Categorie archieven: geschiedenis

De wereld na Gaza

Leestijd: 3 minuten

In ‘De wereld na Gaza’ toont de Indiase intellectueel Pankaj Mishra een ander perspectief op Gaza. Het is een rijk boek waar ik denk ik veel uit heb gehaald. Ik las het half november in een week uit. En ik was onder de indruk. Het boek heeft mijn begrip van Gaza en de wereldwijde reacties verruimd.

Pankaj Mishra laat zien in zijn boek hoe de Shoah wordt gebruikt om het beleid van Israël te rechtvaardigen. De Holocaust was lang vooral het morele ijkpunt in het Westen, maar dat geldt niet voor de niet-westerse wereld. Daar is dekolonisatie het belangrijkste referentiekader.

Maar alles ligt genuanceerder en het boek is ook een onderzoek. Wat als je Gaza vanuit beide perspectieven beschouwt? Dat is de inzet van zijn eind 2024 verschenen boek: ‘De wereld na Gaza’.

Het boek neemt de oorlog in het Midden-Oosten als uitgangspunt om de twee verhalen over de geschiedenis naast elkaar te zetten. Aan de ene kant het westerse verhaal over de overwinning op nazisme. En tegelijk ook het failliet van het communisme en de verspreiding van liberaal kapitalisme. Aan de andere kant is er de visie op dekolonisatie en racisme.

Arendt

Beide perspectieven zijn aldus Mishra noodzakelijk om de verschillende reacties op de oorlog in het Midden-Oosten te begrijpen. In een interview in NRC zegt hij: “Er is een lange geschiedenis van genocidaal racisme en geweld in Azië en Afrika, uitgevoerd door westerse mogendheden. Dekolonisatie laat mensen de gebeurtenissen in Gaza begrijpen als onderdeel daarvan. Een groot deel van de niet-westerse wereld ziet Israël als kolonisator van Palestijns gebied, waarbij de Palestijnse vrijheidsstrijd in het licht van de dekolonisatie gezien wordt.”

Mishra bespreekt de lessen die denkers en schrijvers zoals Primo Levi, Hannah Arendt en Jean Améry uit de Shoah trokken. Hij onderzoekt hoe de Holocaust in populaire romans en Hollywoodfilms samenviel met het Israëlische nationalistische standpunt. Maar in de niet-westerse wereld past de Holocaust in een genocidale traditie vanuit de westerse wereld, niet zo uniek en losstaand gewelddadig als het Westen het beschouwt.

Mishra beschrijft ook zijn persoonlijke ontwikkeling, van een fascinatie voor Israëlische helden tot een kanteling nadat hij in 2008 de Westelijke Jordaanoever bezocht en de situatie van Palestijnen onder Israëlische bezetting zag.

Waakzaam

Verwarrend vind ik dan weer wel dat bijvoorbeeld India’s regering aan de zijde van Israël staat. Terwijl India een van die gedekoloniseerde landen is die je in lijn met de analyse van Mishra aan de kant van de Palestijnen zou verwachten. In die zin is de reactie van Zuid-Afrika, dat een zaak aanspande bij het Internationaal Gerechtshof, meer in lijn met het ‘Mondiale Zuiden’.

In de bespreking van NRC wordt de kritiek op Mishra geuit dat hij te veel zou leunen op Joodse en Westerse auteurs. Maar zelf zegt hij daarover dat hij bewust koos voor Arendt, Levi en Améry om ‘het beklemmende gevoel van ongerechtigheid dat ik voelde te verzachten’. “Ik zocht geruststelling bij mensen die zelf, in hun broze lichamen, de monsterlijke terreur hadden gekend … en die besloten hadden permanent waakzaam te zijn tegen de misvorming van de betekenis van de Shoah …” Juist deze auteurs helpen hem om een genuanceerd begrip van de Shoah-betekenis te krijgen, weg van louter nationalistische of exclusieve interpretaties.

Anti-joods

Levi bijvoorbeeld was woedend over hoe Menachem Begin, premier in Israël rond 1980, de Shoah politiek uitbuitte. Veel overlevenden van de Holocaust gingen in de jaren 70, en eerder of later, in het licht van de bezetting sowieso hun zionisme heroverwegen. En naarmate Israël langer Palestijns gebied bezette en haar manipulatieve mythologie creëerde, gingen ze zich meer zorgen maken over de perceptie van joden in de wereld.

Al in 2006 constateerde Tony Judt echter al dat Israëls ‘lang gecultiveerde vervolgingswaanzin niet langer sympathie (opwekt)’. “Israëls roekeloze gedrag en de hardnekkige kwalificatie van alle kritiek als antisemitisch, is nu de belangrijkste bron van anti-joods sentiment in West-Europa en een groot deel van Azië.”

Somber

Mishra schrijft dat de bloedbaden in Israël op 7 oktober 2023 door Hamas bij veel joden de angst voor collectieve uitroeiing hebben aangewakkerd, maar dat het direct duidelijk was dat Netanyahu’s regering dat gevoel van verlies en ontzetting zou uitbuiten.

In zijn epiloog is Pankaj Mishra somber. Hij ziet de wereld na Gaza meer dan ooit als een wereld van tegenstelling, een morele kloof die waarschijnlijk alleen maar dieper wordt. Hij ziet ook dat ‘een steeds grotere groep jonge westerse en niet-westerse mensen met de beschuldiging (komt) dat Israël een hardvochtig koloniaal en Joods-suprematistisch regime is, gesteund door extreemrechtse westerse politici en meeliftende liberalen.’

Over Heerschappij van Tom Holland

Leestijd: 4 minuten

In Heerschappij onderzoekt de Britse historicus Tom Holland hoe het christendom diepe invloed heeft gehad op de westerse beschaving. Ik heb het boek dit weekend uitgelezen. Een boeiende leeservaring waar ik iets meer over wil vertellen. Wat raakte me en wat staat er eigenlijk in het boek?

Die invloed van het christendom was niet alleen binnenskerks, maar drong ook door in onze moraal, politiek, recht, sociale structuren en mensbeeld. Vele van onze ‘universele waarden’, zoals menselijke waardigheid, mensenrechten, mededogen, vrijheid en gelijkheid, zijn geworteld in het christelijke wereldbeeld.

Dat raakt niet alleen ‘het westen’. Kijk bijvoorbeeld naar het hindoeïsme in India. Voor de Britten er kwamen bestond daar geen begrip voor ‘religie’ zoals wij dat kennen, een innerlijk geloofssysteem dat gescheiden is van het seculiere domein van politiek, recht en cultuur. Hindoes waren mensen die oostelijk van de Indus-rivier leefden. Ze deelden rituelen, tradities, tempels en godsbeelden.  

Ik was zo’n dertig jaar geleden in het land en reisde per bus naar of van Delhi. Ik weet nog dat ik in die bus in gesprek raakte met iemand die me vroeg wat ik geloofde. Want, veronderstelde die persoon, het kon toch niet zijn dat je niets geloofde. Je moest toch ideeën hebben over de oorsprong en de zin van alles. Ik zei dat ik christelijk was, maar het voelde of ik niet helemaal eerlijk was. Want, dacht ik, een geloof heb ik niet. Nu weet ik het niet meer zo, na lezing van dit boek.

Hoe dan ook, schrijft Holland, de Britten wilden India begrijpen met de categorieën die zij kenden. Wat geloven deze mensen, vroegen ze zich af. Hoe is hun geloof? Ze bedachten ook het woord hindoeïsme om hun ‘religie’ aan te duiden.

Holland wil aantonen dat de westerse, christelijk gevormde manier van denken zo dominant is geworden dat zelfs mensen buiten het christendom (zoals hindoes) zichzelf zijn gaan begrijpen via die lens. Zoiets is ook bij andere ‘geloofssystemen’ gebeurd.

Slavenmoraal

Nietzsche komt het toneel op in het derde deel van zijn boek, als het over ‘de moderniteit’ gaat, vanaf de 18e eeuw. Daarvoor gaat het over oudheid en middeleeuwen. De oudheid waarin christendom ontstond, was een tijd waarin slavernij vanzelfsprekend was, zwakte werd veracht en er weinig ruimte was voor medelijden met kwetsbaren. De boodschap van het christendom ging daar tegenin. Het ging over een God die gekruisigd werd – typerend voor slaven en een symbool van vernedering en zwakte. Maar die juist triomfeerde in die vernedering. Liefde voor je naasten en zorg voor armen werden morele idealen.

Met de opkomst van het christendom als dominante religie werden de christelijke waarden diep verweven met recht, politiek en cultuur. Zelfs waar de Kerk macht misbruikte of faalde in haar eigen idealen, bleven die waarden bepalend.

In het derde deel laat Holland zien dat ook humanisme, atheïsme, liberalisme, feminisme, en sociale rechtvaardigheid gerelateerd zijn aan christelijke noties van gelijkheid, individuele waarde en morele plicht om het lijden van anderen te verlichten. En dat allerlei culturele uitingen, zoals die van de Beatles (All you need is love, Imagine) of Tolkien (In de ban van de ring), op vergelijkbare waarden zijn gebaseerd. Ook Voltaire en zelfs Nietzsche, die de Kerk fel afwezen, dachten vanuit dezelfde morele basis. En ook bij Live Aid of Black Lives Matter is dat er volgens Holland.

Hij vertelt over Friedrich Nietzsche die zich keerde tegen de ‘slavenmoraal’ van het christendom: de verheffing van zwakte boven kracht en de triomf van het lijden. Nietzsche bewonderde juist de kracht van Grieken en Romeinen. Maar volgens Holland kon Nietzsche zich alleen zo tegen het christendom keren omdat hij er zelf diep door gevormd was. Zijn uitroep dat God dood is, was niet zozeer triomfantelijk als tragisch.

Ik weet niet of Holland Nietzsche helemaal recht doet. Nietzsche had duidelijk zijn twijfels over het geloof in God. Dat geloof deed er volgens hem niet meer zoveel toe in de moderne tijd. Bovendien stelt hij denk ik dat het christendom met haar slavenmoraal en alles een verloochening is van onze instincten, kracht en passie.

Het geloof is volgens Nietzsche een vlucht uit de werkelijkheid en een ontkenning van het leven. We moeten onszelf en onze waarden herscheppen.

Privésfeer

Wat me wel duidelijk is geworden uit het boek van Tom Holland is dat het christendom en haar waarden heel diep in onze samenleving zitten. En dat ik dat voorzover het mensen en minderheden bevrijdt, emancipeert of verheft, niet heel erg betreur. Dat zegt misschien iets over de manier waarop ik zelf christelijke waarden heb geïnternaliseerd.

Dat daar verschillen in kunnen zitten blijkt wel uit dat felle tegenstanders zich vaak verschillend op dezelfde christelijke waarden beroepen. Zo kun je vanuit christelijke waarden tegen abortus zijn of juist vanuit christelijke waarden vinden dat omwille van barmhartigheid en compassie met de situatie van vrouwen abortus toegestaan moet worden.

Boeiend om daarover na te denken. Wat is universeel, hoe denk ik eigenlijk en waar komt dat vandaan? Ben ik ergens misschien toch nog wel religieus?

Ook interessant is wat geloof nu wordt gezien en hoe het vroeger was, voordat er een scheiding tussen een religieus en een seculier domein was. En hoe persoonlijk geloof was of is. Vroeger hadden hooguit de vertegenwoordigers van God op aarde – priesters, monniken, pausen – een directe band met God. Zij begrepen hem en vertelden mensen wat de waarheid was en wat het betekende om te geloven.

Dat veranderde met de Verlichting en helemaal later, in de 20e eeuw. Geloof kwam meer in de privésfeer. Wat je geloofde, bepaalde je zelf. Bovendien kon iedereen een band met God hebben, een persoonlijke zingeving.

Relativeren

Misschien is dat in de islam, jodendom of elders anders. Islam is ook volgens Holland nog steeds een meer allesomvattend systeem waarin geloof, politiek, wetgeving, cultuur en ritueel met elkaar verweven zijn. Ongeveer zoals het jodendom in de oudheid of het hindoeïstische India vóór kolonisatie. Maar in veel islamitische staten, zoals Turkije bijvoorbeeld, is er steeds meer een seculier-religieuze scheiding. Waarschijnlijk onder invloed van de westerse wereld.

Dat geldt ook voor het jodendom dat aanvankelijk net zo een systeem was dat tradities, wetten, voedsel, huwelijk, taal en ook land omvatte. Voor orthodoxe joden is dat systeem misschien nog even sterk als ooit.

Is boeddhisme een religie, of confucianisme? Of zijn dat vooral ethische systemen zonder God? Of projecteren we opnieuw onze westerse blik op deze fenomenen? Bij Confucianisme gaat het niet om een persoonlijke god of om verlossing, maar om respect, hiërarchie, familie, plicht en sociale harmonie; deugd in het sociale leven.

De westerse opvatting van religie houdt tegenwoordig in dat geloof los van politiek en cultuur staat,  dat het vooral een innerlijk proces is, persoonlijk, en dat er een stichter en heilig boek moet zijn. Dat gaat lang niet altijd op. Holland’s boek heeft er misschien voor gezorgd dat ik dat soort dingen beter kan begrijpen en dat ik een anti-christelijke houding kan relativeren.

De keerzijde van de voedselproductie

Leestijd: 9 minuten

Als je over de mondiale voedselproductie praat, gaat het niet alleen over kilo’s en cijfers, over import en export, over zuivel, tomaten, vlees of cacao. Ik had me voor een artikel verdiept in dit onderwerp, maar ik kon lang niet alles kwijt in dat artikel. De wereldwijde voedselproductie is een complex geheel, de rol van Nederland is niet alleen maar een succesverhaal en de roep om zaken anders aan te pakken, wordt luider.

Een gesprek over het mondiale voedsel moet ook gaan over honger, de veranderende voedselvraag en de ongelijke verdeling van voedsel. Zo zijn er nu naar schatting 3 miljard mensen die geen toegang tot goed voedsel hebben en tegelijkertijd 2 miljard mensen met voedselgerelateerde ziekten zoals obesitas. Ik denk ook aan Gaza, waar mensen uitgehongerd worden. Of de klimaatverandering, verlies aan biodiversiteit, degradatie van bodems en waterschaarste; allemaal zaken die voedselproductie kunnen bedreigen.

Het gaat bijvoorbeeld over een toekomst waarbij arbeidsmigranten in de oogst kunnen worden vervangen door robots en de warmte in kassen van geothermie komt. Of ontwikkelingen die al gaande zijn, zoals dat er kritischer wordt gekeken naar afzet op verre landen en er voorkeur groeit voor kortere ketens. Of dat supermarkten zich sinds corona meer richten op bezorgservice.

Het gaat verder over geopolitieke ontwikkelingen zoals de oorlog in Oekraïne. En wat dat betekent voor de voedselhandel. Komt er met Trump een handelsconflict met China en wat betekent dat voor de EU? Het gaat daar allemaal over, maar ik kijk hier vooral ook naar de Nederlandse bijdrage aan de wereldhandel.

Wereldhandel

Nederland importeert veel en exporteert nog meer. In 2022 was volgens CBS de exportwaarde aan landbouwgoederen 122,3 miljard euro (inclusief sierteelt, landbouwtechniek en kunstmest) en import, 88,2 miljard euro. Daarmee is Nederland een van de grootste exporteurs van voedingsproducten. Dat roept de sector trots, maar misschien kun je beter stellen dat we een van de grootste doorvoerlanden ter wereld zijn, bijvoorbeeld dankzij de haven van Rotterdam. Veel van onze dagelijkse voeding komt van ver.

De binnenlandse situatie, met een intensieve landbouw op een beperkt oppervlak, is gegroeid nadat de Nederlandse voedingsproductie na de Tweede Wereldoorlog veranderde. Met specialisatie, schaalvergroting en subsidies wilde de overheid (Mansholt) voor voedselgarantie zorgen. Mansholt kreeg later spijt van het beleid waarvan hij de bedenker was, want het leidde ook tot bio-industrie, mestoverschotten, stikstofuitstoot en concurrentievervalsing.

Nu produceren boeren en tuinders niet alleen voor de nationale consumptie, maar ook voor de wereldmarkt. Volgens emeritus hoogleraar landbouwsociologie Jan Douwe van der Ploeg wordt wereldwijd het grootste deel van het voedsel nog wel geconsumeerd in het land waar het geproduceerd wordt. Maar als er inderdaad 15 procent van de totale wereldvoedselproductie wel een nationale grens passeert, is dat nog steeds enorm veel.

In grote lijnen kun je stellen dat basisvoedsel zoals tarwe, rijst, aardappelen of gierst vooral regionaal wordt geproduceerd. Basisvoedsel betreft de dominante voedingsmiddelen in een cultuur. Je kunt dat voor ons land ook breder zien en denken aan typisch Nederlandse groenten en fruit (koolsoorten, bietjes, prei, ui en appels). Aardappelen produceren we ruim voldoende, maar in Nederland moeten we bijvoorbeeld toch tarwe importeren omdat het grootste deel van de Nederlandse tarweproductie een te laag eiwitgehalte heeft en als veevoer wordt gebruikt.  

Import gaat hier dan met name over gewassen zoals veevoer (mais en soja), tropische vruchten en producten zoals koffie, thee, cacao en suiker. Voor een groot deel daarvan is geen lokale vervanging mogelijk. De productie is daar waar dit het beste kan; waar het land het meeste opbrengt tegen de laagste kosten.

De wereldhandel in voedsel geeft ons dus beschikking over veel voedingsproducten die hier niet worden geproduceerd of kunnen worden geproduceerd. Landen kunnen zich specialiseren op teelten die er het meest geschikt zijn vanwege bijvoorbeeld klimaat en bodem. In theorie zorgt wereldhandel ervoor dat ook in  landen waar voedselproductie lastig is, er vers en betaalbaar voedsel beschikbaar is.

Scheef

Veel dingen zitten echter scheef in de voedselproductie, en dan bedoel ik niet dat dieren in de veehouderij meestal een kort en zeker geen fijn leven hebben. Geen fijn onderdeel van de voedingsindustrie. Denk ook aan de uitgebuite loonarbeiders in de oogst, arbeidsmigranten die het zware werk verrichten, de grote uitstoot aan broeikasgassen (CO2 en methaan) of landen waar soms door misoogsten, ziekten of klimaatverandering kleine boeren met honderden tot opgave worden gedwongen. Grote multinationals winnen blijkbaar altijd.  

Die wereldmarkt ‘leidt tot extremen’, aldus Van der Ploeg. Prijzen zijn soms zo laag dat ze niet opwegen tegen de productiekosten. En soms zijn bepaalde voedselproducten in ontwikkelingslanden te duur voor de lokale consumenten. Dan zie je dat arme productiegebieden worden verbonden met rijke consumptiecentra, schrijft hij. “Zo stromen asperges uit Peru, boontjes uit Kenia, kippenbouten uit Thailand, rundvlees uit Argentinië, varkensvlees uit Brazilië, kerstkonijnen uit China, bestanddelen voor melk uit de Oekraïne en bloemen uit Colombia naar de Europese markten. Er worden steeds grotere afstanden in tijd en ruimte overbrugd.”

Scheef? Kijk dan vooral toch ook naar de vleesindustrie in ons land. Behalve de varkens telt Nederland bijna 100 miljoen kippen, 3,8 miljoen runderen en 1,6 miljoen melkkoeien (in 2022). Jaarlijks worden er in Nederland zo’n 450 miljoen dieren geslacht. Nederland wordt wel de slager van Europa genoemd. Er zijn vooral in het zuiden van het land tientallen slachterijen. De situatie met het oog op voedselveiligheid en dierwelzijn was daar niet best, constateerde de Nederlandse Voedsel- en WarenAutoriteit een paar jaar geleden. Daar proberen ze nu wel iets aan te doen, maar wat mij betreft zou de vleesproductie in Nederland echt radicaal mogen krimpen.

Ons land produceert van verschillende producten dus veel meer dan we zelf gebruiken (zoals tomaten, zuivel of ja, kalfsvlees) en van andere producten weinig of niets. We leggen voor de productie in ons land ook beslag op veel grond buiten onze grens, bijvoorbeeld voor hout en veevoer.

En zoals ik al schreef zijn we een doorvoerland. Een deel van het voedsel dat binnenkomt wordt dan hier bewerkt of verwerkt. Verschil zit erin dat bewerking gaat over omzetten van grondstoffen naar eetbaar voedsel en verwerking gaat bijvoorbeeld over toevoegen van conserveringsmiddelen of het pasteuriseren van melk. Zoals productie plaatsvindt waar dat het beste kan, geldt dat ook voor de verwerking. Het gebeurt bij voorkeur waar bedrijven de beste kansen en mogelijkheden hebben, bijvoorbeeld vanwege aanwezige kennis, locatie of het vestigingsklimaat voor bedrijven. 

De voedingsindustrie in ons land verwerkt geïmporteerde grondstoffen en voedselproducten en exporteert bijvoorbeeld chocolade, bier of kaas. Met andere woorden: in Nederland gevestigde voedingsbedrijven voegen waarde toe. Levensmiddelen gaan vervolgens naar meer dan 170 landen in de wereld.

We exporteren en importeren het meest naar onze buurlanden. Duitsland, België, Frankrijk en ook het Verenigd Koninkrijk, ondanks de Brexit op 31 januari 2020. En verder is er veel import vanuit Italië (bijvoorbeeld kaas, pasta, vlees, olijfolie en wijn) en Spanje (groenten, fruit en ook olijfolie en wijn). Export naar Italië bijvoorbeeld betreft zuivelproducten, groenten, fruit en ook weer vlees. 

Sommige producten reizen verder. Ze komen of gaan per boot, trein, vrachtwagen of vliegtuig naar landen buiten de EU, zoals de VS of China. Er gaan niet alleen voedselproducten, maar bijvoorbeeld ook veel bloemen en planten naar de VS. Die bloemenproductie is vanwege een overmaat aan pesticiden om ziekten en plagen buiten de deur te houden een van de meest vervuilende takken van de Nederlandse landbouw.

Handelsakkoorden

Die handel, zeker buiten de EU, gebeurt niet zomaar zoals je iets koopt op de markt; er is nationaal en internationaal regulering. Er zijn wetten, regelgeving en internationale overeenkomsten. Zo gaat de European Food Safety Authority (EFSA) in de Europese Unie over voedselveiligheid. Met normen voor de te importeren voedselproducten. In Nederland hebben we de Voedsel- en Warenautoriteit en is er bijvoorbeeld de Wet oneerlijke handelspraktijken (OHP) in de landbouw- en voedselvoorzieningsketen. Die wet, die op 1 november 2021 in werking is getreden, beoogt de onderhandelingspositie van boeren, tuinders en vissers tegenover grote marktpartijen te versterken.

Er zijn afspraken gemaakt over certificering, inspectie, etikettering en tracering. Wat dat laatste betreft, is er op dit moment (2024) veel ontwikkeling. Zo wordt in de Europese Unie de invoer van producten die bijdragen aan ontbossing verboden.

Binnen de Europese Unie is het makkelijker om handel te drijven omdat de EU een interne markt heeft gecreëerd, zonder tariefbelemmeringen. Er is binnen de EU ook een gemeenschappelijke voedselwetgeving, die bijvoorbeeld over voedselveiligheid en traceerbaarheid gaat.

Om handel met andere landen te vergemakkelijken worden geregeld handelsakkoorden afgesloten, vaak gecoördineerd door de Wereldhandelsorganisatie (WTO). Daarin staan afspraken voor de handel in voedsel. Zo is er CETA (EU met Canada) en het handels- en samenwerkingsakkoord tussen de EU en het Verenigd Koninkrijk. Landen in Amerika kennen Mercosur, binnen WTO, en in Azië bestaat de ASEAN-overeenkomst, buiten WTO. Of ook USMCA, tussen VS, Mexico en Canada.

Dergelijke handelsakkoorden bepalen dan de voorwaarden voor handel in voedselproducten tussen landen. Het gaat over tarieven en allerlei maatregelen om ziektes buiten te houden. Dat zijn zogenaamde sanitaire en fytosanitaire maatregelen (SPS), maatregelen die bijvoorbeeld gaan over voedselveiligheidsnormen, inspectieprocedures, quarantainemaatregelen en veterinaire certificering.

Keerzijde

Het is al gesteld, maar de wereldhandel die zorgt dat je hier in de supermarkten voedselproducten uit de hele wereld kunt kopen, wijn uit Argentinië of kiwi’s uit Nieuw-Zeeland, heeft een keerzijde.

Vroeger waren er de slaafgemaakten die op plantages in de koloniën werkten. Nu kun je bijvoorbeeld denken aan de ecologische gevolgen vanwege het transport (in schepen, vrachtwagens of vliegtuigen), bederf onderweg, de afhankelijkheid van waardenschommelingen door oorlog, corona, Brexit of een handelsconflict. Onze veevoervraag leidt tot ontbossing in Brazilië. En lang niet alle landen profiteren in gelijke mate van de wereldwijde handel. Ze zijn soms heel kwetsbaar voor prijsschommelingen op de wereldmarkt. Het is ook niet goed voor initiatieven om duurzamer te produceren. Boeren met bulkproducten zijn immers overgeleverd aan de internationale markt en kunnen zich lokaal vaak nauwelijks onderscheiden.

Er kunnen dus veel dingen veel beter. Een van de punten die gezien de wereldwijde handel nog beter kan in de voedingsindustrie, naast verminderen voedselverspilling, meer plantaardige voeding en duurzamere productiemethoden met minder chemische bestrijding en kunstmest, is de transparantie en traceerbaarheid. En kennis daarover. Opdat consumenten betrouwbare informatie hebben over herkomst, productiemethoden en kwaliteit. Dat dwingt ook tot betere productiemethoden.

Een ander punt is dat bepaalde kosten (energie, grondstoffen, milieubelasting) beter doorberekend kunnen worden in de kostprijs. En dat consumenten beter voorgelicht kunnen worden over ‘het voedingscircus’ (term van Meino Smit). Met de lengte van mondiale ketens groeit de kloof tussen producenten en consumenten.

Van der Ploeg pleit voor meer boerenlandbouw. Dat is landbouw die gebaseerd is op eigen hulpmiddelen zoals grond, arbeid, dieren, voer, water, kennis en lokale afzetmarkten. Dus niet afhankelijk van verafgelegen grond en markten. Je ziet volgens hem hier en daar al een terugkomst van deze vorm van landbouw.

Als consument kun je veel doen. Kies voor producten die lokaal zijn geteeld. Koop seizoensproducten. Let op duurzaamheidskeurmerken. Koop alleen wat je nodig hebt en verminder voedselverspilling. Eet minder dierlijke producten. Steun de kleinschalige landbouw, regeneratieve landbouw of wat Van der Ploeg boerenlandbouw noemt, landbouwmethoden die meer oog heb voor een verantwoorde productiewijze. Verminder verpakkingsafval en zorg voor minder water- en energieverbruik in de keuken. Steun initiatieven voor eerlijke handel, dus waarbij boeren een beter inkomen wordt gegarandeerd. En ten slotte: lees en informeer jezelf zodat je bewuste keuzes kunt maken in voedsel.

Bronnen: Barbara Baarsma (Nederland voedselparadijs, 2022), Meino Smit (Naar een duurzame landbouw in 2040, 2022), Louise Fresco (Ons voedsel, 2023 en Hamburgers in het paradijs, 2013) en Robert Bridgeman (Stoppen met vlees, 2018). Het Wageningen Economic Research Rapport 2023. Interview met Jan Douwe van der Ploeg in De Gelderlander (21 december 2023), artikel in de Groene Amsterdammer van Mitchell van de Klundert en Frank Mulder (2017), publicatie van Planbureau voor de Leefomgeving over de landvoetafdruk.

Nog iets over multinationals

Multinationale bedrijven (Cargill, Bunge, Dreyfus en ADM, Archer Daniels Midland) bepalen eigenlijk wat er in de voedingsindustrie gebeurt. Deze vier handelshuizen beheersen vaak meerdere stappen in de toeleveringsketen, van landbouw en productie tot distributie en detailhandel. Daardoor kunnen ze kosten verlagen en hun greep op de markt versterken. In een voedselsysteem dat op efficiency is gebouwd, komen zij als vanzelf bovendrijven.

Hun gezamenlijke jaaromzet loopt volgens Mitchell van de Klundert en Frank Mulder (artikel in de Groene Amsterdammer) in 2017 tot wel 250 miljard euro, meer dan sommige landen. Volgens de beide onderzoekers zitten ze nu voor een groot deel in de VS, maar staat de wieg van die voedselreuzen in Nederland, in de 19e eeuw. Toen begonnen ze met overslaginstallaties voor graan langs de spoorlijnen. Vroeger waren er meer handelshuizen, maar nu zijn het met name deze vier. En verder bijvoorbeeld in Azië traders die zich steeds meer manifesteren.

De in 1602 in Nederland opgerichte VOC, die bedoeld was om de specerijhandel op te pakken, zou je als de eerste multinational kunnen zien.

De huidige mulltinationals leveren bijvoorbeeld zaden, kunstmest, landbouwkundig advies, verzekeringen tegen misoogsten en ze zijn vaak ook de afnemers en de verwerkers van de gewassen. Zij hebben een groot netwerk over de hele wereld, concurreren vooral met elkaar, hebben veel kennis over prijzen, verwachtingen en behoeften wereldwijd en bepalen zo voor een groot deel de wereldhandel in voedselproducten.

Cacao bijvoorbeeld. Wil Nestlé of Verkade cacaoboter, dan nemen ze contact op met Cargill of een concurrent. Vervolgens gaat er bericht naar leveranciers in West-Afrika. Bijvoorbeeld exporteurs of coöperaties. Voordat het naar de chocolademakers gaat, verwerkt Cargill de cacaoboter in haar fabrieken.

Zoiets gebeurt ook met veevoer. De multinationals leveren geen maiskolven aan de vleesindustrie, maar verkoopt deze gemalen, als veevoer. Ze controleren ook het grootste deel van de Braziliaanse sojaproductie. Maar hun activiteiten spelen zich in groeiende mate op de financiële markten af. Vanuit de zorg om met schommelende voedselprijzen risico’s te verkleinen en op het juiste moment een deal te sluiten. Speculatie op die financiële markt kan voedselprijzen opdrijven, zoals bijvoorbeeld ook in 2007 gebeurde. Vooral ontwikkelingslanden merkten dat.

Kortom, de boeren met hun vee en voedselproductie, of de coöperaties waarin boeren deelnemen, vormen de eerste stap. Hun producten gaan via transport en handelaren naar de grote handelshuizen en in de volgende stap komt dit bij groothandels, bij de fabrikanten van de voedingsmiddelen (die grondstoffen omzetten in ontbijtgranen of zuivelproducten) en de supermarkten.

En ten slotte bij de consument. De consument die rechtstreeks bij de boer koopt, is een uitzondering. De handelshuizen bepalen met hun in- en verkoop op grote schaal de sojaproductie en de beschikbaarheid van goedkoop veevoer in Nederland. Zij zitten zo eigenlijk achter de bio-industrie en het goedkope bulkvlees in de supermarkt. Maar ze blijven erg onder de radar. Weinig consumenten weten van hun bestaan, laat staan wat ze doen.

De machtsconcentratie is risicovol. Voor deze handelshuizen is het aldus Mulder en Van de Klundert gunstig als we zo veel mogelijk met voedsel over de wereld slepen. En als boeren massaal overstappen op een geïndustrialiseerde vorm van landbouw. Maar is dat goed voor de ongelijke verdeling van voedsel op de wereld, milieu en klimaat?

Groen onderwijs mag veel groener

Leestijd: 6 minuten

Het lijkt erop dat de aoc’s verdwijnen, de naam althans. Aoc’s waren agrarische opleidingscentra, en ze ontstonden in de jaren 90. Vergelijkbaar met roc’s, behalve dan dat aoc’s zich op één sector richtten. De overgebleven aoc’s gaan nu waarschijnlijk beroepscolleges heten.

Ik ben er veel geweest en heb er vaak over geschreven, als redacteur van het vakblad groen onderwijs. Toen ik daar begon, bestonden ze net, die aoc’s, en er waren er nog 21. Nu zijn ze haast op één hand te tellen.

Ach, namen. Eerder had je rijkslandbouw- en tuinbouwscholen. Met de aoc-vorming kwamen de scholen met fantasierijke namen (of namen die minder fantasierijk waren) zoals Elema, ’t Vanck en Agron. Er waren veel namen die naar de regio of hoofdvestiging verwezen zoals AOC Twente, AOC Alkmaar, AOC Zuid-Holland Oost of AOC Veluwe. Je had verder nog landbouwscholen die buiten de aoc-vorming bleven, misschien vanwege identiteit of om andere redenen waardoor ze er niet uitkwamen met de concentratie van scholen in die tijd. Maar de nieuwe namen doken overal in Nederland op.

Prozaïscher

Ik realiseer me dat we voor het vakblad eigenlijk nooit al die namen hebben toegelicht. De namen van toen en van later. Waarom Clusius, Wellant, Helicon, Larenstein of Zone College?

In de beginfase was de naamgeving vaak prozaïscher, zou je kunnen zeggen. De naam ’t Vanck combineerde de beginletters van de verschillende vestigingen: Tiel, Velp, Apeldoorn, Nijmegen, Cuijk en Kesteren. Elema College (in Emmen, Assen en Eelde) heette zo vanwege Jakob Elema (1872-1950). Hij was rijkslandbouwleraar in Drenthe en werd hoogleraar grondverbetering in Wageningen.

Aeres bestaat nog als los geheel, sectoraal. Net als Zone en Yuverta. Maar Clusius zit nu in Vonk en Prinsentuin in Curio. Ik ben het soms echt een beetje kwijt.

Laten we beginnen met deze namen. Aeres, de naam van een nog steeds doorgroeiende onderwijsconglomeraat – tot en met het Friese Nordwin is erin opgenomen – is afgeleid van het woord ‘Aer’. Dit staat in het Grieks en Latijn voor lucht, licht en ruimte. Daarmee staat deze naam symbool voor de verschillende instellingen binnen Aeres en de verbinding tussen kennis op verschillende niveaus.

Zone College ontstond in 2018 uit AOC Oost en Groene Welle. Zone is een woord met vele betekenissen. Terrein, bodem, regio, landschap. In de woorden van de onderwijsinstelling staat Zone voor ‘een plek waar je groeit, waar je over je grenzen heen stapt en waar je je thuis voelt’.

Yuverta, nog niet zo lang geleden (2021) ontstaan uit Citaverde College, het Wellantcollege en Helicon Opleidingen, is een abstracte naam. Met, aldus de scholenorganisatie, associaties naar jij (yu), toekomst (verte) en groen (verde). Dat ‘verde’ zat ook al in het Italiaans klinkende Citaverde. Citta betekent dan stad. Ik weet het niet zeker, maar die naam ontstond in een tijd dat het aoc-onderwijs langzaam steeds minder agrarisch en meer groen werd.

Linnaeus

Reden ook waarom de term aoc een beetje moeilijk was. Het onderwijs was er immers niet meer zo ‘agrarisch’. Het vakblad veranderde van naam en Wageningen University heeft geleidelijk aan elke verwijzing naar de sector geschrapt. Overal werd er steeds meer over ‘groen’ gesproken. Dat ging niet van de ene dag op de andere. Het lag ook best ingewikkeld, groen. Je wilt de landbouwers niet van je vervreemden, vonden scholen. Maar motivatie was dat dit onderwijs behalve over plant en dier toch steeds meer ging over voeding, bloemschikken, leefomgeving en zelfs urban design. 

Nog een paar namen dan. Carolus Clusius, naamgever van een fusie van scholen in Noord-Holland, was een botanist die in 1526 geboren werd in Vlaanderen. Hij speelde volgens Wikipedia een grote rol bij de verspreiding van de aardappel en de tulp in Europa.

Helicon is een mooie naam, maar heeft geen directe relatie met landbouw of groen. Het is een berg in Griekenland die volgens de Griekse mythologie de woonplaats was van de muzen, de godinnen van kunst en wetenschap. De naam werd dan waarschijnlijk gekozen om de verbinding tussen natuur en onderwijs uit te drukken.

Bij Wellant denk ik aan het appelras. Terra verwijst naar aarde of land. En Lentiz zoals de HollandAccent Onderwijsgroep zich in 2008 herdoopte, is afgeleid van lente. Gedacht werd aan de lente als groeiseizoen en de onmiskenbare rol die onderwijs heeft in de groei en ontwikkeling van jonge mensen en hun talenten.

Naamkeuze zegt iets over de kiezers. Als er een vroegere ‘held’ werd genoemd, moest dat toch iemand zijn die onomstreden was. En geen conflict zou oproepen. Witte mannen. Zo zijn er in Nederland geen groene scholen die naar Darwin zijn genoemd, ongetwijfeld de belangrijkste bioloog ter wereld. We kenden wel een Linnaeusschool. In Amsterdam, totdat deze in 2020 vanwege teruglopende leerlingaantallen de deuren moest sluiten.

Linnaeus (1707-1778) is dan een naamgever in dubbele zin. Hij is de persoon die op internet zeker de meeste vermeldingen heeft, want de Zweedse botanist kwam immers met zijn tweedelige benamingssysteem voor flora en fauna. Overal vind je de L. die naar zijn naam verwijst of zijn naam voluit.

Vergeten?

Verder is er Hogeschool Van Hall Larenstein, ontstaan rond 2004 uit het Van Hall Instituut en Hogeschool Larenstein. Van Hall (1801-1874) was botanicus en hoogleraar in Groningen. Hij benadrukte het belang van goed onderwijs en voorlichting aan boeren. En Larenstein is de naam van een landgoed in Velp. Beide namen, zowel Van Hall als Larenstein, werden aangenomen na fusies die je zou kunnen vergelijken met de aoc-vorming voor lager en middelbaar agrarisch onderwijs.

Naast de aoc’s en agrarische hogescholen waren er organisaties rondom de scholen. Denk aan Stoas of Aequor. Stoas (opgericht in 1981) stond voor Stichting tot Ontwikkeling van Agrarisch onderwijskunde en Scholing. Er gebeurde veel, maar uiteindelijk ging het toch vooral om de lerarenopleiding, nu geconcentreerd in Wageningen en onderdeel van Aeres.

Aequor was in 2001 de nieuwe naam voor de organisatie die een brugfunctie tussen onderwijs en bedrijfsleven vervulde. Ontstaan in 1994 uit landelijk organen die tot dan toe ook verantwoordelijk waren voor het leerlingwezen. Daar heb ik gewerkt, en vandaaruit werd ik gedetacheerd naar het vakblad groen onderwijs. Aequor, een fantasienaam, is sinds 2015 opgenomen in SBB, de samenwerkingsorganisatie beroepsonderwijs bedrijfsleven.

(Correctie, Aequor is niet helemaal fantasie, reageerde een oud-collega. Het is Latijn voor zeespiegel. Zoals water en lucht elkaar er raken, raakten bedrijfsleven en onderwijs elkaar bij de organisatie. We noemden ons personeelsblad niet voor niets Periscoop. Daarin konden we dan een blik boven de waterspiegel werpen.)

Dan hebben we alle namen nog lang niet gehad. Denk aan Groene Delta, Scalda, Prinsentuin, Curio, Nordwin, Landstede, Edudelta, De Groene Welle, Groenhorst, Warmonderhof en Florens College. Reageer als u vindt dat er nog een naam is die genoemd moet worden en verklaard. Welke ben ik vergeten? Of wat van wat ik hier heb verteld, klopt niet?

Nieuwe naambordjes

Groen onderwijs dus, maar wat mij betreft mag het echt nog veel groener. Want het gaat met biodiversiteit, bodemgezondheid en waterkwaliteit niet goed. Meer aandacht voor duurzame landbouw en weg van de intensieve veehouderij en van kunstmest en krachtvoer. Dat zou goed zijn.

Waarom? Dat vergt misschien uitleg (of misschien ook niet). Maar wil je iets over de argumenten weten, lees dan bijvoorbeeld Uit de shit van Thomas Oudman, gezamenlijk op school of luister naar een ‘goed gesprek’ van Lex Bohlmeijer met Roos Staat, aankomend boerin. Dan realiseer je je dat we al honderd jaar achteruit boeren, steeds intensiever en grootschaliger. Met hulp van bijvoorbeeld de Rabobank die investeringen van biologische boeren tegenhield, want het zou niet genoeg opbrengen. En van het onderwijs, want ja, “we moeten toch ook de ‘gangbare landbouwers’ opleiden.” Voor zoals nu wel blijkt, een doodlopende weg.

Transitie, bodemkwaliteit, plantaardige eiwitten en klimaatadaptatie zijn onderwerpen die thuishoren in dit onderwijs. Hoe zal het dan gaan met dit groene onderwijs? Verwachting is dat het aantal mbo’ers sowieso daalt, maar bij aoc’s nog iets harder. Ondanks de groene insteek en het overduidelijke belang van vergroening in landbouw en leefomgeving.

Ik heb nog wel enkele naambordjes voor groen onderwijs. Voor nieuwe scholen die onder deze naam een nieuwe generatie zou willen aanspreken. Kate Raworth (bedenker van doughnut economics), Maria Sibylla Merian (die volgens Onbehaarde apen misschien wel de eerste ecoloog ooit was), Frans de Waal (die mensen heeft geleerd anders naar dieren te kijken), Greta Thunberg (die vele jongeren inspireerde tot inzet voor een duurzame toekomst) of Jane Goodall (icoon voor hoe samen te leven met dieren en zorg te dragen voor de natuur).

Of misschien kun je gewoon een paar gangen, lokalen en ruimtes in je school hernoemen naar deze helden.

Wonder women

Leestijd: 5 minuten

In Stephen Fry’s boek over Troje ben ik aangekomen bij het moment dat de Amazonen zich in de strijd om de stad werpen. Ze intrigeren me, die Amazonen. Misschien wel omdat je ze als vroege genderbenders kunt zien. Vrouwen die zich in de oorlog tussen de mannen voegden.

Dat is vaker gebeurd. Lees bijvoorbeeld het prachtige boek van Svetlana Aleksijevitsj, de Wit-Russische schrijfster die in 2015 de Nobelprijs voor literatuur kreeg. Ze schreef De oorlog heeft geen vrouwengezicht. Voor dit boek sprak ze vrouwen die tijdens de Tweede Wereldoorlog in het Rode Leger vochten. Vorig jaar zag ik Beanpole, gemaakt over dat boek. Wat een boek, en wat een film!

Aleksijevitsj liet zich horen in de protesten tegen president Loekasjenko, die bij verkiezingen in 2020 de oppositie bij voorbaat uitsloot. “Vertrek voor het te laat is”, zei ze tegen Loekasjenko, “voordat u mensen in een vreselijke afgrond stort.” In Wit-Rusland lieten heel veel vrouwen zich horen in de protesten.

In een podcast (The Exploress) hoorde ik over de vrouwen die zich als man verkleedden om in 1862 in de Amerikaanse burgeroorlog mee te vechten. Van ongeveer vierhonderd vrouwen is bekend dat ze zich heimelijk onder de soldaten begaven. Lang geleden. Maar slechts een paar jaar terug nog streden in koerdisch Syrië vrouwen mee tegen het regime van Assad.

Trojaanse oorlog

Ik denk niet dat de vrouwen in de Amerikaanse burgeroorlog naar de Amazonen in de Trojaanse oorlog hebben gekeken. Die Amazonen waren ruiters die misschien door hun uitrusting niet direct herkenbaar waren als vrouwen, maar zich niet verstopten. Hun deelname aan de strijd was niet zo omstreden zoals die van de vrouwen in de Amerikaanse burgeroorlog. Genderrollen lagen in de 19e eeuw daar blijkbaar veel vaster.

Oké, Troje. De strijd rond Troje zou zich rond 1200 voor Christus hebben afgespeeld. Tien jaar lang. Homerus schreef erover in de Ilias. De Grieken belegerden de stad aan de uiterste westkust van wat nu Turkije is.

Aanleiding was de ontvoering van Helena door Paris. Paris was de zoon van de Trojaanse koning, Priamos. Verliefd op Helena, vrouw van Menelaos, de koning van Sparta. Die Menelaos kon dat niet laten passeren en vroeg bijvoorbeeld Achilles, Odysseus, Agamemnon en Nestor mee. Allemaal koningen. Met duizenden schepen en tienduizenden manschappen trokken ze op naar Troje. Maar Priamos had daar voorbereidingen getroffen, de stad versterkt en hulp geregeld.

Penthesileia

Jarenlang was er een impasse, totdat uiteindelijk in het negende jaar van de belegering de strijd losbarstte. Er vloeide veel bloed, maar Fry vertelt het verhaal op een manier dat je het toch niet helemaal rood voor ogen wordt. Er was ook liefde, lust, verraad, list, moed en achterbaksheid. De goden bemoeiden er zich soms mee, Apollo bijvoorbeeld, de god van de boogschutters, en Pallas Athene. Die goden konden bijvoorbeeld een speer sturen in de gewenste richting of een dichte mist oproepen als twee vijanden elkaar achterna zaten rondom de muren van de stad.

De Amazonen waren twaalf prinsessen onder aanvoering van Penthesileia. In een voetnoot schrijft Fry dat veel mensen denken dat de naam van prinses Leia uit Star Wars is afgeleid van die naam. Penthesileia was de dochter van de goddelijke Ares en de jongere zus van Hippolyte, de grote Amazonekoningin. Ja, veel namen, maar wel mooie namen.

De twaalf strijdsters kwamen uit het oosten. Ergens van de kusten van de Zwarte Zee waarschijnlijk, niemand weet het zeker. Maar ze waren ongetwijfeld woest en dapper. Ze gaven de Trojanen moed, zeker ook de vrouwen die tot dan toe alleen maar hadden toegekeken vanachter de hoge muren. Ze wilden wel meevechten met die dappere vrouwen op paarden, maar de priesteres Theano waarschuwde hen dat ze niet zo geoefend waren als de Amazonen. Dat zou alleen maar tranen opleveren.

De dood van Penthesileia, Johann Heinrich Wilhelm Tischbein (1751-1829)

Alvorens te sneuvelen, doodden Penthesileia en haar mede-Amazonen vele strijders aan Griekse zijde. Podarkes bijvoorbeeld, de broer van de koning van Phylake. Maar uiteindelijk overleven ze het niet. Verdrietig!

Amazones en Amazonen

Na de strijd rond Troje zijn de Amazonen niet verdwenen. Ze duiken steeds weer op. Je komt ze tegen op Griekse kunstwerken. Ze geven hun naam aan de Amazonerivier in Brazilië. En op Wikipedia lees ik dat tot de 18e eeuw er rond de Zwarte Zee nog vrouwen leefden die zich kleedden in mannenkleren, paard reden en naast mannen in de oorlog vochten.     

Nee, hoorde ik laatst een onderzoeker stellig beweren. Die naam (het Griekse a-mazos betekent ‘zonder borst’) is vast niet omdat ze een borst lieten verwijderen om beter te kunnen boogschieten. Je kunt wel andere naamafleidingen verzinnen. Dit is een van de vele verzinsels rondom de Amazonen, zei ze.

Ze zouden de eersten in de geschiedenis zijn geweest die paarden temden en bereden. Bedenk dat we paardrijdsters vaak amazones noemen, net iets anders dan Amazonen. Die mythische vrouwen zaten dan vast niet in zo’n schrijlingse amazonezit. Die zit paste bij de jurkenmode uit de 19e eeuw.

Wonder Woman

Fry schrijft het niet, tenminste niet in dit boek, maar de Grieken waren doodsbang voor de geesten van de verslagen Amazonen. Ze vochten ook na Troje geregeld met hen, maar ze bouwden nadat ze hen verslagen hadden heiligdommen en brachten offers. Wel aardig om te lezen dat de Amazonen dus ook na hun dood nog gevreesd werden.

Voor Achilles, de ‘held’ die Penthesileia doodde, krijg ik intussen met elke bladzijde van Fry dubbeler gevoelens. Hij is dapper en wreed, hij is mooi en wispelturig. En ja, Achilles (Achilleus bij Fry) is de man van de achillespees, zijn enige zwakke plek nadat hij in de Styx is gedoopt. Bij het begin van het Troje-verhaal, als Menelaos medestrijders zoekt, is hij onvindbaar. Verkleed als meisje zit hij tussen de dochters van Lycomedes. Zijn moeder, Thetis, wilde niet dat hij meedeed aan de Trojaanse Oorlog, want volgens het orakel zou hij er sterven. Dat gebeurt uiteindelijk toch – het orakel krijgt altijd gelijk – omdat Paris hem met een vergiftigde pijl in zijn hiel treft.

Filmposter Wonder Woman (2017)

De Amazonen nog even. In de Griekse mythen zijn er verschillende vrouweneilanden waar Amazonen zonder mannen leefden. Alleen als ze kinderen wilden, zochten ze contact met naburige mannenkolonies. Dat verhaal heeft ook weer vele verhalen geïnspireerd, zoals Wonder Woman. Die Wonder Woman is een Amazoneprinses, dochter van Hippolyte. Maar in de film uit 2017 wordt ze door de bedenker van deze superheld naar de Tweede Wereldoorlog gehaald. En bij het begin van de film spoelt er een man aan op het eiland waar deze prinses training krijgt in paardrijden, boogschieten en nog veel meer.

Zoveel mooie en inspirerende verhalen, maar de vraag blijft of ze echt bestaan hebben, de Amazonen. Een Amerikaanse archeologe deed onderzoek en vond in 1994 een grafheuvel, ergens dichtbij Kazachstan, waar zo’n 2.500 jaar geleden een krijgsvrouw werd begraven. Een Amazone?

Degenderen van mode bij ‘State of Fashion’

Leestijd: 5 minuten

De strijd tegen gendernormen in de fashionindustrie is niet nieuw, zegt Alok tijdens een Zoom-meeting van State of Fashion, dinsdag 23 maart. En, vervolgt hen, degendering fashion (afbreken van de binaire categorieën van kleding) gaat niet alleen over trans en non-binaire mensen.

“We zijn in de mythe gaan geloven dat we steeds moeten beantwoorden aan gendernormen”, zegt Alok. Kleding is daar bij uitstek een uiting van. Het zal bevrijdend zijn als we die gendernormen in kleding achter ons kunnen laten, denkt hen. “Degendering fashion doen we niet omdat het politiek correct zou zijn, maar omdat het juist is.”

Voordat ik verder schrijf over het waarom en hoe van degendering fashion, eerst een introductie. Wie is Alok en wat is State of Fashion? Alok (hen/hun) is schrijver, performer en publiek spreker. Hen lanceerde in 2019 #DeGenderFashion: een beweging die genderindeling in de mode- en beauty-industrie wil loslaten. Alok Vaid-Menon schreef twee boeken: Femme in Public (2017) en Beyond the Gender Binary (2020).

State of Fashion

Alok was hoofdgast van een Zoom-meeting van State of Fashion op 23 maart, met als thema ‘loslaten’: over loslaten van gender in kleding. “Een rouwproces”, volgens hen, maar dit loslaten is ook ‘actief verzet tegen geweld’. Veel mensen kiezen met kleding immers eerder voor veiligheid en (gedwongen) opgaan in de groep dan voor authenticiteit. Loslaten is dan ook een manier om “historisch onrecht recht te zetten en hedendaagse rechtlijnigheid, waarbij conventie boven compassie wordt gesteld, af te schaffen.” De wereld wordt er beter van.

State of Fashion is een voortzetting van de Arnhem Mode Biënnale die tot 2013 vijf edities kende. Het ging in die biënnale-events niet zozeer over de economische kant van mode, maar vooral over de culturele, sociale en maatschappelijke invloeden. State of Fashion is nu een platform dat fashionpioniers uit binnen- en buitenland met elkaar verbindt en het bewustzijn vergroot over de ‘huidige uitdagingen in het modesysteem’. Zoals kleding die duurzamer is, rechtvaardiger, inclusiever voor alle lichamen die buiten de standaard vallen, en ook gedekoloniseerd.

Dat verbinden en bewustmaken gebeurt bijvoorbeeld in de ‘interventies’ die sinds oktober 2020 werden georganiseerd. Hier terug te kijken. De vierde, van 23 maart, was de laatste. De volgende activiteit van State of Fashion is de organisatie van een biënnale in 2022.

Intersectioneel verhaal

In de geschiedenis van gender in kleding, dus het onderscheid in meisjes- en jongenskleding, dames- en herenkleding, werkte religie vaak versterkend. Want eh… ‘mannen zijn geen vrouwen, vrouwen zijn geen mannen’. Dat ging als je kijkt naar de christelijke kerk of de islam verder dan de lengte van de rok of de diepte van het decolleté. Kerkvaders hadden vooral veel advies voor vrouwen, zoals matig make-up, weinig kleur, eenvoudige kapsels. Voor alles geen overdaad, want dat zou mannen maar verleiden.

Alok vertelt in de Zoom over ontdekkingsreizigers die van boord stapten en schrokken van blote borsten. Onder het mom van ‘beschaving’ legden ze hun normen op aan de oorspronkelijke bewoners van Afrika en Amerika.

Nu waren er hier ook verschuivingen. Voorheen was fashion iets van de hoogste klassen, het hof tegenover de burgers. Maar vanaf de 19e eeuw ging genderrepresentatie in kleding een grotere rol spelen dan maatschappelijke positie. Feminisering van fashion, kun je misschien wel stellen. Maar de normen leken alleen maar strenger te worden. In steden in de VS bestonden er van 1848 tot de jaren 70 cross-dressingswetten die het strafbaar maakten om kleren van de andere sekse aan te trekken. Vrouwen die broeken droegen, lag moeilijk, en mannen in dameskleding was helemaal ondenkbaar.

Het is een boeiend verhaal, de geschiedenis van gender in kleding. Dan zie je dat kleur bij herenkleding steeds meer verdween, tot alles zwart, grijs of donkerblauw was. De hoge hakken die tot ongeveer de Franse revolutie bij de mannen aan het Franse hof geliefd waren, de pruiken die te zien zijn op schilderijen uit die tijd, de jurken met crinolines en korsetten. Bijvoorbeeld te zien in kostuumdrama’s naar de boeken van Jane Austen of de Bridgertons.

Over die modegeschiedenis zijn vele boeken geschreven en exposities geweest. Ik wil het hierbij laten, maar kort even over de aandacht nu voor dekoloniseren van mode en kledingindustrie. Want koloniën lijken iets van vroeger, maar ze zijn niet echt weg. Kijk naar de grondstoffen voor kleding en de arbeid aan vervaardiging ervan. Die halen we nog steeds vaak uit derdewereldlanden.

Het is, als je ook ziet welke rol ras, gender en klasse speelt in kledingnormen, duidelijk een intersectioneel verhaal. Je kunt niet het ene aspect van de mode-industrie proberen te veranderen zonder de rest te laten liggen.  

Cross-dressingswetten

Maar het thema van de Zoom-meeting is vandaag vooral dat gendernormen soms heel verstikkend werken en dat we daar afstand van moeten nemen. Alok begint in de Zoom-meeting niet voor niets met de moorden en hate-crimes op transgender en non-binaire personen. Veel mensen accepteren blijkbaar niet dat deze personen gender bevragen en de kleren aantrekken die hun passen.

Hen noemt de Amerikaanse mrs. Noonan (of mrs. Nash), die plots erg ziek werd in 1878 en vertelde dat ze begraven wilde worden in de kleren die ze bij overlijden zou dragen. Toen ze haar lichaam tegen haar wil toch aflegden, trokken haar mede-wasvrouwen haar echter de mannenkleren aan waarvan ze toen ontdekten en vonden dat die bij haar lichaam hoorden. Misgendered en ook nog beschuldigd van verraad na overlijden. Begraven in een koloniale genderideologie.

Dit verhaal is te lezen in een essay van Alok. Hen stelt daarin dat de cross-dressingswetten nooit echt verdwenen zijn. Misschien staan ze niet meer in wetboeken, maar ze zitten nog in ons hoofd. Een reden waarom we mode moeten de-genderen. Het essay, vertaald voor deze interventie van State of Fashion, is hier te vinden.

Dan kun je je met Alok afvragen waarom we alles gegenderd hebben: levensloze voorwerpen, kleuren, texturen, stoffen en silhouetten? ‘Waarom is mode, het terrein van ongekende mogelijkheden, experimenten en eindeloze transformatie, ingezet als wapen om de verdeling van miljarden complexe mensen in slechts twee genders te visualiseren (en te romantiseren)? Welke politieke belangen maken het onderscheid tussen een broek en een rok zo uitgesproken en beladen?’

Dragen wat je wilt

Wat doet dat met trans personen? Hun bestaan werd ontkend. Dat van mrs. Noonan. Van Mary Jones, Jeanne Bonnet, Lucie Hicks. Maar zolang als fashion gegendered is, zijn er mensen die zich hiertegen verzetten. Zoals onze transcestors (onze transvoorouders in een term van Alok) die streden voor zelfbeschikking op hun lichaam en het recht te dragen wat ze wilden.

‘Hedendaagse pogingen om gender in mode los te laten’, schrijft Alok, ‘maken deel uit van een lange traditie: van inheemse gemeenschappen over de hele wereld die zich verzetten tegen de koloniale oplegging van westerse kleding tot de Rational Dress Societies van het Verenigd Koninkrijk, tot de Bloomers, tot de uniseksbeweging van de jaren zeventig, en nog veel meer.’ (De Bloomers, dat is de groep van mensen rondom Virginia Woolf en de androgyne Vita Sackville-West, begin 20e eeuw in Londen.)

Alok staat in die traditie, Harry Styles in een jurk op de cover van de Vogue, net als vernieuwende mode-ontwerpers en ook Chromat, een kledingmerk waarvan oprichter Becca McCharen-Tran in dezelfde Zoom-sessie van State of Fashion zat.

We zijn er nog lang niet, denkt Alok. De beweging om kleding te de-genderen is net begonnen. De opdracht aan de kledingontwerpers van vandaag is dan: zet vraagtekens bij de normen, gooi ze overboord, maak je vrij! Dat is de opdracht voor iedereen die daaraan kan, wil, durft bij te dragen: bevraag je favoriete merken en modebedrijven! ‘Hé, waarom blijven jullie je ontwerpen genderen? Welk doel dient dat?’ Want kleden wij onszelf om ons aan te passen aan het idee van hoe mannen en vrouwen horen te zijn of kleden we uiteindelijk onszelf?

Waarom de Bridgertons

Leestijd: 5 minuten

‘The time has come for the social season’, schrijft Lady Whistledown. En daarmee begint niet alleen een periode van dans en flirt, maar vooral ook het verhaal van Daphne Bridgerton. De serie, over de Bridgertons, een Engelse familie in het Regency-tijdperk (1811–1820), kwam met kerst 2020 op Netflix. Het hele eerste seizoen was toen te zien. En Daphne, een van de acht kinderen, is de ster van dat seizoen. Dat vindt niet alleen Lady Whistledown, maar ook de koningin.

Waar heb je het over, zul je denken. Wie zijn dat, die Bridgertons? Ze komen uit de pen van Julia Quinn. De Amerikaanse schrijfster schreef negen boeken over de Londense familie en hun entourage. De ouders van de kinderen Bridgerton noemden hun vier zoons en vier dochters volgens het alfabet, makkelijk te onthouden. Anthony is de oudste, Daphne de vierde en Hyacinth…, duidelijk niet?

Historicus

Bridgerton doet me denken aan Jane Austen (1775-1817). Met alle aandacht voor het huwelijk als hoogtepunt van het leven, een arranged marriage of, als het toch eens kon, een love marriage. Er is veel aandacht voor alle romantische en amoureuze verwikkelingen, de roddel en competitie om de beste huwelijkskandidaat, de baljurken, kostuums en haardracht, dansen, de sfeer.

Ik heb een podcast gehoord waarin een historicus werd geïnterviewd die adviseerde over de details uit die tijd van George IV (regent voor zijn zieke vader, vandaar de Regency). Hoe zag het eruit en hoe ging het eraan toe in de Londense ‘ton’? Ton verwijst naar stijl en etiquette: le bon ton. Het gaat in de serie ook puur om de high society. Le beau monde, een samenleving waarin de regels behoorlijk strak waren. Vooral vrouwen hadden nauwelijks ruimte. Niet in hun corset en ook niet daarbuiten.

Ze werden zodra ze op huwbare leeftijd waren, zeventien of zo, gepresenteerd op het hof. Daarmee begint ook de eerste aflevering. Daphne gaat met haar moeder op audiëntie bij de koningin. En die ziet het wel zitten met haar. Daphne is, zoals gezegd, de ster van het seizoen. Maar Anthony, die de rol van de afwezige vader op zich neemt, schermt haar af. Niemand is goed genoeg voor haar. De duke, een vriend uit zijn studententijd, nog het minst.

Het draait dan helemaal om de bals. Want ongeveer alleen daar, tijdens het dansen, kunnen vrouwen een huwelijkskandidaat leren kennen. Maar meer dan twee keer dansen met dezelfde man betekent dat de roddels losbarsten. De hele ‘ton’ kijkt immers mee. Hoe zie je eruit in je baljurk, hoe zijn je danspassen, hoe onhandig sta je op iemands tenen, hoe deugdzaam ben je eigenlijk en hoe close met je danspartners?

Lady Whistledown

Uitermate boeiend hoe Daphne en Simon, de Duke of Hastings, om elkaar heen draaien. De hoofdlijn, maar er zijn nog allerlei zijlijntjes. Zo is er de familie Featherington, met drie huwbare of bijna huwbare dochters. Let op de jongste, Penelope; Pen voor haar beste vrienden. De Featheringtons hebben ook nog een nichtje, Marina, die zwanger blijkt. Maar waar is de vader? Het schandaal als uitkomt dat ze zwanger is voordat ze aan de man is, zal enorm zijn.

Pas dan op voor Lady Whistledown. Zij pent een roddelblad vol over alle ontwikkelingen in de ton. Ze hoort alles, kent iedereen, weet elk detail. Natuurlijk ook dat van Marina. Maar niemand weet wie Lady Whistledown is.

De uitgelaten stemmen van Gregory en Hyacinth, de twee jongste Bridgertons, doen me soms denken aan The Sound of Music. Of zou het de stem van Julie Andrews (85) zijn? Zij leest de teksten van Lady Whistledown voor. Eloise, een paar jaar jonger dan Daphne en de boekenwurm van de familie, is vastbesloten haar identiteit te ontdekken. Samen met haar vriendin Pen. Een weduwe of iemand van het personeel? Nee, die hebben het zo druk, dat lukt nooit. De modiste dan, de Franse couturière, die alle jurken voor de ladies maakt? We ontdekken het in de laatste aflevering van het seizoen.  

Ariana Grande

We moeten het even hebben over de bijzondere casting, een toppunt van diversiteit. De zwarte acteurs zijn hier te vinden in de top van de society. Of dat historisch wel klopt, is helemaal niet relevant. En, bedenk ik me, als vijfhonderd jaar geleden de slavenhandel niet begonnen was – waarvoor we echt steeds opnieuw excuses moeten maken – had de society er misschien wel zo uitgezien. Met de duke, lady Danbury, queen Charlotte (vrouw van George III) en al die anderen kleurrijke mensen.

Een beeld van de serie. Er zit een strijkje in een hoek. Ze spelen een strijkkwartet, en als je goed luistert, hoor je er een verklassiekt deuntje van Ariana Grande, Billie Eilish of Maroon 5 in. Op de dansvloer zie je hoogopgestoken kapsels en Regency-jurken. De dames en heren draaien om elkaar heen in een quadrille of een cottilion. Ingewikkelde patronen, waarbij je soms je partner uit het oog verliest en je dan plots voor een ander staat.

Maar natuurlijk gaat het daar niet om, of soms wel. De bals vormen de perfecte enscenering en achtergrond voor alle verwikkelingen. Net als het kasteel, Clyvedon, waar Daphne en Simon intrekken. Daphne nog enorm onwetend over wat er van haar verwacht wordt, want wat doet een hertogin, hoe is haar relatie met het personeel in het kasteel en met het volk in het dorp dat bij het landgoed hoort? En ook, wat is seks eigenlijk en hoe maak je kinderen? De kinderen die de duke absoluut niet wil en zij hartstochtelijk wel.

Liefdeshuwelijken

Ik moet niet te veel vertellen; ga kijken, als je wilt. Maar nog één ding. Liefdeshuwelijken, want daar lijkt het bij de Bridgertons om te draaien. En dan niet alleen de periode tot het huwelijk gesloten is, zoals bij Jane Austen, maar vaak ook nog daarna. Hoe gaat het in het huwelijk?

Liefdeshuwelijken waren in de geschiedenis niet altijd vanzelfsprekend. Zelfs in de Regency-tijd bleven sociale status en economische veiligheid van vrouwen een behoorlijk bepalende factor. De moeders – kijk naar lady Featherington – deden alles opdat hun kinderen ‘goed’ trouwden. Als er dan liefde was tussen man en vrouw, was dat mooi meegenomen, maar dat was zelden de doorslaggevende reden. Die liefde tussen man en vrouw zou zich ook na het (gearrangeerde) huwelijk kunnen ontwikkelen.

Stephanie Coontz, een Amerikaanse historica, schreef het essay ‘The Radical Idea of Marrying for Love’. “In de geschiedenis was liefde zelden de belangrijkste reden voor het huwelijk”, stelt ze. Maar dat begon voorzichtig in de knop te komen in de 14e eeuw, bloeide rond 1700 en kreeg vanaf eind 18e eeuw de wind mee.

Voor die tijd dachten mensen blijkbaar anders. Liefde kon je eerder verwachten tussen de man en zijn minnares of de vrouw en haar geliefde, dacht Capellanus. Hij was in de 12de eeuw de auteur van De amore. Niet tussen echtgenoten. Dat kun je geen liefde noemen, vond hij.

In de tijd van Jane Austen en de Bridgertons zitten we in de Romantiek. Dan gaan subjectieve emoties, het spirituele en ook de liefde alle aandacht krijgen. De tijd van Goethe, Delacroix, Turner, Schubert, Wagner. Dan gaan, waarschijnlijk ook omdat de noodzaak van erfenissen en bruidsschatten minder wordt, de overwegingen voor partnerkeuze kantelen. Mensen kunnen immers makkelijker een baan vinden en salaris krijgen.

Een spannende tijd. Die periode en ook de wachttijd tot het volgende Bridgerton-seizoen. Als Daphne en de duke een zijlijntje vormen en we een van de andere Bridgertons kunnen volgen op het liefdespad.