets over referenda, want de oordeelsvorming is voor zo’n volksraadpleging vaak problematisch. Vorige week las ik dat een Zwitserse rechter een referendumuitslag ongeldig heeft verklaard omdat de kiezers slecht geïnformeerd waren. Weinig informatie, maar ik denk dat het vaak ook slechte informatie is, want de ‘informanten’ hebben belangen. En politici zijn zeker niet de meest betrouwbare informanten. Ik denk aan het referendum over de Brexit, aan het referendum over de Europese relatie met Oekraïne en misschien wel het oer-voorbeeld, de Atheense burgers die Socrates tot de gifbeker veroordeelden. Ik geloof niet dat referenda in alle gevallen een goed democratisch middel zijn.

Ik ben de ander

Terug naar Paul Verhaeghe. Ik weet niet of ik hem ergens tussen beide uitersten in kan plaatsen. Het advies om niet te oordelen en de oproep om dat juist wel te doen. Hij heeft het over het goede leven en komt dan ook bij Aristoteles, de man van het juiste midden. Niet teveel en niet te weinig.

Maar het mooiste in zijn boek vind ik de constatering dat onze identiteit grotendeels wordt ingevuld door de ander. De interacties tussen mij en de anderen maken mij tot wie ik ben, schrijft hij. ‘Onze zelfkennis en het zelf zélf, onze identiteit’ zijn het product van die interacties. Het zijn de verwachtingen van anderen en eigenlijk ook weer het idee dat ik heb van de verwachtingen van anderen die mij bepalen. Ik verhoud me daartoe, want ik identificeer me ermee of ik zet me ertegen af. “Ik ben de ander”, citeert Verhaeghe Rimbaud.

“Onze identiteit is een huis met vele kamers waarvan we er een aantal nauwelijks kennen”, schrijft Verhaeghe. Ik weet niet of deze zin in dit essay past, maar het is erg mooi geformuleerd. Net als zijn beschrijving van het toneelstuk Rhinocéros (waarbij mensen in neushoorns veranderen en dat proberen tegen te houden tot de meerderheid neushoorn is en iedereen er naar verlangt om neushoorn te worden) en de film Invasion of the Body Snatchers. In die film worden de geesten van de mensen in het dorp geleidelijk overgenomen of de lichamen worden ingenomen. Oordeel zelf of dit past in een essay over het actuele oordelen in onze oordeelmaatschappij.   

Concurreren met jezelf

Wat zeker past is de constatering dat we tegenwoordig alles beoordelen. Je kunt zelf beoordelen of de panty’s van de Hema lekker zitten, of het nieuwe boek van Buwalda zoveel sterren verdient en of de Airbnb-verhuurder het huis op orde heeft. Oordelen die blijkbaar zeer worden gewaardeerd, maar vooral aan moeten zetten tot consumptie. Dit oordelen, of misschien beter: beoordelen, is echt alleen daarvoor bedoeld, om anderen te bewegen. Aanbieders van producten en diensten stellen mijn waardering zeer op prijs omdat anderen dan eerder geneigd zijn in de kwaliteit van hun producten en diensten te geloven. 

Wil je een nieuwe auto, zoek je een app voor wijnbeoordeling, vraag je je af naar welke kapper je het beste kunt gaan, dan kun kijk je naar beoordelingen op internet. Zelfs mensen worden daar beoordeeld, en het cijfer dat je krijgt, kan bepalend zijn voor je toegang tot een huurauto of een appartement. Een aanbieder van producten of diensten wil wel een beetje een betrouwbare klant, geen wanbetaler of sloddervos.

Hoever zal dat gaan? Want straks val je in een duurdere verzekeringsklasse omdat je sportieve resultaten onder de maat zijn. Je kunt niet op reis naar Amerika omdat je als een risico wordt beschouwd. Onze oordeelmaatschappij kijkt niet naar wie jij bent, maar naar de scores die je laat zien. Je krijgt korting met een hogere rating en het leven (nou ja, de verkoop van je producten en diensten) wordt wel erg lastig als je te laag scoort..

Er is dan steeds die dreiging. Wat als ik niet aan de verwachtingen voldoe, waar blijf ik? Kotst de buurt me uit, moet ik weg bij de club, kom ik alleen te staan, gaat de klas me pesten, kom ik ooit in de hemel? Ben ik zelf de oorzaak? Nee, zegt Verhaeghe, nooit. Het is de ander. En wanneer wordt die onterechte schuld en de schaamte voor al je zogenaamde onvolkomenheden in de ogen van de ander stress? “Het nieuwe mensbeeld is dat van perfectie”, vertelde Verhaeghe NRC. Waar we vroeger met anderen concurreerden, doen we dat nu met onszelf. “Het is uitputtend. Van je eigen schaduw kun je niet winnen.”

Alles is een te beoordelen prestatie, zelfs je vakantie. Gevolg is dat het erg moeilijk wordt om anderen toe te laten, denkt Verhaeghe. “Intimiteit”, (zo heet het boek van Verhaeghe) “wordt zeer moeilijk als elk ander een potentiële rechter is.”

Zijn oplossing is niet zozeer het oordelen te laten vallen en je oren dicht te stoppen, maar je zelfkennis te vergroten. Een gebrekkige zelfkennis maakt je gevoelig voor oordelen van anderen, maar ken je jezelf, dan kun je je daartegen wapenen. Die zelfkennis verkrijg je niet zozeer door rationeel te werk te gaan, re-search -maar vooral ook emotioneel, en bij jezelf – me-search. Aldus Verhaeghe. Wat zegt je lichaam? Een betere relatie met je lichaam, niet gebaseerd op schaamte of de overtuiging dat we niet mooi of gezond genoeg zijn, helpt je om je beter te voelen. En, stelt Verhaeghe, een betere relatie met jezelf is voorwaarde voor een betere relatie met anderen.

De wereld van mannen, de wereld van vrouwen

Wat is dat eigenlijk, het verschil tussen een man en een vrouw? Die vraag houdt me blijkbaar bezig sinds ik vier was. Stond ik daar in mijn blootje. “Mam, wanneer valt dat eraf?” Mijn moeder zuchtte dan. “Maar mam, mijn zusje heeft zoiets toch ook niet.” Ik was ervan overtuigd dat het wel goed zou komen. Dit hoorde gewoon niet bij mij. De schoolarts deed mijn onderbroek omlaag en keek. Goed zo! En ik vroeg me af: waarom ben ik anders dan zij?

Keer op keer werd ik gecorrigeerd als ik poppen pakte, een jurkje wilde, de Tina uit de brievenbus viste of eerder dan mijn moeder de Libelle uithad. “Dat doen jongens niet.” Lego, indianenverhalen, soldaatjes en voetballen. Dat zat er in mijn sinterklaascadeautjes. Ik was stikjaloers op de spulletjes van mijn zusje. Maar wat wil je? Pas je maar aan, je groeit er wel overheen. Misschien dacht ik dat zelf ook wel. Misschien groei ik er wel overheen.

Ik denk niet dat mijn ouders me al die jongensspulletjes toeschoven omdat ze bang waren dat ik anders te meisjesachtig zou worden. Er kwam gewoon niets anders in hen op. Het ligt allemaal vast in een wereld van meisjes en jongens. Mijn slaapkamer was anders, ik zocht steeds meer het gezelschap van vriendjes in plaats van vriendinnetjes, ik deed de dingen die ze misschien wel van me verwachtten en ik ging atletieken in plaats van balletten. Het lijkt zo te horen. En elk jaar dat ze ouder worden, drijven de werelden van meisjes en jongens verder uit elkaar.

Maar ik voelde me ongelukkig, het leek zo geforceerd. Steeds meer. Ik paste de hakken van mijn moeder, rommelde in de kledingla van mijn zusje en speelde met de lippenstift. Die dingen beloofden een prachtige andere wereld. Maar tegelijk bedacht ik dat het niet klopte, het kon niet kloppen. Zouden andere jongens dat ook doen of was ik de enige die zich verloor in leesboeken over kostschoolmeisjes?

Maar ik leek niet op die meisjes, had niet hun lange haar en vlechten, hun fijne handjes en kleine voetjes. En god nog aan toe, toen moest ik me ook nog scheren. Mijn vader liet me zien hoe ik het moest doen. Dat je het beste echte scheerzeep kon gebruiken. Dat had hij dan weer van de herenkapper op de hoek. Warm water over je gezicht, een kwast met zeep, het mes van de wang naar de kin. Voor een goede scheerbeurt zeep je je misschien nogmaals in en strijk je tegen de groeirichting. Tot slot een warme handdoek en vervolgens een koude. Vader gaf me kwast, zeep en aluin.

Ik stopte het weg, uit het zicht, maar kon er toch niet omheen. Ja, ik kende het hele mannenritueel bij het opstaan. Ochtenderectie, boeren en scheten, plassen, wassen en scheren en dan koffie en een paar stevige boterhammen. Dat was de ceremonie waarin ik opgesloten zat. Probeer dat maar eens te veranderen als je geen woorden hebt om uit te drukken wat je voelt. Dan keek ik verlangend naar die andere wereld. Ik rook de parfum, ik voelde de zachtheid en ik zag de etalages van kledingwinkels en al die heerlijk vrouwelijke objecten: poeder, tasjes, sieraden, sjaals. Ik keek er ook met een soort van gêne naar. Niet voor mij, niet voor mij!

Wat is het dan verschil tussen een man en een vrouw? Ik weet het nog steeds niet. Of misschien wel steeds minder. Zit dat in hoe je eruit ziet, in wat je doet of hoe je je voelt? Is het misschien een combinatie? Kun je het doorbreken of overbruggen, is het flexibel en elke dag anders? Moet ik maar accepteren dat het vastligt of een andere weg vinden? Ligt het bij jou of ook bij de mensen om je heen?

Die mensen om je heen hebben meestal nog geen halve tel nodig om je te plaatsen als man of vrouw… En ik? Ik weet het nog steeds niet, ik worstel er al heel mijn leven mee.

Deze tekst heb ik geschreven voor De Kloof, een oproep van het VPRO-programma Nooit meer slapen. Voor mij heeft er altijd een kloof gezeten tussen de gedwongen mannenwereld en de verlangde vrouwenwereld. Ik probeer deze kloof voor mezelf te dichten of te overbruggen. En ik voel me daar eigenlijk wel goed bij.

De kant van client cuddling

‘Asymmetrie’, het boek dat Lisa Halliday vorig jaar publiceerde, telt minstens drie verhalen. Het verhaal van de relatie van Alice en een beroemde schrijver die ongeveer drie keer zo oud is als zij, het verhaal dat Alice schrijft over de kafkaiaanse belevenissen van een Iraaks-Amerikaanse econoom op een vliegveld. En het bevreemdende radio-interview met de beroemde schrijver van het eerste verhaal.

Het boek gaat voor mij over verschillen die botsingen kunnen veroorzaken. En hoe je dan niet of wel tot elkaar kan komen. Over de afstand tot elkaar bij mensen, in leeftijd, opleiding, cultuur. Die afstand hoeft geen belemmering te zijn voor empathie. Maar man-vrouw, oost-west, oud-jong, je moet er wel wat voor doen.  

Diversiteit zou je het kunnen noemen. Maar bij zo’n term denk je minder aan een boek zoals ‘Asymmetrie’ en meer aan een organisatie of aan beleid. Ik denk aan al die organisaties die als subtekst hebben: ‘Diversity makes us stronger. Diversity makes us smarter. Diversity makes the world better’.   

Wilma Haan, die tot half februari bij Parool werkte, schreef in een column voor de NVJ (waar diversiteit in 2019 een speerpunt is): ‘Wij zijn allen blinde mannen (m/v/x)’. Want iedere blinde man die in de bekende Indiase parabel een olifant tegenkomt (zijn poot, slurf, oor, buik), beschrijft die olifant anders. De werkelijke olifant is dan de optelsom van al die beschrijvingen. Of noem het invalshoeken of perspectieven. Dan ben je de parabel al aan het duiden.

Dat is natuurlijk ook de bedoeling. Wat leer je er dan van? Nou, wil je in jouw tijdschrift of krant een goed beeld van de wereld schetsen, dan heb je diversiteit nodig in leeftijd, culturele achtergrond, gender en seksuele voorkeur. Anders blijf je toch minstens gedeeltelijk blind.

Je kunt mooie lijstjes maken: ‘speerpunten voor organisaties’. De organisatie waar ik heb gewerkt, deed dat ook en noemde dat kernkwaliteiten. ‘Proactief’ en ‘transparant’ waren toen in de mode. ‘Creatief’ is dat nog steeds. En verder duurzaamheid, inclusiviteit, professionaliteit, klantgerichtheid, en…ja, diversiteit. Maar je kunt ook denken aan betrouwbaar, zorgzaam, oplossingsgericht, positief, dat je over aanpassingsvermogen beschikt en goed bent in anticiperen of accuraat handelen. Alles waarin je jezelf herkent of nog niet. Of wat je misschien totaal niet hebt, maar wat wel echt supergoed klinkt: “Flexibility! Ja, dat moeten we hebben!”

Diversiteit zou ik dan bovenaan zetten in een lijstje ‘speerpunten’. Een loffelijk streven. Maar doe het dan echt. Genderdiversiteit is slechts één element daarvan. Er zijn meer speerpunten. Een lijstje van een paar opvallende zaken anno 2019.

  • Maatschappelijk verantwoord ondernemen blijft (nog steeds, en dat is dus niet alleen duurzaamheid in aanpak en beleid, maar ook dat je als organisatie iets wilt bijdragen aan mens en maatschappij, bijvoorbeeld steunen van goede doelen of de culturele sector.);
  • Reputatiemanagement en employer branding worden belangrijker (dat je moet zorgen dat de reputatie van het bedrijf of de organisatie als werkgever en organisatie goed is, want allemaal tevreden werknemers, klanten, studenten, bezoekers. Kijk naar de overdaad aan enquêtes en reviews.);
  • Flexibele inzetbaarheid of employability ook (want, hoor je keer op keer, de vaste banen waar je twintig jaar hetzelfde werk blijft doen, zijn binnenkort echt definitief uitgestorven.);
  • Werkgeluk zeker (minder stress, goede werksfeer, fijne collega’s, betrokkenheid bij de organisatie en wat daar gebeurt en plezier op het werk. Gelukkig zijn wordt haast een plicht: be happy!);
  • En klantcontact natuurlijk (bijvoorbeeld via sociale media waar je direct kunt reageren op vragen en klachten bijvoorbeeld, de NS doet dat op Twitter met ook zo’n dakje voor persoonlijk contact. Dat wordt gewaardeerd, meer dan onpersoonlijke opmerkingen en doorverwijzen naar collega’s, want: ‘daar ga ik niet over’. Zo’n reactie kan echt niet meer.).

In die kwaliteiten kun je als organisatie zwaar door de mand vallen. Ook in je diversiteitsclaim, met al je witte hetero- en cismannen bij het koffiezetapparaat.

Als je bijvoorbeeld als vliegmaatschappij of energieleverancier zegt dat je echt helemaal 100 procent groen bezig bent, terwijl je dat aantoonbaar in geen eeuwen waar kunt maken. Dat je als organisatie milieuvriendelijker pretendeert te zijn dan je bent. Greenwashing! Of dat je klantgerichter bent dan je kunt waarmaken. De internetprovider die zo mooi zegt mensen te verbinden in plaats van hun computers. Client cuddling?

Window dressing? Of iets met fake? Een oproep dan, want we kunnen misschien nog wel een paar woorden gebruiken (Engels of Nederlands) om onterechte claims aan de kaak te stellen. Hoe je je mooier voordoet dan je bent. In de huidige socialemediatijden een bekend verschijnsel. Oproep dan, want we hebben hier meer vocabulaire nodig, lijkt me, en ik kom even niet verder.
    
Mijn tip ten slotte aan organisaties, mensen bij organisaties en mensen die niet of nog niet bij organisaties zitten: haal eruit (uit deze blog) wat je bevalt, denk aan de noodzaak van het verschil en lees ‘Asymmetrie’ van Lisa Halliday.

Wie stikt de naden?

Als de angst haar bij de keel grijpt, vlucht Flora terug in de herinneringen aan haar moeders keuken.  Ze is dan de tiener die eieren klutst en avocado’s schilt. Een onbezorgde tijd van school, vriendinnetjes en soms een vriendje. Het was een tijd van verliefdheid en spel, en hoop op een toekomst die vast heel mooi zou worden.

Op haar achttiende trouwde ze en kort daarna kreeg ze haar eerste kind. Toen haar man werd opgepakt voor diefstal was ze opnieuw in verwachting. Het ging niet goed met de baby die vervolgens geboren werd, maar geld voor medicijnen had ze niet. Flora bad en smeekte het ziekenhuis om zorg toen het kind stervende was. Het mocht niet baten. Wanhopig zocht ze naar baantjes en handeltjes. Telkens opnieuw werd ze teleurgesteld. Geen ervaring, geen capaciteiten, geen kans.

Ze nam ten slotte naailes in de hoop een bedrijfje te beginnen. Haar naaidocente wist van haar moeilijke situatie. Ze vertelde haar nadat ze een maand of wat les had dat je in de VS gemakkelijk geld zou kunnen verdienen. In de kledingindustrie werden voortdurend mensen gevraagd, zei ze. Dan zou je zoveel verdienen dat je nog geld naar huis kunt sturen.

Flora liet haar moeder en haar kind achter en ging erheen. Vol hoop dat de weg naar boven nu was gevonden. Maar ze merkte tot haar ontsteltenis al snel dat het allemaal leugens waren. De vrouw die contact had gelegd met de naaidocente en haar de grens over had geholpen, vertelde dat ze haar voor haar hulp om de grens over te steken 3.000 dollar schuldig was en dat Flora die terug moest verdienen. Deze Jennifer was een stevig, maar verzorgd uitziende vrouw. Iemand die aanvankelijk vertrouwen uitstraalde, maar, zo bleek later, snel haar geduld verloor en kwaad werd. Dan werd Flora zo bang dat ze de rillingen in haar lichaam nauwelijks kon beheersen.   

De hele dag maakte ze jurken. Zat de dag erop, dan moest ze de fabriek schoonmaken. Ze sliep in een opslagruimte waar ze een matras deelde met een ander slachtoffer. Ze mocht de fabriek niet uit of praten met haar collega’s die normale diensten draaiden. Eén maaltijd per dag kreeg ze, tien minuten. Bang voor de strenge opzichters en nog meer voor Jennifer gehoorzaamde ze. Ze at snel en had altijd honger. Soms begonnen haar lippen te trillen. Dan moest ze zich uit alle macht beheersen om niet in huilen uit te barsten met alle mensen om zich heen. Dan ging ze terug naar haar moeders keuken.

Haar collega’s keken weleens bevreemd als ze ’s ochtends aan hun dienst begonnen. ‘Goh, zij lijkt hier wel te wonen’, dachten ze. Maar contact met haar kregen ze niet. Jennifer, die haar paspoort had ingenomen, had haar verteld dat ze het duur zou betalen als ze iets zou vertellen. Bovendien zou de politie haar toch niet geloven, illegaal in een vreemd land. En, zei Jennifer, ‘ik weet waar je moeder en kind wonen’.  Het moet nu bijna vier maanden zijn dat ze hier zit. Op zondagen is er meer tijd is om aan thuis te denken. Dat geeft rust en tegelijk ook onrust. Ze denkt ook aan de jurken die ze heeft gemaakt. Die hangen voor 200 dollar per stuk in de winkel. Zouden de kopers van die jurken er wel bij stilstaan wie de naden heeft gestikt?

Slavernij bestaat nog steeds, hoewel het al zolang verboden is. Ik schrok ervan toen ik het hoorde. Moderne slavernij treft miljoenen mensen in bijna alle landen van de wereld. Niet alleen Mauritanië, Saoedi-Arabië en India bijvoorbeeld, maar ook een land als Nederland of de VS. Het kan gaan om de seksindustrie, kinderarbeid, gedwongen huwelijken en mensenhandel. Overal waar menselijk arbeid wordt geëxploiteerd tegen nauwelijks of geen betaling.

Woest en bijster

Fietsend van landschapskunst naar locatiespel
Heel woest en erg bijster
Stuit ik op een briefje in het bos
‘Kun je je nog verwonderen?’
Vraagt een boom
Over oranje sinaasappelpoëzie in het groen
Een zilveren tol in een dorpse koepel

Bij de Franse Kamp dansen spelers
Met Down, met bravoure
Ze verhalen over grenzen
oorlog en strijd
Normaal, roepen ze
Strijd is blijkbaar normaal
Maar kan het niet anders?

Elders in het bos
Volg ik een edelvrouw in een tijdmachine
Tweehonderd jaar terug
Barones tegen boeren
Strijd tussen klassen
Dan pakt een boer haar hand

Kun je je nog verwonderen?
Over grens, tegenstelling, verschil
Hoe mooi overbruggen is
Over concurrentie en strijd
Hoe niet normaal oorlog is
Voel dan het ritme van de wind
Luister naar de melodie van regendruppels

In Bennekom werd eind oktober 2018 een kunst- en theaterfestival georganiseerd. Onder de naam: Woest en Bijster. Landschapskunst en locatietheater in de bossen tussen Wageningen en Bennekom.