Categoriearchief: boeken

Vreedzaam vechten

Leestijd: 5 minuten

We leven in tijden van vrede en vrijheid. Dat horen we zeker rond 5 mei als we oorlogen herdenken en oorlogsslachtoffers. Maar dat wil niet zeggen dat er geen conflicten zijn in onze samenleving. Hans Achterhuis en Nico Koning beschrijven in ‘De kunst van het vreedzaam vechten’, ruim 600 pagina’s cultuurgeschiedenis en politieke filosofie, hoe we daarmee omgaan. Een rijk boek waar ik de afgelopen maand veel van heb geleerd. Prachtige inzichten, een blik op achtergronden van religieuze orthodoxie, conservatisme en populisme, zelfs een wending van mijn wereldbeeld op sommige punten en vooral veel over beschaving en modernisering in de westerse wereld. Aanrader, dit boek.

vreedzaam

Wat zeggen Achterhuis en Koning dan allemaal? Nou, bijvoorbeeld dat conflicten in een autoritaire of hiërarchische verhouding beter beheerst kunnen worden, maar in onze moderne gelijkheidsculturen – hoewel die gelijkheid soms wel genuanceerd moet worden – is dat lastiger. Er komen meer conflictsituaties tot uiting dan in een traditionele cultuur. Tussen ouders en kinderen, mannen en vrouwen, gezagsdragers en burgers, aanhangers van het ene geloof en het andere. Toch is er niet een grote toename van geweld, integendeel. Wat is er dan in onze samenleving dat dit voorkomt? Welke instituties beschermen ons? En zijn de dijken die we hebben opgeworpen tegen alle geweld sterk genoeg?

Girard

De schrijvers zetten verticale samenlevingen (traditioneel en hiërarchisch) tegenover horizontale (modern en gelijk, en bijvoorbeeld ook seculier). Ze lazen Samuel Huntington (Botsende beschavingen), René Girard (over mimetische begeerte en zondebokken), Fukuyama, Hobbes, Machiavelli en Arendt, filosofen die over politiek, maatschappij en menselijke verhoudingen hebben nagedacht. En nog veel meer.

In navolging van Huntington denken Achterhuis en Koning dat er conflicten blijven tussen verschillende beschavingen. Er is hooguit vrede mogelijk, maar geen verzoening. Er blijven tegenstellingen. Het gaat erom die conflicten hanteerbaar te maken. Breuklijnoorlogen vinden plaats op de plekken waar verschillende beschavingen elkaar raken, bijvoorbeeld in Bosnië, Soedan, India. Daarnaast zijn er wel gewelddadige conflicten binnen de invloedssfeer van een beschaving, bijvoorbeeld in Somalië.

Maar waar Huntington stelt dat enkel verschillen tot conflicten leiden, vragen Achterhuis en Koning zich af of juist gelijkheid tussen mensen een bron van conflicten is. Een verrassende vraag misschien. Een vraag die als het antwoord bevestigend is, vraagt om een paradigmawisseling, een copernicaanse wending, maar ze vinden materiaal genoeg voor die bevestiging. Ze baseren zich dan op René Girard, de Franse filosoof en antropoloog die kortgeleden, 4 november 2015, in Stanford is overleden.

We verlangen meestal wat anderen verlangen, stelt Girard. Dat kan een concreet object zijn, een huis, kunst, maar ook een positie, vaardigheid, vriendschap of liefdespartner. Ons verlangen is niet authentiek, denkt Girard, het is gewoon na-aperij. Hij spreekt over mimetische begeerte. Het begeerde wordt begeerlijker naarmate het meer door anderen wordt begeerd. We houden onszelf gewoon voor de gek, want zo authentiek en vrij als we denken, zijn we helemaal niet. Girard vindt niet alleen in de wereld zelf bevestiging, maar ook in de iedereen bekende (of voor iedereen toegankelijke) romans van Cervantes, Flaubert, Proust en Dostojevski. En in de mythes van de oude Grieken.

Als gelijkheid gevaarlijk is, omdat mensen dan gemakkelijker kunnen botsen, moeten er waarden en regelsystemen worden ontwikkeld die ongelijkheid bevestigen, bijvoorbeeld in de verhoudingen tussen mannen en vrouwen. Daarmee verklaren Achterhuis en Koning de ongelijkheid tussen mannen en vrouwen in traditionele samenlevingen, maar ze keuren die niet goed. Het is geen legitimatie ervan. Interessant, dit deel over arbeidsverdeling en incesttaboe. In de moderne tijd zijn er andere oplossingen om het gevaar van gelijkheid te beteugelen.

Modernisering

Een volgende stap in het boek is de bespreking van die moderniteit. Ivan Illich, filosoof, toont de schaduwkanten van de moderniteit in zijn werk en hij toont zich sceptisch over de moderne gelijkheid van mannen en vrouwen. Kanttekeningen bij moderniteit, oké, maar hier haken veel mensen af bij Illich. Terecht.

Iets vergelijkbaars gebeurt er met Spinoza. Spinoza doorzag net als Rousseau volgens Achterhuis en Koning wel hoe mimetische begeerte werkt. Zo stelt hij in zijn Ethica dat wanneer een mens die op ons lijkt ‘door een hartstocht wordt aangedaan, wij door een gelijke hartstocht worden meegesleept’. Spinoza constateert dat beide geslachten in ongelijkheid maar wel eendrachtig samenleven. In lijn met zijn filosofie ziet hij daar dan een noodzaak in, een natuurwet. Moeilijk te accepteren, dit punt van Spinoza, maar geen reden hem verder niet serieus te nemen.

Een volgende stap in het betoog is de bespreking van protestreligies. In bijna elke religie ontstaat verzet tegen teveel verticaliteit en gezag dat vooral bezig is haar positie veilig te stellen. Protestantisme bijvoorbeeld. De auteurs beschrijven hiermee hoe verschuivingen van een verticale naar een horizontale ordening hebben plaatsgevonden, maar ook een protestreligie kan weer verticaliteit gaan vertonen.

In algemene zin zijn religies in samenlevingen misschien wel ontstaan als een bron van conflictbeheersing. Er is immers een moreel systeem (Gij zult niet begeren wat van uw naaste is), onderscheid tussen goed en kwaad en middelen van boete en straf. Maar religies hebben ook enorm veel conflicten veroorzaakt. Achterhuis en Koning schrijven dat het moeilijk is over de relatie tussen religie en geweld een duidelijke uitspraak te doen.

Beter dan bijvoorbeeld de kerk, lijken moderne instituties zoals democratie, rechtsstaat, vrouwenrechten, te werken. “Een reeks van toevalligheden heeft de westerse beschaving tot voorloper gemaakt in het moderniseringsproces”, schrijven de auteurs. De oud-Griekse democratie, feministische golven in de Middeleeuwen, wetenschap, de Verlichting, Hobbes en Nietzsche, industrialisatie, massaconsumptie en de daarmee samenhangende groei van het individualisme, dat zijn misschien een paar van die toevalligheden.

Genoeg

Moderne mensen denken seculier, individualistisch en kosmopolitisch, stellen Achterhuis en Koning. Maar dat is op wereldschaal het denken van een minderheid. Het staat tegenover sacraal, patriarchaal en tribaal denken, kenmerkend voor verticale samenleving. Het is duidelijk waar hun sympathie ligt (en de mijne) en waar we heen moeten voorzover we daar nog niet zijn.

Ze zetten wel kanttekeningen bij aspecten van de modernisering, bijvoorbeeld waar het tegen grenzen oploopt van wat de wereld aankan. Een noodzakelijke nuancering. We moeten maat houden. Naast geweldsbeperking is begeerteregulering nodig (over die begeerteregulering wil ik nog een blog schrijven, genoeg is genoeg). Maar modernisering is ook onderwijs, geletterdheid, urbanisatie, welvaart, sociale mobiliteit, meritocratie, lhbt-rechten, emancipatie.

Er is veel verzet tegen modernisering. Achterhuis en Koning benoemen de aard van dat verzet als orthodox-religieus, conservatief of populistisch. De bespreking van de eerste raakt bijvoorbeeld aan de actuele situatie in Syrië en Irak en die van het conservatisme en populisme is denk ik ook herkenbaar in de reacties op de vluchtelingenproblematiek en het referendum over de versteviging van de banden tussen Oekraïne en de EU.

Maar goed, dat is mijn kijk op de lijn in het boek van Achterhuis en Koning. De Kunst van het Vreedzaam Vechten. Aanvankelijk dacht ik: is dat echt wat we doen in onze westerse beschaving: vreedzaam vechten? Is de moderne samenleving die Achterhuis en Koning beschrijven niet een utopie? Worden tribale samenlevingen niet te gemakkelijk af geserveerd? Zoeken ze in het boek misschien vooral bevestiging voor de stelling dat we zijn geëvolueerd van een verticale naar een horizontale samenleving?

Ik heb daar voor mezelf antwoorden op gevonden, maar lees het boek vooral zelf. Dan zie je nog veel meer en veel beter. En dan leer je echt een hoop.

Licht op Spinoza

Leestijd: 4 minuten

Hoe zou Spinoza denken over de wereld van vandaag? Misschien zou hij wel vinden dat we tijden van verduistering beleven in plaats van verlichting. Ik ben deze maand helemaal in Spinoza. Boeken gelezen, met Spinozakenner Miriam van Reijen gesproken, hoorcolleges beluisterd, zijn Ethica opengeslagen en nagedacht over wat hij nu eigenlijk zei.

Vijf keer Spinoza

1. Benedictus

Benedictus, daar houd ik het op, niet Baruch. Natuurlijk, Spinoza’s vader was een sefardische jood, gevlucht uit Portugal. En hij was joods opgevoed, maar in 1656 werd hij, 24 jaar oud, uitgestoten uit de joodse gemeenschap. Hij gebruikte daarna zelf zijn Latijnse naam Benedictus. Over zijn leven staat weinig vast, zijn biografie is snel verteld. Maar de jaren van zijn leven (1632 tot 1677) waren hectisch. Rembrandt en Vermeer maakten hun schilderijen en na het einde van de oorlog met Spanje in 1648 ontstond er een tweestrijd tussen prins- en staatsgezinden. Moest Willem II het land besturen of moest Nederland een republiek worden? Het was de tijd dat in Nederland de VOC ontstond, een grote handelsorganisatie die grote rijkdommen uit de koloniën haalde, en in Den Haag werd een politieke moord gepleegd. Misschien wel de eerste van de geschiedenis. Het waren ook de beginjaren van de Verlichting. Spinoza deed het licht aan. Benedictus.

spinoza

2. Vrije wil is een illusie

Dat Spinoza het bestaan van de vrije wil ontkent, ligt voor veel mensen lastig. Maar de meeste neurowetenschappers herkennen het wel. Als je meer over de werking van de hersenen zou weten, kun je gedrag voorspellen, verwachten ze. Ze zijn het vaak ook wel eens met Spinoza dat je geen onderscheid moet maken tussen lichaam en geest. Alles is één. Dat alles dan een oorzaak heeft, zoals Spinoza stelde, willen veel mensen nog wel aannemen, maar dat dit betekent dat je keuzes helemaal niet zo vrij zijn, ligt moeilijk. Het lijkt of je mensen daarmee iets van hun vrijheid afneemt. Vrije wil en vrije keuze staan in onze geïndividualiseerde samenleving immers in groot aanzien. Niemand hoeft voor ons te kiezen, dat doen we zelf wel. Dat idee. Op school kiezen we wat we wanneer willen leren, we kiezen zelf op wie we verliefd worden en niemand heeft het recht om mijn leven te sturen. Maar je keuzes blijken achteraf helemaal niet zo verrassend, want je koos wat jij op het moment van ‘keuze’ goed of het beste vond. Jouw ideeën over ‘goed’ en ‘het beste’ komen niet zomaar uit de lucht vallen.

3. God zit in alles

Ik ben niet gelovig, maar het godsbeeld van Spinoza vind ik prachtig. Hij ontdeed God van alles wat we hem als mensen toegedacht hadden. God is oneindig, dat bleef zo bij Spinoza, maar hij is geen persoon op een zetel in de hemel die luistert naar jouw gebeden en dan ingrijpt. Dat kan helemaal niet, volgens Spinoza. Luisteren naar jouw gebed en ingrijpen in de loop der dingen zou betekenen dat God ingrijpt in de wetten van oorzaak en gevolg, de wetten van de natuur. Onzin. Net zoals wonderen onzinnig zijn. Je begrijpt niet wat er gebeurt omdat je de oorzaak niet kent. En goed en kwaad hebben niets met God te maken, maar alles met opvattingen van mensen. Het godsbeeld van Spinoza leidt verder tot bescheidenheid. Je bent als mens niet het centrum van het universum, degene waar het allemaal om draait en waar zelfs God naar zou luisteren, maar slechts een manifestatie van de oneindige natuur. De vraag of Spinoza nu atheïst was of niet, vind ik niet zo interessant. Ik denk dat ieder van de partijen in deze discussie hem graag in zijn of haar kamp wil trekken. Dat was vroeger wel anders. Omdat met name kerk en predikanten veronderstelden dat de ideeën van Spinoza tot afvalligheid zouden leiden, waren zijn boeken tweehonderd jaar lang verboden.

4. Beter leven

Er zit iets therapeutisch in Spinoza’s filosofie, iets van levenskunst. Voor Spinoza ging het uiteindelijk om gelukkig worden. Geluk is niet te vinden in roem of rijkdom, maar eerder in eenvoud. En in inzicht of kennis van hoe het werkt in de wereld. Spinoza begrijpen en navolgen betekent ook dat je negatieve emoties kunt plaatsen. Verdriet, woede, blijdschap, angst of afkeer. Die hebben allemaal net als alles in de wereld oorzaken. Als je begrijpt waar ze vandaan komen, hoef je niet zo te lijden onder de negatieve emoties (boosheid, jaloezie). Dat geeft rust. Je wordt ook een prettiger mens voor anderen en eigenlijk, verwacht Spinoza, wordt het dan gewoon beter in de wereld. De aanpak van Spinoza lijkt wel wat op de rationeel-emotieve therapie.

spinoza4

Beeld van Nicolas Dings in Amsterdam (foto: ton van den born)

5. Totale tolerantie

Vrijheid van denken en spreken was voor Spinoza zelf nog best lastig, want zijn ideeën waren controversieel. Maar wil je een stabiele staat, dan mag je niemand de mond snoeren, vond hij. Democratie is de best mogelijke garantie dat mensen elkaar niet gaan gebruiken. Spinoza maakte zich ernstige zorgen over de bedreiging voor de liberale geest van zijn tijd en over het te grote gezag van de predikanten. Zijn boek de Tractatus Theologico-Politicus, even tussendoor geschreven terwijl hij met zijn hoofdwerk de Ethica bezig was, is dan ook uit nood geboren. De boodschap was vooral dat je politiek en godsdienst moest scheiden en dat de Bijbel, die door mensen geschreven was, niet onfeilbaar was. Een staat moet gebaseerd zijn op rationele en seculiere principes. Leg dat maar eens naast het kalifaat.

Ter afsluiting

Spinoza zou zich misschien ook niet enorm verbazen als hij nu in de wereld zou rondlopen. Hij had een goed inzicht in de aard van de mens. Spinoza’s oplossing is een goede opvoeding. Dat is de weg die leidt tot een gelukkiger leven. Maar het gaat vaak fout omdat kinderen worden opgevoed met vooroordelen en onredelijke normen, ze worden bang gemaakt en er wordt voor hen nagedacht in plaats van dat gestimuleerd wordt dat ze zelf leren nadenken. Het licht gaat pas weer aan met een goede opvoeding, goede boeken en goed onderwijs.

Geen eigenschappen maar karakter

Leestijd: 4 minuten

Ruim vier maanden lang was Ulrich in mijn leven. Hij observeerde, dacht en sprak. Urenlang, zo leek het, dagenlang. Handelen was bijzaak. Ulrich was eerder de man van niet-handelen. Geregeld vroeg ik me af wat hij nu precies miste: de Man zonder Eigenschappen, zoals Robert Musil hem had genoemd. Is het dit: dat hij niet kiest en zich nergens aansluit behalve als hij er echt niet onderuit kan? Dat hij zich nergens wil vastleggen en dat hij tot geen enkel kamp of ideologie wil behoren?

Ergens had ik gelezen dat je het boek van Musil – in de vertaling van Ingeborg Lesener telt het boek bijna 1400 bladzijden – kunt zien als een berg. Ik was net begonnen en leerde Ulrich, zijn vrienden en zijn Weense omgeving uit 1913, kennen. Het zal je moeite kosten om die berg te beklimmen, was de waarschuwing. Elke pagina staat vol filosofie, beschouwing en ethiek. Morele overwegingen. Maar sta je op de top, dan heb je een prachtig uitzicht.

Ik denk niet dat dit een goede omschrijving is van mijn leeservaring. Het was soms zwaar klimmen. En nu ik op de top sta, is het landschap beneveld. Wat heb ik eigenlijk gelezen? Ik moet misschien weer afdalen. Dit blog is een poging daartoe.

Geconcentreerde afzijdigheid

Volgens schrijfster Margriet de Moor is het boek ingedeeld in stemmingen, als een muziekstuk. Het eerste deel waar je Ulrich leert kennen, de man die de domheid op afstand wil houden (domheid is volgens Musil ook de ware ziekte in de wereld), is vrolijk. Het tweede deel, waarin gesproken wordt over de zogenaamde parallelactie, is ironisch. En het derde deel, waar Agathe, de zuster van Ulrich op het toneel komt, is ernstig.

Ulrichs vader die vindt dat zijn zoon eindelijk maar eens iets nuttigs moet gaan doen, maakt hem lid van de parallelactie. Daarin gaat het om de organisatie van de viering van het zeventigjarige regeringsjubileum van keizer Frans Joseph I, keizer van Oostenrijk-Hongarije (Kakanië in het boek). Grootse plannen en ideeën, want deze gebeurtenis moet, vanzelfsprekend, groter worden dan het dertigjarig jubileum van de Duitse keizer. Beide jubilea zijn gepland voor 1918, het jaar waarin zoals later blijkt beide monarchieën ineen storten. Pure satire, want het is een tot mislukken gedoemde poging om iets groots te doen in de Oostenrijks-Hongaarse dubbelmonarchie. Als een laatste stuiptrekking in een land dat al in ontbinding is. Musil schetst de nog heel gemütliche, maar misschien ook wel unheimische sfeer aan de vooravond van de Eerste Wereldoorlog.

ulrich

Acteur Franz Tscherne in de rol van Ulrich

Het boek wordt bevolkt door curieuze personages die allemaal op een of andere manier met Ulrich contrasteren. Zijn ambitieuze nicht Diotima, de neurotische, met Nietzsche dwepende Clarisse, de Pruisische industrieel Arnheim, de brave generaal Stumm, vrouwenmoordenaar Moosbrugger, en zijn jeugdvriend, de mislukte pianist Walter. Clarisse blijft Walter als een genie zien omdat ze altijd met een genie getrouwd had willen zijn. Walter moet tegenwoordig niets meer van Ulrich hebben, hij begrijpt niets van hem. Zuster Agathe ten slotte, innig met Ulrich verbonden, verschijnt pas na ongeveer 1000 pagina’s.

Zoals De Moor zegt, het is geen psychologisch boek: de personages gedragen zich geheimzinnig en krankzinnig, maar zo zijn ze. Zij hebben ieder de eigenschappen die Ulrich ontbeert. Arnheim bijvoorbeeld, hij weet voor alles een oplossing. Hij kan heel veel, heeft erg veel nuttige eigenschappen, maar hij heeft eigenlijk geen karakter. Hij is de man van de realiteit, terwijl voor Ulrich mogelijkheid telt. Want, zoals Musil zegt, iemand met gevoel voor realiteit knabbelt een beetje aan de rand van het leven zonder daarin een lijn te zien. Dat zou kunnen betekenen dat Ulrich die lijn wel ziet.

Ulrich is in elk geval ook zoekende, want hij weet niet wat hij wil en hij weet niet wat een goed leven is en hoe je dat moet leiden. Het boek gaat eigenlijk over hoe je zou moeten leven, maar zoals Marc van Oostendorp in zijn blog suggereert, vooral over de onmogelijkheid om dat te weten of daar al te strenge uitspraken over te doen.

Dat geldt zowel de buitenwereld, Kakanië in 1913 en de parallelactie, als wat je de binnenwereld kunt noemen, de incestueuze relatie van Ulrich met zus Agathe. Ook daarin bevestigt Ulrich wie hij is. Volgens Musil ontleent elk mens eigenschappen aan zijn beroep, zijn natie, zijn sociale klasse, zijn geslacht, zijn privé-leven, zijn bewustzijn en zijn onderbewustzijn. Ulrich ontkent of ontloopt dat soort categorieën. Zelfs in zijn privé-leven.

Musil heeft veel van zichzelf in Ulrich gelegd. Musils echtgenote Martha staat bijvoorbeeld model voor Agathe. Misschien is het boek voor Musil dan ook een zoektocht naar zichzelf. Een enorm project dat uiteindelijk niet voltooid wordt, want toen Musil in 1942 overleed, moest er nog een deel komen. Maar via het boek zegt hij enorm veel over de mens. In zijn ogen laat die zich meeslepen door zijn functionaliteit in het geheel en de taken die hij op zich genomen heeft. Dat bepaalt zijn maatschappelijke positie in de moderne wereld.

Dat geldt niet voor Ulrich. Hij laat zich niet meeslepen, maar staat in de wereld met ‘een houding van geconcentreerde afzijdigheid’ (Ronald Havenaar in een recensie uit 2004 in NRC). ‘Als men niet de kracht heeft iets anders te zijn dan wat men doet’, schrijft Musil, ‘is men geen mens meer.’ In de moderne wereld – in het boek is dat het Wenen van 1913 – hebben mensen de greep op hun bestaan verloren, ze weten niet meer weten wie ze zijn. Ulrich is zichzelf, een voorbeeldige man zonder eigenschappen volgens Havenaar. Geen eigenschappen, maar wel karakter.