Categoriearchief: filosofie

De oordeelmaatschappij

We oordelen elkaar dood. De hele dag door. We beoordelen vaak op basis van niets. Want oordeelloosheid in onze mondige maatschappij kan echt niet. Stel je voor dat je moet zeggen: ik weet het niet. Gezichtsverlies! Een lege blik als ze je vragen: wat vind jij? Kleurloos! Maar wat zegt een oordeel eigenlijk? 

Als ik turf wat ik allemaal like in een maand op sociale media, dan verbaas ik mezelf. Vage kennissen met een nieuwe baan, een uitgesproken mening over De Luizenmoeder, enthousiasme over een documentaire van Sunny Bergman, hugs van de Nieuw-Zeelandse premier Jacinda Ardern, het verdriet van een familielid, een gedicht van onze stadsdichter over het museum, onrecht dat Amnesty International tegen een Filippijnse advocaat constateert, een foto van de Women’s March, oproepen van klimaatspijbelaars of een hallucinerend mooi optreden van Fatma Said. Fijn, mooi, fantastisch!

Het gemakkelijkste oordeel van nu is zo’n like, een hartje of een traantje, een duimpje omhoog of omlaag. Maar wat zegt het? Soms raakt iets me echt, maar soms betekent het niet meer dan dat ik het opgemerkt heb. Je bent gezien! Ik weet dat je er bent! Ik treur met je mee! Ik heb je lief maar dat durf ik niet te zeggen. En daarom stuur ik je een duimpje. Want ik vind je mislukte foto best leuk. Geloof ik. Of nou ja, ik vind het leuk dat je een mislukte foto post.

I judge, therefore I am. Als variant op Descartes. Op internet kom je echter tal van tips tegen: hoe te stoppen met oordelen over anderen. Spinoza waarschuwde voor te snelle oordelen. Je oordeel is immers bijna altijd gebaseerd op gebrekkige informatie. Je wordt bijvoorbeeld boos omdat je beste vriendin je laat wachten. Ze is al een uur te laat voor je afspraak. Ze reageert zelfs niet op je appjes. Had je geweten dat ze niet kon omdat ze iemand van de verdrinkingsdood probeerde te redden, dan had je je boosheid kunnen inslikken. Wat weet je over de ander? Een slordige look, open sandalen, foute kleren, dik of dronken. Je hebt mensen al ingedeeld na twee seconden.

Oordelen is gemakkelijk, maar het maakt het leven van de ander soms heel erg moeilijk. De coming out van een transgender persoon, de puber die zichzelf zo lelijk vindt en uren in de badkamer aarzelt en moed verzamelt om de wereld tegemoet te treden, of de faalangst van mensen die het podium opstappen. ‘We concurreren met onszelf’, zegt Paul Verhaeghe, psychoanalyticus en hoogleraar in Gent. Hij komt later in dit artikel terug. Voorlopig alleen dit: minder snel of niet oordelen maakt het leven niet alleen voor jezelf prettiger, maar ook voor anderen. 

Gun anderen ‘hun reis’

Op sochicken.nl (een website van Jelle Hermus uit Delft) lees ik dat mensen vooral oordelen omdat ze zelf onzeker zijn. Dat zou kunnen, het is in elk geval een geruststelling, maar juist die snelle oordelers maken me bang. Wat vinden ze van mij?

En waarom oordelen zij zo snel? Door te oordelen, schrijft Hermus, voel je je even iets beter over jezelf. Enerzijds door af te kraken (want zelf ben je vast beter, jij weet bovendien wat de wereld nodig heeft en welke kant we uit moeten) en anderzijds door te juichen (je hebt smaak en je deelt mee in het succesje van een ander). Oordelen helpt overzicht te krijgen, maar het belemmert je ook, en maakt je deels blind. Je hoeft niet meer verder te kijken. Het maakt je ook saai, vindt Hermus, want ‘je trekt al je ervaringen door een filter in je hoofd van hoe de wereld zou moeten zijn.’ Je kruipt in je bubbel, sluit je af voor groei en ontwikkeling en alles blijft hetzelfde, je leven wordt kleurloos.

Geen mening hebben geeft niet, voert hij aan. Je kunt de wereld zien zonder direct te bedenken wat je ervan vindt. Wel fijn, maar best lastig, want je mening wordt vaak gevraagd. Ik sta versteld van straatinterviews waarbij mensen meteen een oordeel hebben op wat hen maar wordt voorgelegd. Ik zou mijn schouders ophalen en doorlopen, maar daarmee kom je niet weg.

Dat mensen van jou willen weten hoe jij erover denkt, komt volgens sochicken.nl vaak omdat ze het zelf niet weten of er dan niet over na hoeven te denken. Maar niet oordelen geeft kalmte, acceptatie en tevredenheid, en je gunt anderen ‘hun reis’. Aldus opnieuw sochicken.nl.

Gedachteloos doen wat ze je zeggen

Oordelen krijgt bij filosoof Hannah Arendt (in navolging van Kant) een hele andere behandeling. Ze schreef eerder over handelen, en vervolgens over denken, willen en inderdaad oordelen in The life of Mind. Hoewel dat laatste boek uiteindelijk alleen in schetsen bestond. Ze pleit er dan voor dat mensen hun verantwoordelijkheid nemen, hun politieke verantwoordelijkheid als burger. Kleurloosheid is voor haar juist de burger die zich daarvoor afsluit. Maar ze stelt wel eisen aan het oordelen. En aan het denken dat daaraan voorafgaat. Gedachteloosheid is kwalijk, het onvermogen tot oordelen. Zoals Eichmann in de Tweede Wereldoorlog de ambtenaar was die gedachteloos deed wat hem werd opgedragen.

Oordelen is de voor Arendt de brug van denken naar doen. Ze spreekt over een oordeelsplicht en ze veroordeelt de tendens in de maatschappij van haar tijd om niet te denken en niet te oordelen. Ze zou zeker ook niet te spreken zijn over de al te lichtvaardige oordelen die sociale media en maatschappelijke bubbels veroorzaken. Daar ligt ook gedachteloosheid onder.

Oordelen is voor Arendt het vermogen om het algemene en het particuliere met elkaar te verbinden. Het vraagt reflectie op de vraag of een gevoel van behagen of onbehagen, het vraagt verruiming van onze geest, verplaatsing in een ander en dat we onze particuliere omstandigheden buiten beschouwing laten. Pas dan is een oordeel geen vooroordeel meer. Je moet er dus wel wat voor doen om tot een oordeel te komen. Niet iets wat je kunt door gedachteloos langs de posts op je tijdlijn scrollen. 

De tips van sochicken maken je lui en misschien juist wel saai. Ze passen bij de oppervlakkigheid van vele posts op sociale media. Maar wat is erger: de saaiheid van degene die nooit oordeelt of de saaiheid van degene die dat wel doet? Als je het maar goed doet. Uiteindelijk zijn de adviezen op sochicken om niet te oordelen eigenlijk net zo goed oordelen. Er is dan sprake van een soort van catch-22.

Nog iets over referenda, want de oordeelsvorming is voor zo’n volksraadpleging vaak problematisch. Vorige week las ik dat een Zwitserse rechter een referendumuitslag ongeldig heeft verklaard omdat de kiezers slecht geïnformeerd waren. Weinig informatie, maar ik denk dat het vaak ook slechte informatie is, want de ‘informanten’ hebben belangen. En politici zijn zeker niet de meest betrouwbare informanten. Ik denk aan het referendum over de Brexit, aan het referendum over de Europese relatie met Oekraïne en misschien wel het oer-voorbeeld, de Atheense burgers die Socrates tot de gifbeker veroordeelden. Ik geloof niet dat referenda in alle gevallen een goed democratisch middel zijn.

Ik ben de ander

Terug naar Paul Verhaeghe. Ik weet niet of ik hem ergens tussen beide uitersten in kan plaatsen. Het advies om niet te oordelen en de oproep om dat juist wel te doen. Hij heeft het over het goede leven en komt dan ook bij Aristoteles, de man van het juiste midden. Niet teveel en niet te weinig.

Maar het mooiste in zijn boek vind ik de constatering dat onze identiteit grotendeels wordt ingevuld door de ander. De interacties tussen mij en de anderen maken mij tot wie ik ben, schrijft hij. ‘Onze zelfkennis en het zelf zélf, onze identiteit’ zijn het product van die interacties. Het zijn de verwachtingen van anderen en eigenlijk ook weer het idee dat ik heb van de verwachtingen van anderen die mij bepalen. Ik verhoud me daartoe, want ik identificeer me ermee of ik zet me ertegen af. “Ik ben de ander”, citeert Verhaeghe Rimbaud.

“Onze identiteit is een huis met vele kamers waarvan we er een aantal nauwelijks kennen”, schrijft Verhaeghe. Ik weet niet of deze zin in dit essay past, maar het is erg mooi geformuleerd. Net als zijn beschrijving van het toneelstuk Rhinocéros (waarbij mensen in neushoorns veranderen en dat proberen tegen te houden tot de meerderheid neushoorn is en iedereen er naar verlangt om neushoorn te worden) en de film Invasion of the Body Snatchers. In die film worden de geesten van de mensen in het dorp geleidelijk overgenomen of de lichamen worden ingenomen. Oordeel zelf of dit past in een essay over het actuele oordelen in onze oordeelmaatschappij.   

Concurreren met jezelf

Wat zeker past is de constatering dat we tegenwoordig alles beoordelen. Je kunt zelf beoordelen of de panty’s van de Hema lekker zitten, of het nieuwe boek van Buwalda zoveel sterren verdient en of de Airbnb-verhuurder het huis op orde heeft. Oordelen die blijkbaar zeer worden gewaardeerd, maar vooral aan moeten zetten tot consumptie. Dit oordelen, of misschien beter: beoordelen, is echt alleen daarvoor bedoeld, om anderen te bewegen. Aanbieders van producten en diensten stellen mijn waardering zeer op prijs omdat anderen dan eerder geneigd zijn in de kwaliteit van hun producten en diensten te geloven. 

Wil je een nieuwe auto, zoek je een app voor wijnbeoordeling, vraag je je af naar welke kapper je het beste kunt gaan, dan kun kijk je naar beoordelingen op internet. Zelfs mensen worden daar beoordeeld, en het cijfer dat je krijgt, kan bepalend zijn voor je toegang tot een huurauto of een appartement. Een aanbieder van producten of diensten wil wel een beetje een betrouwbare klant, geen wanbetaler of sloddervos.

Hoever zal dat gaan? Want straks val je in een duurdere verzekeringsklasse omdat je sportieve resultaten onder de maat zijn. Je kunt niet op reis naar Amerika omdat je als een risico wordt beschouwd. Onze oordeelmaatschappij kijkt niet naar wie jij bent, maar naar de scores die je laat zien. Je krijgt korting met een hogere rating en het leven (nou ja, de verkoop van je producten en diensten) wordt wel erg lastig als je te laag scoort..

Er is dan steeds die dreiging. Wat als ik niet aan de verwachtingen voldoe, waar blijf ik? Kotst de buurt me uit, moet ik weg bij de club, kom ik alleen te staan, gaat de klas me pesten, kom ik ooit in de hemel? Ben ik zelf de oorzaak? Nee, zegt Verhaeghe, nooit. Het is de ander. En wanneer wordt die onterechte schuld en de schaamte voor al je zogenaamde onvolkomenheden in de ogen van de ander stress? “Het nieuwe mensbeeld is dat van perfectie”, vertelde Verhaeghe NRC. Waar we vroeger met anderen concurreerden, doen we dat nu met onszelf. “Het is uitputtend. Van je eigen schaduw kun je niet winnen.”

Alles is een te beoordelen prestatie, zelfs je vakantie. Gevolg is dat het erg moeilijk wordt om anderen toe te laten, denkt Verhaeghe. “Intimiteit”, (zo heet het boek van Verhaeghe) “wordt zeer moeilijk als elk ander een potentiële rechter is.”

Zijn oplossing is niet zozeer het oordelen te laten vallen en je oren dicht te stoppen, maar je zelfkennis te vergroten. Een gebrekkige zelfkennis maakt je gevoelig voor oordelen van anderen, maar ken je jezelf, dan kun je je daartegen wapenen. Die zelfkennis verkrijg je niet zozeer door rationeel te werk te gaan, re-search -maar vooral ook emotioneel, en bij jezelf – me-search. Aldus Verhaeghe. Wat zegt je lichaam? Een betere relatie met je lichaam, niet gebaseerd op schaamte of de overtuiging dat we niet mooi of gezond genoeg zijn, helpt je om je beter te voelen. En, stelt Verhaeghe, een betere relatie met jezelf is voorwaarde voor een betere relatie met anderen.

De Argonauten van Maggie Nelson is verbijsterend mooi

‘Genderbending memoires’ staat op de achterflap van De Argonauten. Het zijn biografische essays, lees ik, en ze gaan over zwangerschap, moederrol en genderidentiteit. Korte, scherpgeschreven stukjes over de relatie van de Amerikaanse schrijfster, Maggie Nelson, met Harry Dodge. En tussendoor zijn er beschouwingen waarbij vele genderdenkers voorbij komen. Eve Sedgwick, Beatriz Preciado, Jane Gallop, Luce Irigaray.

Is Harry een transman of non-binair? Of is hij een butch on T, een stoere lesbienne die testosteron injecteert. Maggie weet in de begintijd van de relatie niet welk voornaamwoord ze moet gebruiken. Beeldend kunstenaar Harry heeft in elk geval met liefde afscheid genomen van de vrouw die hij was en de vrouwenrol die hij had.

Maggie Nelson (1973) schrijft poëzie en beschouwing. Ze schreef bijvoorbeeld over liefdesverdriet en de kleur blauw, over de moord op haar tante Jane en over geweld in avant-garde kunst. Het zijn hybride boeken: essayistisch, poëtisch, biografisch, filosofisch. Ik had nog nooit van haar gehoord, maar The Argonauts werd met groot enthousiasme ontvangen. Het boek kwam op beste-boekenlijstjes 2015 van kranten zoals The New York Times, San Francisco Chronicle, The New Yorker, Publishers Weekly en The Guardian. Het is nu ook in het Nederlands vertaald.

Bovendien, nog meer reden om wakker te worden en naar de winkel te rennen, het boek zou gaan over queer en queerness. Dat intrigeert me, want ben ik dat? Wanneer ben je eigenlijk queer? Ben je pas queer als je ook in je genderexpressie de normen van de maatschappij ter discussie stelt? Als ik een roze sjaal omsla en mijn nagels lak?

Geslacht! rockt!

Niet voor dat woord, queer, maar in het algemeen vraagt Nelson zich af: Hoe kunnen woorden ontoereikend zijn? Natuurlijk zijn ze toereikend, vindt ze. ‘Wat zich niet laat zeggen wordt niet afgerekend op wat het, per definitie niet kan zijn.’ Zo’n zin moet je wel drie keer lezen, maar dan realiseer je je dat wat er buiten de taal ligt, er misschien niet toe doet. Ze is ook schrijfster natuurlijk. Harry niet, die is kunstenaar, en twijfelt veel meer aan woorden en wat ze uitdrukken. Misschien is Harry juist daarom wel kunstenaar, zoekend naar een expressievorm die als woorden dat niet zijn, dan wel toereikend is.

Dat is pas de eerste vraag die ze oproept. Er komen er nog veel meer. En veel daarvan jassen onze te gemakkelijke aannames compleet omver. Hannah van Wieringen, die het boek begin dit jaar in NRC Handelsblad besprak, citeert Nelson. ‘Aan de ene kant (is er) de aristotelische, wellicht evolutionaire behoefte om alles in hokjes te plaatsen – roofdier, schemering, eetbaar – en aan de andere kant de noodzaak om recht te doen aan het transitieve, de vlucht, de grote brij van het bestaan waarin wij feitelijk leven.’ Het gaat in De Argonauten om het niet-categoriseerbare. En dan vooral het niet-categoriseerbare in identiteit en intimiteit. Ze onderzoekt zo de genderrol en de moederrol. Die ligt niet vast. Nogmaals, die ligt niet vast.

Maar hoe je je ook voelt, man, vrouw of iets ertussenin, hoe voelt dat dan? Is het de Engelse dichter en filosofe Denise Riley die gezegd heeft dat je niet 24 uur per dag ondergedompeld kan zijn in het directe besef van je sekse? ‘Gender-zelfbewustzijn is, goddank, iets wat aan momenten is gebonden.’ Dat lees ik in het boek in de week dat op NPO3 Geslacht! begint, een programma over het tussengebied van man en vrouw, en Eva Jinek de presentatrice toevertrouwt dat ook zij niet de hele dag bezig is met zich vrouw te voelen, ‘echt niet.’ Ryanne van Dorst, die Geslacht! presenteert – super doet ze dat – stelt die vraag ook in het programma. Hoe voelt dat dan? Hoe voelt het om vrouw te zijn, Patricia Paay? Hoe is het om man te zijn, Maxim Hartman? Misschien weet je het na het programma nog niet, maar een ding weet ik na twee afleveringen wel: Geslacht! rockt!

In en uit het leven

Waarom die titel, De Argonauten? Argonauten bevoeren het mythische schip de Argo dat op zoek ging naar het Gulden Vlies. Tijdens de reis wordt het schip vernieuwd, zonder de naam te veranderen. Hetzelfde gebeurt min of meer met de relatie van Nelson en Dodge. De woorden ‘ik hou van jou’ veranderen van inhoud, maar de relatie blijft. Het ligt niet vast. Ook dit ligt niet vast.

De Argo (Konstantinos Volanakis)

Roland Barthes, een Franse taalfilosoof, verwijst naar de Argo om te illustreren hoe dat werkt, dat een zin zoals ‘ik hou van je’ in de tijd wel van betekenis moet veranderen. Nelson stuurt Dodge de tekst van Barthes nadat ze in de beginfase van de relatie die woorden gebruikt. Misschien wel te snel. Ze wil hem vertellen dat hij niet moet schrikken. De betekenis van die woorden past zich wel aan. ‘Het doel van liefde en taal is nu juist om een en dezelfde zinsnede zo aan te wenden dat die voor altijd nieuw zal zijn’. Ze zijn in hun relatie als de argonauten op het schip dat ze zelf verbouwen.

Een al te simpel bruggetje van de vorige alinea naar deze is nu wat gevoelig. Misschien zo: zoals het schip van buiten verandert, veranderen ook Nelson en Dodge. Lichamelijk. Allereerst lichamelijk. Want terwijl Dodge meer man wordt (borstamputatie), wordt Nelson zwanger. Ze wordt moeder van Iggy. Ze schrijft dan prachtige observaties over die ervaring. Over de bevruchting, de zwangerschap, het moederschap.

En als het over moederschap gaat, gaat het ook over haar eigen moeder en de moeder van Harry. Het verhaal over het overlijden van de laatste raakt me diep. ‘Alle vrijwilligers zeiden dat het aan mij was om mijn moeder duidelijk te maken dat ze rustig kon gaan. Ik denk dat ik niet erg overtuigend was, de eerste 33 uur dat ik bij haar was.’ ‘Je hoeft niet bang te zijn’, zegt hij tegen haar. En op het einde: ‘Ik wist dat ze haar weg had gevonden, het aandurfde (..) Ik was echt verbluft, trots.’

Dit verhaal over het sterven van de moeder van Harry wordt afgewisseld met het verhaal over de geboorte van Maggie’s zoon. In en uit het leven. Ook de ervaring van de geboorte is misschien wel de meest aangrijpende beschrijving ervan die ik ooit gelezen heb.

Het is een boek

Het is misschien toch vooral een liefdesverhaal. Nelson en Dodge. En tegelijk wordt onze binaire wereld ontleed. Zoals Olivia Laing in een bespreking van het boek zegt: Nelson gebruikt haar ervaringen als een middel om de maatschappij open te wrikken, als onderzoek van wat het is dat daar zo stevig verdedigd wordt. Die binaire indeling, de hokjes, de duidelijkheid, de noodzaak om categorieën schoon en puur te houden.

Homoseksuele mensen die trouwen en zwanger worden, mensen die van de ene naar een andere gender gaan, of nog erger, zich niet willen committeren aan een van beide. Dat alles veroorzaakt enorme verwarring in denksystemen, stelt Laing. En die verwarring is ongetwijfeld deels ook reden dat de transgenderbeweging zo bedreigend bleek voor bepaalde domeinen van feministisch denken.

Natuurlijk, als ik stel dat dit boek vooral een liefdesverhaal is, categoriseer ik ook. Dat dit boek niet te categoriseren is, past perfect bij de inhoud. Het is een boek, laten we het daarop houden. Een boek dat ontroert, je aanzet tot beschouwing en je misschien ook wel verandert.

Oude fiets mag ook

De meest eenzame, minst benijdenswaardige, de ergste van alle ergen in ‘Gij nu’ is misschien wel Jessica. In ongeveer niemands schoenen wil ik stappen, maar die van Jessica zijn het ergst, erg in het kwadraat.

Ze is 9 in het verhaal, het leven moet dan nog ongeveer beginnen. Ben je 9, dan zit je in de aanloopfase, de warming-up. Je bent nog aan het oefenen voor het leven. Jessica racet voor het eten op tafel staat, snel een paar rondjes op haar prachtige nieuwe fiets. Geel is die, met blauwe handvaten. Ze is op weg naar een nieuwe recordtijd. Herkenbaar, records zijn zo lekker. Maar dan knalt ze met haar fiets tegen haar broertje die net terugkeert van voetbaltraining. Jessica heeft niets, maar Mario ligt met zijn gezicht naar het asfalt en staat nooit meer op.

Jessica draagt de schuld haar verdere leven met zich mee. Een jas die je niet kunt uittrekken. Haar zusjes negeren haar en haar moeder kan niet meer tegen haar praten. Ze vlucht naar oma. Het is verschrikkelijk, en al helemaal voor een kind van 9.

Als ze zeker dertig jaar later na een grotendeels mislukt leven voor het eerst weer op een fiets stapt, is dat een kleine overwinning. Maar verzucht ze: “Ik wou dat ik naar iemand toe kon fietsen. Ik wou dat iets wat voorbij is ook voorbij gaat. Ik wou dat ik mijn familie nooit meer hoefde te zien.” En: “Ik vraag me af waarom willen niet genoeg zou zijn.”

Dat schrijft Griet Op de Beeck. Prachtig! Maar Jessica is in haar verhalenboek dat je als een verkenning van eenzaamheid en pijn kunt zien, niet het enige personage dat je raakt. Er zijn meer eenzame zielen in ‘Gij nu’.

fiets

Eenzaamheid, een raar fenomeen. Voor eenzaamheid heb je per definitie aan jezelf niet genoeg, je hebt er ook anderen voor nodig. Voor filosofe Hannah Arendt zijn denkende mensen ook alleen nooit eenzaam. Hun gedachten houden hen gezelschap. Ook al is dat gezelschap niet altijd stuurbaar. Je zou willen, ik wou soms dat gedachten stuurbaarder waren. Maar ze ontsnappen door deurtjes die je dacht gesloten te hebben. Of in elk geval graag nog eventjes dicht had gehouden.

Zonder eenzaamheid zou ik eenzamer zijn, citeert NRC-redacteur Marjoleine de Vos dichteres Marianne Moore. Ze haalt een andere dichter aan die veronderstelt dat we op een bepaalde manier verslaafd raken aan onze angsten: ‘Pijn kent haar genoegens.’ Dan moet je eenzaamheid wel beschouwen als iets waar je bang voor moet zijn en iets dat zelfs pijn kan doen. Zoals heimwee soms een hand om je keel slaat en in je maag kan knijpen.

Misschien kent de pijn haar genoegens – je hebt pijn, dus je bent – maar misschien is het wel dat de eenzaamheid je gezelschap houdt als je alleen bent. En kost het moeite om dat gezelschap te laten gaan. Het is niet zo eenvoudig als dit: de deur openzetten en de eenzaamheid wegsturen.

Dat is misschien wel de eerste stap. En dan op je nieuwe fiets, geel met blauwe handvaten, het dorp door. Zoals Jessica, maar dan zonder een nieuwe recordtijd te willen zetten.

Of een roze fiets met zwarte handvaten. Een oude fiets mag ook.

Vreedzaam vechten

We leven in tijden van vrede en vrijheid. Dat horen we zeker rond 5 mei als we oorlogen herdenken en oorlogsslachtoffers. Maar dat wil niet zeggen dat er geen conflicten zijn in onze samenleving. Hans Achterhuis en Nico Koning beschrijven in ‘De kunst van het vreedzaam vechten’, ruim 600 pagina’s cultuurgeschiedenis en politieke filosofie, hoe we daarmee omgaan. Een rijk boek waar ik de afgelopen maand veel van heb geleerd. Prachtige inzichten, een blik op achtergronden van religieuze orthodoxie, conservatisme en populisme, zelfs een wending van mijn wereldbeeld op sommige punten en vooral veel over beschaving en modernisering in de westerse wereld. Aanrader, dit boek.

vreedzaam

Wat zeggen Achterhuis en Koning dan allemaal? Nou, bijvoorbeeld dat conflicten in een autoritaire of hiërarchische verhouding beter beheerst kunnen worden, maar in onze moderne gelijkheidsculturen – hoewel die gelijkheid soms wel genuanceerd moet worden – is dat lastiger. Er komen meer conflictsituaties tot uiting dan in een traditionele cultuur. Tussen ouders en kinderen, mannen en vrouwen, gezagsdragers en burgers, aanhangers van het ene geloof en het andere. Toch is er niet een grote toename van geweld, integendeel. Wat is er dan in onze samenleving dat dit voorkomt? Welke instituties beschermen ons? En zijn de dijken die we hebben opgeworpen tegen alle geweld sterk genoeg?

Girard

De schrijvers zetten verticale samenlevingen (traditioneel en hiërarchisch) tegenover horizontale (modern en gelijk, en bijvoorbeeld ook seculier). Ze lazen Samuel Huntington (Botsende beschavingen), René Girard (over mimetische begeerte en zondebokken), Fukuyama, Hobbes, Machiavelli en Arendt, filosofen die over politiek, maatschappij en menselijke verhoudingen hebben nagedacht. En nog veel meer.

In navolging van Huntington denken Achterhuis en Koning dat er conflicten blijven tussen verschillende beschavingen. Er is hooguit vrede mogelijk, maar geen verzoening. Er blijven tegenstellingen. Het gaat erom die conflicten hanteerbaar te maken. Breuklijnoorlogen vinden plaats op de plekken waar verschillende beschavingen elkaar raken, bijvoorbeeld in Bosnië, Soedan, India. Daarnaast zijn er wel gewelddadige conflicten binnen de invloedssfeer van een beschaving, bijvoorbeeld in Somalië.

Maar waar Huntington stelt dat enkel verschillen tot conflicten leiden, vragen Achterhuis en Koning zich af of juist gelijkheid tussen mensen een bron van conflicten is. Een verrassende vraag misschien. Een vraag die als het antwoord bevestigend is, vraagt om een paradigmawisseling, een copernicaanse wending, maar ze vinden materiaal genoeg voor die bevestiging. Ze baseren zich dan op René Girard, de Franse filosoof en antropoloog die kortgeleden, 4 november 2015, in Stanford is overleden.

We verlangen meestal wat anderen verlangen, stelt Girard. Dat kan een concreet object zijn, een huis, kunst, maar ook een positie, vaardigheid, vriendschap of liefdespartner. Ons verlangen is niet authentiek, denkt Girard, het is gewoon na-aperij. Hij spreekt over mimetische begeerte. Het begeerde wordt begeerlijker naarmate het meer door anderen wordt begeerd. We houden onszelf gewoon voor de gek, want zo authentiek en vrij als we denken, zijn we helemaal niet. Girard vindt niet alleen in de wereld zelf bevestiging, maar ook in de iedereen bekende (of voor iedereen toegankelijke) romans van Cervantes, Flaubert, Proust en Dostojevski. En in de mythes van de oude Grieken.

Als gelijkheid gevaarlijk is, omdat mensen dan gemakkelijker kunnen botsen, moeten er waarden en regelsystemen worden ontwikkeld die ongelijkheid bevestigen, bijvoorbeeld in de verhoudingen tussen mannen en vrouwen. Daarmee verklaren Achterhuis en Koning de ongelijkheid tussen mannen en vrouwen in traditionele samenlevingen, maar ze keuren die niet goed. Het is geen legitimatie ervan. Interessant, dit deel over arbeidsverdeling en incesttaboe. In de moderne tijd zijn er andere oplossingen om het gevaar van gelijkheid te beteugelen.

Modernisering

Een volgende stap in het boek is de bespreking van die moderniteit. Ivan Illich, filosoof, toont de schaduwkanten van de moderniteit in zijn werk en hij toont zich sceptisch over de moderne gelijkheid van mannen en vrouwen. Kanttekeningen bij moderniteit, oké, maar hier haken veel mensen af bij Illich. Terecht.

Iets vergelijkbaars gebeurt er met Spinoza. Spinoza doorzag net als Rousseau volgens Achterhuis en Koning wel hoe mimetische begeerte werkt. Zo stelt hij in zijn Ethica dat wanneer een mens die op ons lijkt ‘door een hartstocht wordt aangedaan, wij door een gelijke hartstocht worden meegesleept’. Spinoza constateert dat beide geslachten in ongelijkheid maar wel eendrachtig samenleven. In lijn met zijn filosofie ziet hij daar dan een noodzaak in, een natuurwet. Moeilijk te accepteren, dit punt van Spinoza, maar geen reden hem verder niet serieus te nemen.

Een volgende stap in het betoog is de bespreking van protestreligies. In bijna elke religie ontstaat verzet tegen teveel verticaliteit en gezag dat vooral bezig is haar positie veilig te stellen. Protestantisme bijvoorbeeld. De auteurs beschrijven hiermee hoe verschuivingen van een verticale naar een horizontale ordening hebben plaatsgevonden, maar ook een protestreligie kan weer verticaliteit gaan vertonen.

In algemene zin zijn religies in samenlevingen misschien wel ontstaan als een bron van conflictbeheersing. Er is immers een moreel systeem (Gij zult niet begeren wat van uw naaste is), onderscheid tussen goed en kwaad en middelen van boete en straf. Maar religies hebben ook enorm veel conflicten veroorzaakt. Achterhuis en Koning schrijven dat het moeilijk is over de relatie tussen religie en geweld een duidelijke uitspraak te doen.

Beter dan bijvoorbeeld de kerk, lijken moderne instituties zoals democratie, rechtsstaat, vrouwenrechten, te werken. “Een reeks van toevalligheden heeft de westerse beschaving tot voorloper gemaakt in het moderniseringsproces”, schrijven de auteurs. De oud-Griekse democratie, feministische golven in de Middeleeuwen, wetenschap, de Verlichting, Hobbes en Nietzsche, industrialisatie, massaconsumptie en de daarmee samenhangende groei van het individualisme, dat zijn misschien een paar van die toevalligheden.

Genoeg

Moderne mensen denken seculier, individualistisch en kosmopolitisch, stellen Achterhuis en Koning. Maar dat is op wereldschaal het denken van een minderheid. Het staat tegenover sacraal, patriarchaal en tribaal denken, kenmerkend voor verticale samenleving. Het is duidelijk waar hun sympathie ligt (en de mijne) en waar we heen moeten voorzover we daar nog niet zijn.

Ze zetten wel kanttekeningen bij aspecten van de modernisering, bijvoorbeeld waar het tegen grenzen oploopt van wat de wereld aankan. Een noodzakelijke nuancering. We moeten maat houden. Naast geweldsbeperking is begeerteregulering nodig (over die begeerteregulering wil ik nog een blog schrijven, genoeg is genoeg). Maar modernisering is ook onderwijs, geletterdheid, urbanisatie, welvaart, sociale mobiliteit, meritocratie, lhbt-rechten, emancipatie.

Er is veel verzet tegen modernisering. Achterhuis en Koning benoemen de aard van dat verzet als orthodox-religieus, conservatief of populistisch. De bespreking van de eerste raakt bijvoorbeeld aan de actuele situatie in Syrië en Irak en die van het conservatisme en populisme is denk ik ook herkenbaar in de reacties op de vluchtelingenproblematiek en het referendum over de versteviging van de banden tussen Oekraïne en de EU.

Maar goed, dat is mijn kijk op de lijn in het boek van Achterhuis en Koning. De Kunst van het Vreedzaam Vechten. Aanvankelijk dacht ik: is dat echt wat we doen in onze westerse beschaving: vreedzaam vechten? Is de moderne samenleving die Achterhuis en Koning beschrijven niet een utopie? Worden tribale samenlevingen niet te gemakkelijk af geserveerd? Zoeken ze in het boek misschien vooral bevestiging voor de stelling dat we zijn geëvolueerd van een verticale naar een horizontale samenleving?

Ik heb daar voor mezelf antwoorden op gevonden, maar lees het boek vooral zelf. Dan zie je nog veel meer en veel beter. En dan leer je echt een hoop.

Licht op Spinoza

Hoe zou Spinoza denken over de wereld van vandaag? Misschien zou hij wel vinden dat we tijden van verduistering beleven in plaats van verlichting. Ik ben deze maand helemaal in Spinoza. Boeken gelezen, met Spinozakenner Miriam van Reijen gesproken, hoorcolleges beluisterd, zijn Ethica opengeslagen en nagedacht over wat hij nu eigenlijk zei.

Vijf keer Spinoza

1. Benedictus

Benedictus, daar houd ik het op, niet Baruch. Natuurlijk, Spinoza’s vader was een sefardische jood, gevlucht uit Portugal. En hij was joods opgevoed, maar in 1656 werd hij, 24 jaar oud, uitgestoten uit de joodse gemeenschap. Hij gebruikte daarna zelf zijn Latijnse naam Benedictus. Over zijn leven staat weinig vast, zijn biografie is snel verteld. Maar de jaren van zijn leven (1632 tot 1677) waren hectisch. Rembrandt en Vermeer maakten hun schilderijen en na het einde van de oorlog met Spanje in 1648 ontstond er een tweestrijd tussen prins- en staatsgezinden. Moest Willem II het land besturen of moest Nederland een republiek worden? Het was de tijd dat in Nederland de VOC ontstond, een grote handelsorganisatie die grote rijkdommen uit de koloniën haalde, en in Den Haag werd een politieke moord gepleegd. Misschien wel de eerste van de geschiedenis. Het waren ook de beginjaren van de Verlichting. Spinoza deed het licht aan. Benedictus.

spinoza

2. Vrije wil is een illusie

Dat Spinoza het bestaan van de vrije wil ontkent, ligt voor veel mensen lastig. Maar de meeste neurowetenschappers herkennen het wel. Als je meer over de werking van de hersenen zou weten, kun je gedrag voorspellen, verwachten ze. Ze zijn het vaak ook wel eens met Spinoza dat je geen onderscheid moet maken tussen lichaam en geest. Alles is één. Dat alles dan een oorzaak heeft, zoals Spinoza stelde, willen veel mensen nog wel aannemen, maar dat dit betekent dat je keuzes helemaal niet zo vrij zijn, ligt moeilijk. Het lijkt of je mensen daarmee iets van hun vrijheid afneemt. Vrije wil en vrije keuze staan in onze geïndividualiseerde samenleving immers in groot aanzien. Niemand hoeft voor ons te kiezen, dat doen we zelf wel. Dat idee. Op school kiezen we wat we wanneer willen leren, we kiezen zelf op wie we verliefd worden en niemand heeft het recht om mijn leven te sturen. Maar je keuzes blijken achteraf helemaal niet zo verrassend, want je koos wat jij op het moment van ‘keuze’ goed of het beste vond. Jouw ideeën over ‘goed’ en ‘het beste’ komen niet zomaar uit de lucht vallen.

3. God zit in alles

Ik ben niet gelovig, maar het godsbeeld van Spinoza vind ik prachtig. Hij ontdeed God van alles wat we hem als mensen toegedacht hadden. God is oneindig, dat bleef zo bij Spinoza, maar hij is geen persoon op een zetel in de hemel die luistert naar jouw gebeden en dan ingrijpt. Dat kan helemaal niet, volgens Spinoza. Luisteren naar jouw gebed en ingrijpen in de loop der dingen zou betekenen dat God ingrijpt in de wetten van oorzaak en gevolg, de wetten van de natuur. Onzin. Net zoals wonderen onzinnig zijn. Je begrijpt niet wat er gebeurt omdat je de oorzaak niet kent. En goed en kwaad hebben niets met God te maken, maar alles met opvattingen van mensen. Het godsbeeld van Spinoza leidt verder tot bescheidenheid. Je bent als mens niet het centrum van het universum, degene waar het allemaal om draait en waar zelfs God naar zou luisteren, maar slechts een manifestatie van de oneindige natuur. De vraag of Spinoza nu atheïst was of niet, vind ik niet zo interessant. Ik denk dat ieder van de partijen in deze discussie hem graag in zijn of haar kamp wil trekken. Dat was vroeger wel anders. Omdat met name kerk en predikanten veronderstelden dat de ideeën van Spinoza tot afvalligheid zouden leiden, waren zijn boeken tweehonderd jaar lang verboden.

4. Beter leven

Er zit iets therapeutisch in Spinoza’s filosofie, iets van levenskunst. Voor Spinoza ging het uiteindelijk om gelukkig worden. Geluk is niet te vinden in roem of rijkdom, maar eerder in eenvoud. En in inzicht of kennis van hoe het werkt in de wereld. Spinoza begrijpen en navolgen betekent ook dat je negatieve emoties kunt plaatsen. Verdriet, woede, blijdschap, angst of afkeer. Die hebben allemaal net als alles in de wereld oorzaken. Als je begrijpt waar ze vandaan komen, hoef je niet zo te lijden onder de negatieve emoties (boosheid, jaloezie). Dat geeft rust. Je wordt ook een prettiger mens voor anderen en eigenlijk, verwacht Spinoza, wordt het dan gewoon beter in de wereld. De aanpak van Spinoza lijkt wel wat op de rationeel-emotieve therapie.

spinoza4

Beeld van Nicolas Dings in Amsterdam (foto: ton van den born)

5. Totale tolerantie

Vrijheid van denken en spreken was voor Spinoza zelf nog best lastig, want zijn ideeën waren controversieel. Maar wil je een stabiele staat, dan mag je niemand de mond snoeren, vond hij. Democratie is de best mogelijke garantie dat mensen elkaar niet gaan gebruiken. Spinoza maakte zich ernstige zorgen over de bedreiging voor de liberale geest van zijn tijd en over het te grote gezag van de predikanten. Zijn boek de Tractatus Theologico-Politicus, even tussendoor geschreven terwijl hij met zijn hoofdwerk de Ethica bezig was, is dan ook uit nood geboren. De boodschap was vooral dat je politiek en godsdienst moest scheiden en dat de Bijbel, die door mensen geschreven was, niet onfeilbaar was. Een staat moet gebaseerd zijn op rationele en seculiere principes. Leg dat maar eens naast het kalifaat.

Ter afsluiting

Spinoza zou zich misschien ook niet enorm verbazen als hij nu in de wereld zou rondlopen. Hij had een goed inzicht in de aard van de mens. Spinoza’s oplossing is een goede opvoeding. Dat is de weg die leidt tot een gelukkiger leven. Maar het gaat vaak fout omdat kinderen worden opgevoed met vooroordelen en onredelijke normen, ze worden bang gemaakt en er wordt voor hen nagedacht in plaats van dat gestimuleerd wordt dat ze zelf leren nadenken. Het licht gaat pas weer aan met een goede opvoeding, goede boeken en goed onderwijs.

Sartre in de herkansing

Sartre kwam naar Wageningen, dat was tenminste de bedoeling. Hij zou in de tas van Maarten van Buuren, hoogleraar Moderne Letterkunde in Utrecht, naar het zondagse filosofiecafé komen. Sartre, ik heb aardig wat van hem gelezen, vooral omdat hij de partner was van Simone de Beauvoir. Dertig jaar geleden las ik al haar romans, autobiografieën en essays. Ze vertelden me veel en ze raakten me diep. Veel dieper dan Sartre. Waarschijnlijk begreep ik hem niet erg goed.

Een herkansing voor Sartre dus, maar zondag bleek Maarten van Buuren niet in het café. Ook een eerdere keer – toen hij over Nietzsche kwam spreken of Heidegger – liep het mis. Nu stond de afspraak verkeerd in zijn agenda, maar hij kwam alsnog op maandagavond. Niet in het café, maar in een keuken in Bennekom.

“Sartre is een van mijn lievelingsfilosofen”, zei Van Buuren. Hij heeft een voorkeur voor literaire filosofen en literaire kwaliteiten had Sartre volop. Die etaleerde hij bijvoorbeeld in De Walging. “Misschien sprak me dat boek me wel zo aan omdat het gaat over iemand die diep in de put zit. Sartre noemt het woord ‘depressie’ echter niet.” Van Buuren heeft zelf beleefd wat het is om in een depressie te komen.

Hij kwam eruit, misschien kwam Sartre er wel uit door De Walging te schrijven, maar deze week kwam Joost Zwagerman er niet uit. Het is even een zijsprongetje, want de zelfdoding van die man die ik zeer bewonderde, vond ik heel pijnlijk. Zwagerman was de man die voorbeeldig kon bewonderen. Dat kon Sartre ook wel, denk ik. Hij schreef over Genet en Baudelaire bijvoorbeeld. Tot 1952 koos hij geen partij, zegt Van Buuren. “Hij wilde boven de partijen staan.” Maar daarna omarmt hij nogal kritiekloos het communisme van Stalin en later van Mao. “Niet zijn meest glorieuze periode”, vindt Van Buuren.

Zijn filosofisch denken is een ander verhaal. Het is vooral neergelegd in ‘L’être et le néant’. Het gaat over zijn en bewustzijn. En dat is waar Van Buuren begint: bewustzijn. “Je stelt je misschien voor dat het iets is wat in je hoofd zit, maar voor Sartre (en eerder voor Husserl die hem daarin voorging) is bewustzijn altijd bewustzijn van iets. Er zit beweging in, een beweging naar buiten toe. Intentionaliteit.”

Dan zet Sartre de volgende stap. “Niet alleen ‘kennen’ is intentioneel, zegt hij, maar ook ‘zijn’. We ‘zijn’ in de mate waarop we ons buiten onszelf werpen.” Dat is lastig en hier dreigt Van Buuren me kwijt te raken. Hij voert zichzelf op en zegt dat hij dat zelf doet in projecten. Want in projecten, en dat kun je breed zien, kun je je manifesteren. En zolang je projecten hebt – een boek schrijven, iets bouwen, een blog bijhouden – ben je.

“Dus als ik lui op de bank een leeg programma op RTL4 kijk, ben ik er niet” vraagt iemand. “Dat zou Sartre bevestigen”, denkt Van Buuren. “Je moet jezelf ontwerpen. Heidegger zegt ook zoiets: we zijn in het niets geworpen. Daar begint het. We zijn dan in de mate waarin we ruimte innemen. Als je ouder wordt, krakkemikkiger, valt je zijn ook langzaam weg. En in een depressie is het er helemaal niet meer.” Beangstigend, vindt hij, “maar van Sartre word ik juist optimistisch. Zijn manier om het leven zelf vorm te geven biedt je kansen.”
Dan kom je bij Sartre’s beroemde uitspraak dat existentie vooraf gaat aan essentie. Eerst is er ‘zijn’, je bent in het leven geworpen, maar dan moet je zelf keuzes maken, en daarin word je wie je bent.

Dat lijkt een cirkelredenering. ‘Er is niet zoiets als een essentie die je een vooropgesteld levensdoel of richtsnoer geeft’, lees ik in de inleiding. ‘Nee, pas door je verhouding tot de buitenwereld in het bewustzijn, existeer je en kun je iets van je essentie herkennen.’ Je essentie is dan het spoor dat je trekt door het leven, een spoor van vallen en opstaan, successen en falen. Dat hoort allemaal bij je. Simone de Beauvoir zei ook: je bent geen vrouw, maar je wordt vrouw. Dat geef je zelf vorm.
simone-free-to-use
En daarin heb je volledige vrijheid. Goed en fout heeft bij Sartre vooral te maken met dat je keuzes maakt (goed) of die juist ontloopt (fout). Het is het tegenovergestelde van authenticiteit, en het is onwaarachtig als je niet de vrijheid accepteert om het leven zelf vorm te geven. Je bent te kwader trouw als je je verschuilt achter verwachtingspatronen en de rollen die je geacht wordt te spelen omdat je bijvoorbeeld moeder bent, politieagent, journalist. De verstarrende werking van normen in de maatschappij. “Het gaat erom dat je niet wegkruipt in zo’n rol, dat je het laat stollen.”

Het is een mooie gedachte. Volledige vrijheid om het leven zelf vorm te geven, en dat wordt bijna ook een plicht om het leven zelf vorm te geven. Existeren doe je helemaal zelf. Van Buuren praat over een survivaltocht. Je wordt in het leven als op een survivaltocht ergens gedropt, zonder opdracht en zonder doel. Goed, een paar dingen zijn je gegeven, zoals het land waar je geboren bent, maar verder is er absolute vrijheid. Dat is misschien ook een opgave en een leegte. Die leegte proef je in het existentialisme, zoals de filosofische visie van Sartre en ook van Simone de Beauvoir heet. Ik voelde dat waarschijnlijk ook in de romans van De Beauvoir. Ik kan het nu benoemen als leegte, ‘een ontluisterend besef van het ontbreken van een vooraf gegeven essentie’.

Sartre staat daarin tegenover andere filosofen, bijvoorbeeld Foucault, die meer  gedetermineerdheid zien. De keuzes die je maakt, zijn volgens Foucault niet in volledige vrijheid tot stand gekomen. Vrijheid is een illusie, voerde hij en andere filosofen na Sartre aan.

Hoe dan ook, Sartre was een briljant denker, vindt Van Buuren. En ik neem me voor meer projecten te ondernemen en meer te ‘zijn’. Niet op een zolderkamertje, maar daarbuiten. Ik heb het gevoel dat je dan niet alleen jezelf vorm geeft en een plaats in de wereld inneemt, maar ook gelukkiger wordt. Ik denk dat ik zo misschien dichter bij mijn essentie kom.