Categorie archieven: reizen

Niet ver van huis

Leestijd: 23 minuten

28 januari 2026 – 10 februari 2026

Deze blog stond oorspronkelijk in mijn Polarsteps, een app waarop je als je op reis bent familie en vrienden kunt laten weten wat je bent en wat je doet. Waarom zou je dat niet doen als je eigenlijk niet zo ver van huis bent? En als je toch elke dag iets anders onderneemt, leest, ziet of meemaakt. Dat heb ik twee weken lang gedaan. Ik zocht er elke dag ook vijf foto’s bij, niet altijd zelfgemaakt, maar wel toepasselijk. Hieronder staat het hele verslag zonder de foto’s.

Een Catalaan – Dag 1

Een groot deel van deze dag was ik in de Hudson Valley, twee uur rijden van New York. Het schijnt er nu erg koud te zijn, maar in het boek van Julia Schoch, Wild van een woeste droom, is het een hete zomer.

De ik-figuur is daar op een schrijverscongres en krijgt iets met een Catalaan. Thuis zit haar man, A. en ze denkt aan de soldaat die ze geregeld ontmoette als jonge tiener. Op een schrijverscongres word je als schrijver geacht te schrijven, dus daar schrijft ze over, over die soldaat. En over de Catalaan en over A. En over de liefde, schrijverschap, verlangens en dromen. Prachtig! Maak deze reis, zou ik zeggen.

Ik blijf deze dagen dicht bij huis. En ik reis vooral in mijn verbeelding. De laatste keer dat ik echt in het buitenland was, heb ik twee dagen in Düsseldorf doorgebracht. Vooral in musea, waar ik ook een paar schilderijen van Marie Laurencin bewonder, zie foto. Dat was begin januari en er lag sneeuw op straat.

Daarvoor, in november, was ik twee dagen in Brugge. Polarsteps heeft dat allemaal niet meegekregen.

Het boek van Schoch wissel ik af met de markt om noten te kopen en de bieb. Ik ga erheen omdat ik een boek dat ik vergeten was over de uitleenplaat te halen, alsnog officieel te lenen. Straks naar ballet.

Plots dondert de post op de mat bij de voordeur. Er zit een boek in zonder begeleidend schrijven. Maar niet helemaal een verrassing, want ik had het boek ‘Niet zonder mijn broer’ van trans man Han van Wieringen aangevraagd om er een boekbespreking over te schrijven voor Transgender Netwerk. Van Wieringen vertelde zondag bij VPRO’s boeken over zijn boek. Over een paar weken kunnen jullie waarschijnlijk mijn bespreking online lezen. Ik ben benieuwd naar het boek.

Zeemeerminnen – Dag 2

Ik heb vanochtend vroeg al ruim twintig kilometer gefietst. Op de spinningfiets bij sportschool MyLife. Polarsteps heeft geen meter verplaatsing op de tracker gedetecteerd.

Er ligt sneeuw. In Wageningen is vannacht een paar centimeter sneeuw gevallen. Op de weg is het door strooizout veranderd in smurrie. Door die smurrie ben ik ook naar het Schip van Blaauw gefietst, een gebouw waar je vroeger colleges en practica plantenfysiologie kon volgen, maar waar nu onder meer een kleine uitgeverij zit waar ik over een maand of wat weer een artikeltje voor kan schrijven.

Iets anders. Je zou ook het ouder worden als een reis kunnen zien. Dat is in elk geval een goede metafoor. Je weet niet waar je heen reist, maar je bent al op de dag van je geboorte vertrokken.

En je zou kunnen zeggen dat ik bijna aankom op een nieuwe ‘stop’. Veel mensen van mijn generatie gaan met pensioen of zijn al met pensioen. Ik werk waarschijnlijk nog door tot ik echt 67 ben – 24 december van dit jaar – maar wel extensief. Op dit moment is er erg weinig. De eerste betaalde klusjes komen pas over een maand of wat.

Ik concentreer me dan maar op deze reis, veel lezen – zie mijn lijstje van topboeken gelezen in 2025 – en vrijwilligerswerkklusjes. Bijvoorbeeld voor Transgender Netwerk, waar vandaag een nieuwe boekbespreking is gepubliceerd, check transgendernetwerk.nl/cultuurgids.

Of het Digitaalhuis Wageningen waar ik bezig ben met de website en binnenkort opnieuw met stukjes voor de nieuwsbrief. De website van digitaalhuiswageningen.nl – waar ik beheerder van ben – wordt geïntegreerd met die van de Wageningse bibliotheek, de bblthk.

Nog iets anders. Reisje in het vooruitzicht, want voor volgende week dinsdag heb ik drie tickets gereserveerd voor Lux Nijmegen. Ik ben zeker twintig jaar lang een dagje naar het filmfestival in Rotterdam geweest, maar nu ik een Cineville-kaart heb, heb ik bedacht dat ik het anders ga doen. Ik wil in elk geval eens per jaar een dagje naar een filmtheater waar ik met mijn Cineville terecht kan. Komende dinsdag dus in Nijmegen.

Ten slotte, ik heb hier een plaatje van een zeemeermin geplaatst. Mythologische wezens die me intrigeren. Ze kwamen uit de diepten van de oceaan, gevaarlijk terrein. Zeemeerminnen, die tussen twee werelden leefden, staan voor schoonheid en gevaar. En ook voor onmogelijke liefde en de tweestrijd tussen beschaving en de wilde natuur. Intrigerende wezens!

Frank Govers – Dag 3

In het Stadsmuseum van Veenendaal is nu een expositie die je er misschien niet zou verwachten. Er zijn zo’n vijftien of zestien jurken van de in 1997 overleden modeontwerper Frank Govers te zien. Een paar ervan komen uit de privécollectie van Liesbeth List.

Ik was vanmiddag de enige bezoeker. Een vriendelijke gids vertelde me van alles over de totstandkoming van de expositie (van nabestaanden en bruiklenen) en de handgemaakte jurken van tafzijde, tule, satijn, damast en allerlei opstiksels. Erg mooi!

Eerder vandaag, na de zumba van kwart over 9 tot 10 uur, had ik mijn wekelijkse schilderles. Meestal werken we met gouache, op papier. Maar we hebben niet geschilderd vandaag. We hebben een fantasieportret gemaakt met pastelkrijt, zie de foto.

Fantasie, dus niet nagemaakt van een voorbeeld, maar ik heb wel gekeken naar voorbeelden van ogen, neuzen en monden die we nog hadden liggen. De ogen zijn nog van de vorige keer.

Vanavond ga ik naar Taiwan. Daar is de film Left-handed Girl opgenomen. Te zien in het filmhuis in Wageningen.

Schilder van het slagveld – Dag 4

Een lange wandeling op zaterdagochtend. Zo’n wandeling probeer ik elke dinsdag en zaterdag te maken. Vandaag liep ik van Rhenen over de Utrechtse Heuvelrug naar Amerongen en terug, goed twintig kilometer.

Ik luister dan naar podcasts. Over geopolitiek, films, boeken, filosofie. Van NRC, De Volkskrant, El País, De Groene Amsterdammer, Human en de VPRO. Damn Honey, Ezra Klein of Anne-Maartje Lemereis van Vrije Geluiden. En nu bijvoorbeeld ook naar Stoker, een fictiepodcast.

Soms zie ik mensen weleens meewarig kijken. Waarom loop je door de natuur met zo’n grote koptelefoon op je hoofd? Dan hoor je toch geen vogelgeluiden. Tja, keuzes. Maar meestal knikken ze vriendelijk en groeten ze.

Terug thuis en na de douche lees ik de resterende veertig bladzijden van El Pintor de Batallas, de schilder van het slagveld. Hoofdpersoon en schilder, Andrés Faulques, is denk ik een soort alter ego van de schrijver, Arturo Pérez-Reverte. Die was immers oorlogscorrespondent. In dit boek zitten zijn herinneringen aan de oorlogen die hij heeft vastgelegd, de zinloze wreedheden.

Maar kun je het echt vastleggen? Die vraag bespreekt hij met de Kroatische veteraan Ivo Markovic. Ze doen dat terwijl ze een grote muurschildering bekijken waar Faulques aan werkt, ergens in een oude wachttoren aan de Middellandse Zee. Geïnspireerd door Goya, Breughel en andere kunstschilders. In het schilderij zie je verschillende oorlogen, brand en verwoesting, beelden van Troje, Servië, strijders, slachtoffers, een verkrachte vrouw, een kind.

Markovic is gekomen om een rekening te vereffenen. Hij gelooft dat een bekende foto die Faulques van hem maakte tijdens de Balkanoorlog tot de moord op zijn vrouw en kind heeft geleid. Voor Markovic is Faulques iemand die van andermans leed zijn beroep maakte, een toeschouwer. Verantwoordelijk ook voor de gevolgen van het maken en publiceren van die foto. Eigenlijk gaat het daarover: de confrontatie tussen degene die kijkt en vastlegt (Faulques) en degene die werd bekeken en vastgelegd (Markovic).

Er gebeurt niet veel in het boek. Het is eigenlijk een soort van praatboek, maar wel met veel flashbacks. Bijvoorbeeld naar de oorlogsherinneringen van Faulques die hij deelt met Olvido Ferrara, zijn in de Balkanoorlog gesneuvelde collega, vriendin en minnares.

Ik heb getwijfeld over doorzetten, maar ben toch tevreden dat ik het heb gedaan. Ik denk dat ik dichter bij Faulques sta dan bij Markovic. Vastleggend, hier in deze Polarsteps bijvoorbeeld. Ik waardeer ook de discussies en diepgang in het boek, de gedachten over hoe we geweld en het kwaad proberen te begrijpen en vast te leggen. Een haast onmogelijke opgave en toch heel noodzakelijk.

Nog even iets anders. Ik was vrijdag naar Left-handed Girl. Topfilm, maar het wordt te lang om nog te vertellen waar het over ging. En gisteren zag ik Die my love. Met Jennifer Lawrence als een vrouw die verzinkt in een postpartum psychose. Ook heel goed!

En ten slotte, bij dansgezelschap NDT kon je online kijken naar oude opnames van balletten van de pas overleden Hans van Manen.

Koester je rimpels en doe geregeld iets nieuws – Dag 5

Het bos ligt vol verweesde handschoenen. Het verbaast me wel dat er in de wintermaanden zoveel handschoenen verloren worden. Ik heb er gisteren zeker een handvol geteld. De foto is van een andere wandeling.

Na de spinningles van vanmorgen, zondag, lees ik een boek van emeritus hoogleraar Liesbeth Woertman: ‘Wie ben ik als er niemand kijkt’.

Ze was 68 toen ze het schreef. Het gaat vooral over ouder wordende vrouwen, het schoonheidsideaal, en hun veranderende identiteit zodra vrouwen boven de veertig zijn. Mannen kijken minder naar hen. Het boek gaat over wat ouder worden met je doet.

Identiteit is een centraal thema. ‘Het zelf staat altijd in relatie tot iets of iemand anders’, schrijft Woertman. ‘We zijn intersubjectief. Dat betekent dat we met elkaar verbonden en verweven zijn. En dat we elkaars identiteit bepalen.’ Zoiets is er ook als het gaat om de betekenis van man- en vrouw-zijn, vervolgt ze. ‘We worden als lichaam geboren. Op basis van uiterlijke kenmerken wordt besloten of de baby een jongen of een meisje is. Direct treden er bij volwassenen de blauwe en roze schema’s in werking.’ Simone de Beauvoir is hier niet ver weg. Identiteit.

Er heerst een denker, een bangerd, een vrouw, een sporter, een lezer, een twijfelaar, een schrijver en een bewonderaar in mij. Zoiets schrijft Woertman met andere termen over haarzelf, maar dit slaat denk ik op mij. ‘Ze willen allemaal gehoord worden.’ Al die delen van jezelf. Aan het eind van het leven stort dat volgens haar in.

Ze bespreekt het levensloopmodel van psycholoog Erik Erikson. In elke fase van het leven moet er een evenwicht worden gevonden tussen twee tegengestelde krachten. Ik zit in de fase van ‘openstaan voor verandering versus stagnatie’. Een interessante fase was ook die van de adolescentie (identiteit versus rolverwarring) en straks de ouderdom (integriteit versus wanhoop).

Tips van Woertman: doe af en toe iets nieuws, blijf open en verwonderd. Ze raadt aan om vooral waardig ouder te worden. En wil je op hoge leeftijd een beetje wijs worden, dan moet je vroeg beginnen. Koester je rimpels en durf bij jezelf te zijn, bijvoorbeeld op een bankje bij de rivier, starend naar voorbijvarende schepen. Best moeilijk voor mij, dat laatste, want ik heb altijd het gevoel dat ledige tijd verloren tijd is. Te ongeduldig en ongedurig.

Lieverd, zegt Woertman tegen haar kleindochter Isabella, oud zijn de mensen die niet willen groeien en veranderen. En zoals Simone de Beauvoir zei: oud, dat zijn de anderen.

Tot zover dit boeiende boek. Vanavond komt de finale van Maestro op tv. Welke bekende Nederlander is de beste dirigent? Het is vanavond misschien niet heel spannend, want Jamai steekt ver uit boven de concurrentie. Maar wie weet.

Facisme is terug – Dag 6

In de kleine bibliotheek in Bennekom ben ik vanmiddag begonnen in ‘Dit is Fascisme’, een boek van Rosan Smits. Ze is politicoloog en journalist bij De Correspondent. Ik hoorde haar in gesprek in de podcast van Damn Honey.

Ze laat zien hoe het fascisme opkomt in de VS en in Europa. Ze laat ook zien hoe iemand als Wilders uit het draaiboek van fascisme put. Er zijn veel patronen te herkennen. Bijvoorbeeld in het ondermijnen van de rechtsstaat; van rechters, pers en verkiezingen en in het streven naar autoritair leiderschap. Leiders zoals Trump, Poetin en soms ook Wilders willen ‘het volk’ meekrijgen door ze mythisch verleden voor te spiegelen (MAGA, Groot-Rusland, het grote Duitse Rijk), met propaganda, een alternatieve waarheid, met anti-intellectualisme, complotten en gendernormativiteit. Zo wordt er bijvoorbeeld vanuit het Kremlin gepropageerd dat er in het ‘gedegenereerde Europa allemaal transgenders zouden rondlopen.

Wilders is misschien wat voorzichtiger dan Trump, maar veel van deze fascistische tendensen zijn ook bij hem te zien. Hij zegt te spreken namens ‘de gewone Nederlander’, maakt media en rechtstaat verdacht en heeft een zondebok benoemd, namelijk de Islam en de migranten.

Ik maak me zorgen om de wereld. Boos als ik ICE zie die nu in Minneapolis en andere steden in de VS als knokploeg van Trump fungeert en mensen oppakt en deporteert. En doodschiet. Ik ben ook verdrietig om Gaza, waar de Palestijnen tussen de brokstukken leven (ik zag laatst ook de immens trieste film over het zesjarige meisje, Hind Rajab, die werd vermoord in een auto waar niemand haar kon bereiken).

Ik denk aan Oekraïne in de extreme kou. Iran, waar tienduizenden, vaak jonge mensen die meer vrijheid wilden, in een paar dagen vermoord zijn door de Revolutionaire Garde. En al die andere, haast onoplosbaar lijkende conflicten.

Intussen groeit het fascisme. Tenminste, dat suggereert Rosan Smits. Ze wil vooral een signaal afgeven. En waarschuwen, want denk niet: dat loopt wel los. In Minneapolis zijn ze dat stadium wel voorbij. Je denkt als je over fascisme spreekt misschien aan Hitler en Mussolini, maar het hedendaags fascisme werkt anders. Dat maakt het niet minder aanwezig.

De kritiek op het boek van Rosan Smits is dat het geen diepgravende analyse van fascisme en de werking daarvan is. Dat het wat alarmistisch is, maar je zou het ook als een waarschuwing kunnen zien. Overal in de wereld steekt fascisme (of in elk geval radicaal-rechts) de kop op. Zoals Persis Bekkering in NRC schrijft in een recensie van het boek, ‘daar mogen we terecht bang voor zijn’. Ik vind het behoorlijk verontrustend.

Nog even over de andere foto’s. Vandaag zag ik een koolmeesje, maar die was een dag te laat: gisteren was tuinvogelteldag. Of misschien lag het aan mij, want ik heb het vogeltje gisteren niet gezien. Ondanks mijn lokmiddelen (vogelvoer).

Ik wilde ook een foto van dichteres Sophia Blyden plaatsen. Ze leest daarop een gedicht voor waarin één woord is weggebliept. Dat woord kun je raden. Wekelijks, acht weken lang, een paar keer per jaar. Ik probeer dat ook, op maandag. Kijk op raadgedicht.nl. Niet die foto, maar een paar andere, min of meer poëtische foto’s.

Little Amélie – Dag 7

Ik deed vandaag een Cineville-filmdag in Nijmegen. Drie films kort achter elkaar. Rond 12 uur begon Little Amélie or the character of rain, daarna Nuremberg, en ten slotte The chronology of water. De laatste was om 19 uur afgelopen.

Omdat ik zo’n drie kwartier tijd had ben ik het muZIEum binnengelopen, een museum op een paar honderd meter van filmhuis Lux. Het museum wil mensen laten beleven hoe het voelt om blind te zijn. Die beleving in het museum vraagt wat meer tijd en daarom heb ik alleen de fototentoonstelling bekeken. Met bijvoorbeeld die jongen in een gele blouse die een verwaarloosde staar kreeg.

De eerste film, little Amélie, vond ik het mooist. Heel ontroerend. Maar ook de andere twee waren goed. In de chronology speelde Imogen Poots (foto) een prachtige rol. Veel water in beide films.

Nuremberg ging over de veroordeling van Hermann Göring. Ik schrijf er morgen misschien wat meer over, maar het is nu tien uur geweest. Ongeveer bedtijd.

Veel water – Dag 8

Nog even terug naar Nijmegen. Die blauwe muur op de foto is de muur van de Mariënburg Kapel, naast Lux, het filmhuis waar ik gisteren drie films zag. Ze zitten ook vandaag nog in mijn hoofd.

The chronology of water verloopt net zo chronologisch als water: kolkend, golvend, kronkelend. Misschien zoals het leven verloopt, in elk geval het leven van Lidia Yuknavitch, gespeeld door Imogen Poots in de film van Kirsten Stewart (foto). Het leven gaat kolkend de diepte in als haar vader haar seksueel misbruikt of als ze een kind verliest. De film kronkelt en golft net zo. Mensen zijn vaak maar deels in beeld en af en toe zie je een ultrakorte vooruitblik. Fragmenten die je op scherp stellen. Herinneringen, schreef de echte Yuknavitch in haar memoires, ‘zwellen op en duiken in en uit de enorme zinkgaten van het brein.’ Water zou je kunnen zien als een thema – Yuknavitch kreeg destijds als zwemster een sportbeurs voor de universiteit in Austin.

En veel water zit er ook in de prachtige animatie over de kleine Amélie, een Frans-Belgische film die zich afspeelt in Japan. Je kijkt vanuit het perspectief van een peuter, 1,5 tot 3 jaar oud. Het is gebaseerd op een boek van Amélie Nothomb.

Zoals veel kinderen, misschien wel allemaal op die leeftijd, denkt Amélie aanvankelijk dat de wereld om haar draait. Zij is het centrum van de wereld. Ze is eigenlijk een soort God. De tuin van het huis waar Amélie met haar ouders, broertje en zusje en met Nishio-san, de lieve verzorgster, lijkt kleurig en eindeloos. Zoals een peuter dat zal ervaren.

Pas later leert ze dat de tuin ook grenzen heeft. Terwijl dood en afscheid haar wereld binnendringen, zie je de verandering bij de kleine Amélie. Ze verandert van God in mens en ze leert dat niet de wereld van haar is, maar zij van de wereld. Prachtige film! Ik heb een traantje gelaten.

Heel anders is Nuremberg, die het verhaal van de veroordeling van nazileider Hermann Göring, in oktober 1946 in Neurenberg, wat conventioneler vertelt. Misschien het meest interessant in deze film is dat de Amerikaanse psycholoog die gevraagd is Göring te beoordelen, uiteindelijk concludeert dat hij niet zo anders is als de meeste andere mensen. Hij is charmant, intelligent en grappig, en hij heeft een lieve vrouw en dochter. Dat mensen dan toch voor het fascisme kiezen, zou ook zomaar in de VS kunnen gebeuren, waarschuwt hij. Denk aan mensen zoals Trump? Amerika vond het schandalig dat een psycholoog dat durfde suggereren. Er werd in 1946 niet naar hem geluisterd.

Over de foto’s nog even. Want er zitten er twee bij die ik vandaag maakte bij de werkzaamheden op een van de twee toegangen tot de wijk. Auto’s worden omgeleid en fietsen en voetgangers moeten langs kranen en door de blubber. Links ga je de wijk in (een paar honderd meter in deze straat woon ik) en rechts is de toegang tot de Wageningse campus.

Zo naar het middagfeestje van Ward, ook 66 vandaag. Bijna een halve eeuw geleden kwamen we tegelijk naar Wageningen en nu wonen we op loopafstand.

Femme – Dag 9

Vandaag kreeg ik de originele foto’s van de mensen van Exactitudes toegemaild. Ellie Uyttenbroek en Ari Versluis hadden me gevraagd voor een serie ‘femme’; als man geboren mensen die zich meer of minder als vrouw identificeren van ongeveer 50-plus. Dat was vorig jaar in juni. Ari fotografeerde me op 3 juli in de studio in Rotterdam.

Het boek (Exactitudes, the final edition) kwam uit in het najaar en zondag 14 december was de boekpresentatie. Die zaterdag had er een uitgebreid artikel in de Volkskrant gestaan over het project waar Ellie en Ari 30 jaar aan gewerkt hadden. ‘Femme’ was de laatste van tweehonderd series waarvoor ze steeds twaalf mensen in dezelfde stijl of identiteit bij elkaar plaatsten.

Die serie was afgedrukt in de kleurenbijlage van de krant. Nog steeds gebeurt het regelmatig dat ik mensen tegenkom die vragen: zag ik jou niet in de Volkskrant? De buren, vrienden, de leesclub, zelfs de locatiemanager van de boekhandel in Bennekom (daar kom ik ook best vaak). En een maand of wat geleden herkende iemand me op de foto terwijl we elkaar ruim 35 jaar niet gezien hadden.

Ik kreeg vandaag ook een appje van een Spaanstalige vriendin in Duitsland – niet over die foto. We appen vaak. Ze stuurde nu een link naar een artikel waarin het begrip bananenrepubliek wordt uitgelegd. Ze komt zelf uit Panama.

Het zijn vooral Centraal-Amerikaanse landen die bananenrepublieken werden genoemd. In die landen hadden Amerikaanse bananenbedrijven enorme economische en politieke macht. De Amerikaanse overheid steunde dat, ‘America First’, toen al.

In Guatemala bijvoorbeeld, in 1954, waar een door de CIA gesteunde staatsgreep de democratisch gekozen president Arbenz omverwierp. Hij had landhervormingen aangekondigd die United Fruit zouden kunnen schaden. Dit leidde tot decennia van geweld en mensenrechtenschendingen. Of het bananenbloedbad in Colombia in 1928.

Wat er nu gebeurt aan de overkant van de oceaan, is misschien vergelijkbaar. Maar de betekenis van het woord bananenrepubliek is wel veranderd. Het is nu vaak een woord voor een corrupte of chaotische staat. Ook voor een land als de Verenigde Staten, met name na de Capitoolbestorming van 6 januari 2021. Maar zolang het woord verwijst naar historische machtsverhoudingen, koloniale uitbuiting en verlies van soevereiniteit blijft het een bruikbaar begrip.

Ik ben gisteren begonnen in Malala’s biografische boek ‘Op zoek naar mijn pad’ en vandaag in ‘Mad Honey’ van Jodi Picoult. Meestal lees ik meerdere boeken tegelijk, maximaal drie.

Picoult was in het schooljaar 2024-2025 de vierde meest verboden auteur in Amerika. Zo hypocriet! Met name in Florida werden boeken uit schoolbibliotheken gehaald, vaak op basis van klachten van een enkele ouder die toegaf de boeken niet eens te hebben gelezen. De motivatie in het geval van Mad Honey is dat er een transgender persoon in voorkomt.

Mijn vader is 100 – Dag 10

Over een week, 13 februari, zou mijn vader 100 jaar worden. Een mooi moment om het verleden in te duiken, zijn verleden vooral.

Hij heette Martien, ‘ons pap’. Hij werd geboren in 1926 in Waspik, ging naar de ambachtsschool in Waalwijk en zat daar op school toen de oorlog uitbrak. Hij woonde bij zijn ouders, drie zussen en een broer op ’t Vaartje. Zo heette het kanaal dat de Maas verbond met het centrum van Waspik en ook de weg bij dat kanaal.

Zo’n dertig jaar later fietste ik ook zes jaar lang naar school in Waalwijk. Toen woonden we, met ‘ons mam’, pap en vier kinderen, aan de andere kant van Waspik, tegen Raamsdonk aan.

Mijn vader deed een vakopleiding en werd in 1952 de eerst gediplomeerde meester-carrosseriebouwer van Noord-Brabant. Hij leerde ook vaktekenen. Thuis stond een zware kanteltafel waarop altijd rollen papier waren uitgespreid. Aan die tekentafel zat een draaischijf met graden en linialen. Ik denk dat hij daar ook de ontwerpen van de opbouw van glaswagens tekende.

Hij ontmoette mijn moeder, Corry Jansens, die uit Made kwam en in Waspik op het gemeentehuis werkte. Hij werkte toen op de zaak van zijn vader, mijn opa.

Dat bedrijf, Van den Born Carrosserie, bestaat nu al ruim 140 jaar. Het begon toen Andries van den Born, mijn vaders opa, in 1882 het bedrijf, dat dus nóg ouder is, overnam. En het bestaat nog steeds, groter dan ooit.

Toen overgrootvader Andries overleed in 1918 nam mijn opa het over, en die wilde er misschien ook tot zijn dood mee doorgaan. Die overname gebeurde uiteindelijk toch, in 1963, toen mijn vader, samen met mijn oom Andries de zaak overnam. Mijn opa – die in mijn herinnering meestal dikke sigaren rookte – was op dat moment 75.

Mijn vader wilde moderniseren en tegelijk het bedrijf verplaatsen. Oom Andries ging zijn eigen weg en er kwam een nieuwbouw. Zo noemden we het ook altijd: de nieuwbouw, bij ons achter het huis.

Mijn moeder, die zoals dat toen gebruikelijk was, bij het huwelijk haar baan in het gemeentehuis kwijtraakte, ging de boekhouding doen. Dat nam ze over van mijn oma die dat nog deed, samen met een zus of twee zussen van mijn vader, mijn tantes.

Die nieuwbouw. Ik was te schijterig om als oudste zoon, een jaar of 7, de eerste steen te leggen. Mijn twee jaar jongere zusje was dapperder. Fast forward: Ik heb het bedrijf ook niet overgenomen toen mijn vader overleed in 1987. Dat deed mijn broer, vijf jaar jonger. Maar ik maakte het begin en de groeiperiode wel allemaal bewust mee. Af en toe hielp ik, met vegen of zo, iets waar je met twee linkerhanden en nul technisch inzicht in elk geval geen schade kon doen. Of koffiekopjes klaarzetten als de vier of vijf personeelsleden koffie kwamen drinken aan de ronde tafel in onze keuken. Het zaagsel onder de houtmachine ruimen of kopspijkertjes slaan in bekleding van de glaslatten.

Mijn vader was behoorlijk zuinig, hij bewaarde alles. Niet verrassend misschien omdat hij in de crisisjaren kind was en in de oorlog adolescent. Soms vroeg hij me om kromme spijkers recht te hameren. Ik vond hem streng en kon moeilijk tot hem doordringen. Hij was goed katholiek en kerks. Dat botste toen ik een jaar of vijftien was. In die tijd van verzuiling waren er bubbels die je zou kunnen vergelijken met sociale media en hun algoritmen die vooral laten zien wat je leuk vindt. De verzuiling bepaalde de kranten die je las, de school waar je heen ging, de omroep waar je naar keek en de partij waarop je stemde. Voor mijn vader bepaalde dat zeker ook zijn keuzes.

Op mijn 18e ging ik het huis uit; ik ging studeren in Wageningen. In de weekenden kwam ik naar huis. Soms met ov, soms liftend en soms met een ouderejaars die ook uit Waspik kwam en een auto had. Aanvankelijk kwam ik ongeveer elke week en later steeds minder.

Ik deed stage bij de erosiebestrijding in Murcia, in Spanje, en een van de hoogtepunten was toen mijn ouders daar op bezoek kwamen. Ik wachtte ze op het vliegveld van Alicante op met tranen in de ogen.

Ik zat nog in Spanje toen bleek dat het niet zo goed ging met mijn vader. Kort na terugkeer, in 1984 of 1985, begonnen de chemokuren, maar tussendoor bleef hij werken. Het bedrijf was alles voor hem.

Toch vond ik dat hij veranderde in die tijd. Hoewel ik al jaren in Wageningen woonde en alleen in weekenden thuis kwam, en lang niet alle weekenden, was hij er meer voor ons. Spraakzamer en socialer dan ik gewend was. En ondanks het werk probeerde hij nu toch meer van het nog korte leven te genieten. Ik was erbij toen hij in de nacht van 3 maart 1987 overleed. Met mijn moeder.

Ik weet dat mijn vader het jammer vond dat ik niet meer interesse in het bedrijf had. Het was toch zijn levenswerk. Ik was, denk ik, in die jaren op zoek naar mijn eigen pad.

Mijn vader heeft nog net meegemaakt dat ik afstudeerde in Wageningen. We gingen met z’n allen uit eten in een restaurant aan de Rijn in Rhenen, maar hij had veel pijn in die tijd.

Ik heb me later geregeld afgevraagd wat hij zou vinden van alle ontwikkelingen in de samenleving, de politiek en met ons persoonlijk. Ik weet dat het hem verdriet deed dat ik niet naar de kerk ging. Wat zou hij ervan gevonden hebben dat zijn jongste zoon op mannen valt, zijn jongste dochter met een vrouw samenwoont, zijn oudste zoon trans non-binair is en dat zijn oudste dochter hem drie keer opa zou maken, en voor zijn 100e ook nog twee keer overgrootvader?

Beetje vreemd verhaal voor een reisverhaal, dit stuk. Misschien kunnen we ervan maken dat ik een reis naar het verleden heb gemaakt. In een tijdmachine of zo.

Ik heb net heerlijk in een familiealbum zitten neuzen. Nog moeilijk om er een paar foto’s uit te kiezen, er zijn er zoveel. Ik zal ze chronologisch plaatsen, te beginnen met die van ons pap die waarschijnlijk in 1941 is gemaakt. De Duitse bezetter verplichtte toen dat alle Nederlanders van 15 jaar en ouder een persoonsbewijs met foto hadden.

Mist over de Rijn – Dag 11

In de dans-muziekvoorstelling van LeineRoebana en Black Pencil, gisterenavond in de Junushoff (het theater in Wageningen), was ik in Indonesië. Er deden verschillende Indonesische dansers mee en er werden instrumenten zoals de gamelan bespeeld, allerlei bijzondere blokfluiten, bongo’s en andere percussie.

Soms was de muziek heel ingetogen, met lange klanken waarop de dansers traag bewogen, en soms gingen de musici helemaal los. Ze begeleidden dan een wervelende voorstelling, met voor het dansgezelschap typerende bewegingen en poses. De Japanse Aika Goto danste soms alsof ze als een wajang-pop aan touwtjes hing. De Belgische Timon de Ridder sprak veel teksten, en ook de Portugese Benedita Crispiano danste prachtig. Zij sloegen een brug naar de Indonesische cultuur.

Dat was gisteren nog, maar vandaag ben ik vroeg vertrokken voor een rondwandeling in Renkum, Wolfheze en Oosterbeek, door uiterwaarden, over landgoed Duno en langs kasteel Doorwerth. Er hing mist over de Rijn en boven de weilanden. Later kwam de zon door en werd het eigenlijk veel te warm voor een dikke winterjas.

Podcasts geluisterd natuurlijk. Een van die podcasts ging over de logaritmes van je sociale media. Dat sluit mooi aan op wat ik gisteren over de verzuiling schreef waar mijn vader naar leefde. Die podcast was ook een soort van waarschuwing, want de algoritmes kunnen ook bijdragen aan propaganda en polarisatie. Je ziet immers vaak vooral content die je bestaande overtuigingen bevestigt en versterkt en je ziet nauwelijks andere perspectieven. En daarnaast zijn er staten zoals Rusland en China die sociale media gericht gebruiken om verdeeldheid te zaaien of mensen te beïnvloeden.

Het is een wat springerig verslag vandaag. Excuus daarvoor! Want vanmiddag was ik naar Sinners, die film die zestien Oscarnominaties heeft gekregen. Nominaties, dus of ze verzilverd worden, moeten we maar afwachten. Best een aardige film, maar ik vind zestien wat overdreven. Ik heb vorig jaar veel films gezien die ik veel mooier vond.

Volgens het Cineville overzicht aan het eind van het jaar waren dat er 57 en zag ik ze in drie bioscopen.

Sinners lijkt misschien een bloedige film over vampieren, maar ik denk dat het eigenlijk over muziek gaat, over ‘de duivelse kracht van muziek’. In deze film in de gesegregeerde samenleving in het zuiden van de VS in de jaren dertig van de vorige eeuw is dat vooral bluesmuziek.

Ten slotte in dit springerige verslag: de Olympische Spelen. Ik kijk eigenlijk zelden of nooit naar sport. Het interesseert me ergens tussen niet echt en echt niet, maar de Olympische Spelen hebben iets bijzonders. Ze zijn gisteren begonnen in Noord-Italië.

Vooral het kunstrijden vind ik mooi. Maar de meeste aandacht gaat hier steeds maar naar het schaatsen omdat daar veel Nederlanders aan meedoen. Er is teleurstelling bij de commentatoren omdat bij de afstand van vandaag, de 3000 meter voor vrouwen, geen Nederlandse op het podium staat. Niet de Nederlandse Joy Beune – ik had vóór gisteren nog nooit van haar gehoord – maar de Italiaanse Francesca Lollobrigida heeft de snelste tijd gereden. Ze is moeder en viert vandaag ook haar 35e verjaardag. Fantastisch toch!

Nieuwe challenges – Dag 12

Het is een leesdag vandaag. Heerlijk om na een intensieve spinningles rond 10 uur thuis te komen, te douchen, thee te zetten en mijn boek open te slaan. Dat zijn fijne zondagochtenden. Ook vandaag.

Rond een uur of 12 zette ik even de tv aan. Dat doe ik bijna nooit vóór 18 uur. Ook niet voor Buitenhof bijvoorbeeld, wat ik een goed interviewprogramma vind. Buitenhof kun je ook als podcast beluisteren. Ik stemde af op de Olympische Spelen, op de afdaling. De vrouwen skiën met meer dan honderd kilometer per uur naar beneden. Snelwegsnelheid!

Lindsey Vonn, de Amerikaanse skiester die voor de vijfde keer aan de Spelen meedeed, was net gevallen en lag op de piste, omringd door zes, zeven mensen. Vreselijk gevallen, zag ik in de herhalingen. Ze werd op een brancard met een helikopter weggevlogen naar een ziekenhuis. Zou de val komen omdat ze negen dagen eerder een kruisband in haar knie had gescheurd? Of door de vlag langs de piste die ze behoorlijk hard raakte? Hoe dan ook, het is een drama!

Nog een paar dagen en dan zet ik hier een punt. Het voelt langzamerhand als een challenge: het verhaal van de dag schrijven en daar foto’s bij zoeken. Het maakt dat ik wat langer stilsta bij wat ik op een dag doe en er misschien ook bewuster mee bezig ben.

Misschien is het voor jullie, volgers, net zo’n challenge om het allemaal te lezen.

Ik denk ook aan nieuwe challenges, zoals twee weken lang elke dag een goede pirouette draaien. Dedans en dehors (naar binnen en naar buiten), vanuit de vierde of vijfde positie. En de balans oefenen. We zeggen tijdens de les wel, ‘zo zou je op één been op relevé’s je tanden moeten poetsen’. Dan ben ik meestal zo uitgepoetst.

We gaan ons op de dansschool de komende weken weer voorbereiden op een optreden in het theater, zondag 28 juni in de middag.

Een andere challenge zou kunnen zijn om twee weken lang elke dag een portret te schilderen. Of te tekenen, houtskolen of anders. En tegelijk een bibliotheekboek door te werken dat hier al een paar weken ligt: portretten schilderen. Ik kom er niet aan toe.

Portretten tekenen of schilderen vind ik fascinerend. Hoe pak je de essentie van iemands gezicht? Vorig jaar heb ik meegedaan aan een project om vanwege de 80e viering van vrijheid, tachtig jaar na de Tweede Wereldoorlog, 80-jarige Wageningers te schilderen. De mevrouw die ik schilderde, vrijwilliger in de Casteelse Poort, het stadsmuseum in Wageningen, leek echt jonger.

De totaal 35 schilderijen die uit het project voortkwamen, zijn een paar maanden geëxposeerd geweest voordat de schilders ze schonken aan de geportretteerden.

Ik vond het behoorlijk uitdagend. De expressie, de verhoudingen, de kleuren. En ook hoe je er nog meer in kunt leggen. Ik wil er meer in oefenen, maar in de wekelijkse les doen we ook landschappen, dieren, stillevens, abstract of iets anders. Zelden een portret.

Ten slotte challenge ik mezelf ook met lezen. Dat gaat vanzelf, want ik lees elk jaar rond de honderd boeken. Ik probeer dan ook elke maand minstens één boek te lezen in een andere taal dan Nederlands.

Kortom, na de ‘challenge’ van deze Polarsteps, stopt de ‘reis’ dan wel, maar de leuke uitdagingen gaan door.

Nog even de dag van vandaag. Hoe het met Lindsey Vonn gaat, kan ik nog niet vinden op internet. De foto van de bij plaats ik omdat ik vandaag vooral in Mad Honey heb gelezen.

Zodadelijk begint Podium Klassiek, een wekelijks tv-hoogtepunt. Ik kijk niet altijd even geconcentreerd. Wel als Fuse komt. Zij spelen vaak modern-klassiek. Hedendaagse componisten. En dat is vaak veel spannender dan, met alle respect, die lang overleden mannen zoals Mozart, Hadyn of Brahms die steeds maar op de muziekstandaard worden geplaatst.

Mauritanië – Dag 13

Kort vandaag, want het is al laat. Enkel even een toelichting op de foto’s.

Ik had een overlegje over de nieuwe website van de bibliotheek. Daarin wordt ook de informatie van het Digitaalhuis Wageningen opgenomen en die teksten schrijf ik. De collage is samengesteld uit foto’s die ik eerder maakte van deelnemers en vrijwilligers van het taalhuis.

Ik begin binnenkort weer met een nieuw taalmaatje. Khayi uit Mauritanië. We hebben elkaar vandaag voor het eerst ontmoet en het lijkt me een hele aardige vrouw. Ze spreekt al best goed Nederlands, maar wil nog beter. Ook voor als ze in de zorg gaat werken. We beginnen pas over twee weken, want volgende week hebben haar kinderen voorjaarsvakantie.

Vanavond treedt La Petite Ecurie op, een hobo-ensemble. Dat is in de serie van de Vereniging Kamermuziek, waar ik lid van ben. Een van de acht concerten die we dit jaar hebben in de Junushoff.

Morgen is het mijn laatste dag hier.

Mijn studententijd – Dag 14

Vandaag heb ik een trip down memory lane gemaakt; een reisje over het geheugenlaantje. Dat kwam zo: Pauline, een afdelingsgenoot op de studentenafdeling op Haarweg 13, had me herkend op de jurkfoto in Volkskrant. En ze had me ook een keer voorbij zien fietsen, dus wist ze dat ik waarschijnlijk in de buurt woonde.

Bedenk dat we elkaar ongeveer sinds 1989 of 1990 niet gezien hebben. Ruim 35 jaar geleden.

Ze is juf op de Kardinaal Alfrinkschool, een daltonschool in Wageningen. En na omzwervingen via onder meer Gouda en Nieuw-Zeeland, via brandweer en helikopters, woont ze nu in Bennekom. Daar hadden we ook afgesproken. Zo leuk dat ze een fotoalbum uit die tijd had meegenomen. Ik heb het mijne uit die tijd ook opgezocht, maar pas na onze afspraak vanmiddag bekeken.

Mijn studententijd begon halverwege 1978 toen ik naar Wageningen kwam om aan de universiteit te studeren. Toen heette het nog de Landbouwhogeschool. Wageningen groeide in die jaren. Vóór de late jaren 60 woonden de meeste studenten op kamers bij hospita’s of in particuliere huizen, maar met de grote toename van het aantal studenten werd grootschalige huisvesting noodzakelijk.

Vanaf ongeveer 1967 werden er vijf sterflats gebouwd voor studenten. De laatste was de Rijnsteeg (in 1978). Toen ik daar een kamer betrok, in september van dat jaar, was de flat nog in aanbouw.

We hadden net de introductietijd achter de rug. Oudere studenten laten je dan kennismaken met het studentenleven, met bier, feesten, muziek en met van alles wat het studentenleven nog meer omringt. Studie, sportverenigingen en sociale zorg.

Terwijl wij met 18 studenten op één afdeling – zestien eerstejaars en twee derdejaars -, het studentenleven en onszelf ontdekten, werden er boven onze hoofden nog kozijnen geplaatst en keukens ingericht. Ook de weg naar de flat was nog niet helemaal af en aanvankelijk hadden we er geen telefoonaansluiting.

We fietsten ’s ochtends gezamenlijk naar practica en colleges. Toen nog op de berg of op andere plaatsen verspreid in de stad, maar niet op de plek waar nu de campus ligt.

Wageningen werd een studentenstad waar veel studenten in groepen samenwoonden. We kookten samen, we studeerden voor de examens, we gingen naar feesten en optredens in café Troost of bij studentenverenigingen. We deden mee aan de protesten van de Wageningse Lente en we gingen naar de vredesdemonstraties in Amsterdam (1981) en Den Haag (1983), uit protest tegen de dreiging van kernwapens in Nederland.

We zaten immers nog midden in de Koude Oorlog tussen de Sovjet-Unie en de VS. De Amerikanen wilden kruisraketten plaatsen in ons land. Er was onder Wageningse studenten ook een gevoel van: hebben we straks nog wel een toekomst? Het werd hier ook gekoppeld aan milieu, ontwikkelingsvraagstukken en wereldpolitiek.

In 2006, toen studentenaantallen terugliepen, de sterflats minder populair waren en de Rijnsteeg toe was aan groot onderhoud, besloot de Stichting Studentenhuisvesting de flat te slopen. Alleen die flat; de andere vier staan er nog steeds.

In 1983 verhuisden we met een groepje van negen van de Rijnsteeg naar de Haarweg, een gloednieuw complex, niet in de vorm van een sterflat maar drie gebouwdelen met in totaal zo’n 900 kamers. We kwamen er op de begane grond, Haarweg 135. Dat was een afdeling van 14, met behalve een keuken ook een woonkamer. Veel van mijn medebewoners uit die tijd, zes of zeven, wonen nog in Wageningen en ik zie ze geregeld.

Ik woonde er nog niet zo lang toen ik op stage naar Spanje ging. Na een klein half jaar kwam ik terug en voelde ik dat ik was veranderd. Zelfstandiger, nieuwe vrienden, een ingrijpende ervaring, meer zelfvertrouwen, Die stage had veel met me gedaan.

Terug op Haarweg 135 kwam ik op vertrouwd terrein maar wilde ik toch die verandering vasthouden. Ik verhuisde toen dat kon naar Haarweg 13. Veel van de mensen met wie ik daar op de afdeling heb gewoond, ben ik helemaal uit het oog verloren.

Pauline kwam er pas een paar jaar later, in 1987. Ik was een jaar eerder afgestudeerd, maar ik woonde er nog, tussen de studenten. Kort daarna ben ik vertrokken naar andere woonplekken in Wageningen (Alberdaflat, Wolfswaard, Pomona).

Het was een moeilijke tijd om werk te vinden. Ook voor net-afgestudeerde Wageningers. Er was een paar jaar eerder een economische crisis geweest en de werkloosheid was hoog. Veel mensen schoolden zich om tot computerprogrammeur, want met de opkomende automatisering lag daar toekomst.

Ik ging een tolk-vertalersopleiding Spaans doen en werd ook vrijwilliger in de linkse boekhandel De Uitbuyt. Het duurde zeker een jaar voordat ik tijdelijk werk vond, op de Praktijkschool Schaarsbergen, en vervolgens na weer een werkloze periode via uitzendwerk het groene onderwijs in rolde.

Bij de Uitbuyt zat ik achter de kassa, ik bestelde bij de uitgeverijen boeken over filosofie en geschiedenis en als er boeken binnenkwamen, plaatste ik ze met de prijsvermelding in de winkel. Af en toe hadden we een vergadering.

De Uitbuyt was ook een wereldwinkel waar het ging om politieke bewustwording en eerlijke wereldhandel. Een tijdlang was de boekverkoop belangrijker dan de wereldwinkel en later werd juist de wereldwinkel weer groter.

Ik zat er geregeld. Dat was fijn, maar ik denk dat het toch best een zorgelijke tijd was, eind jaren 80 toen we beiden op Haarweg 13 woonden. Voor Pauline, die op de afdeling niet altijd aansluiting vond, en ook voor mij, omdat ik me zorgen maakte over hoe ik een baan kon vinden. Het is met ons, denk ik, uiteindelijk wel goed gekomen.

Een paar foto’s van mijn wandeling vanmorgen en van deze memory trip: het sprookjesfeest (ik als elfje), een trucfoto en een fietstochtje naar Kröller-Müller.

Escape in Slowakije

Leestijd: 3 minuten

Het woord ‘crisis’ wordt volgens historica Beatrice de Graaf tegenwoordig sneller gebruikt dan vroeger. Maar, zegt ze, “een crisis is pas een crisis als je het er met elkaar over eens bent dat er vitale belangen in het spel zijn.” Denk aan hongersnood, levensruimte, veiligheid. Dan kun je waarschijnlijk nog lang praten over wat eigenlijk vitale belangen zijn en wanneer die precies bedreigd worden.

Waar mensen vroeger wezen naar God en het noodlot, daar zoeken ze nu volgens De Graaf rationelere verklaringen. Bovendien wordt de schuld snel bij de overheid gelegd, en die moet maar zorgen dat we uit de crisis komen of er liever helemaal niet in terechtkomen.  

Als je geregeld op Twitter zit, zoals ik, wordt het crisisgevoel alleen maar versterkt. Net als mijn emoties door de dag heen.

De oorlog in Oekraïne is verschrikkelijk, de vrouwenopstand in Iran vind ik hoopgevend, het onbegrip over zelfbeschikking in de Transgenderwet raakt me diep, dat Annie Ernaux de Nobelprijs voor literatuur heeft gewonnen maakt me blij, Poetin heeft werkelijk een zieke geest, een omgekeerde vlag vind ik niks, extreemrechtse manifestaties in binnen- en buitenland vind ik heel pijnlijk, maar sommige filmpjes, memes en cartoons zijn zo leuk dat ik ze meteen wil delen, over de onderdrukking van vrouwen in Afghanistan ben ik verontwaardigd en boos ben ik ook dat Trump-rechters het recht op abortus hebben teruggedrongen.

Veel emoties over wat er in de wereld gebeurt. Maar mijn escape deze zomer was Slowakije. Een onbekend land voor veel mensen. Toch is het eenvoudig te vinden, echt. Je gaat bij Wenen rechtdoor. En dan kom je in Bratislava, de Tatra, Kosice, de Banska’s. 

Slowakije zit ingeklemd tussen Hongarije en Polen en er is ook een grens van zo’n honderd kilometer met Oekraïne. Ruim vijf miljoen Slowaken wonen in een land dat net wat groter is dan Nederland. Maar Slowakije is zelden een apart land geweest. Deel van Hongarije, van het Habsburgse Rijk en samen met Tsjechië in Tsjechoslowakije. Dat land splitste zich in 1993, volgend jaar dertig jaar geleden, in Tsjechië en Slowakije.

De emoties over de wereld waren er iets verder weg, maar andere gevoelens waren er des te meer. Boosheid over een Airbnb-verhuurder die op het laatste moment annuleert, blijdschap over een andere, onzekerheid over treinverbindingen, over communicatie, vrolijk over opbeurend contact, verheugd met deelname in een yogaklasje en zumba in een park, moe en tevreden na lange wandelingen in stad en natuur, genieten van een drankje op een terras. En bewondering over schone, ontroerende, verrassende schilderkunst. Ik liep soms als enige in een kunstmuseum. En ik voelde in Slowakije verder ongeduld, nieuwsgierigheid, verdriet, eenzaamheid, ongedurigheid, enthousiasme, weemoed.

Ik werd ook zo blij van Kristina die me in Bratislava een kamer verhuurde. Ze zette heerlijke thee, maakte smakelijke lasagne en trok een koel biertje open. Ik vertelde haar over wat me raakte en waarom. Ik werd ook blij van de vrouw van het toeristenbureau die me vertelde over Banska Bystrica, wat er te zien was en hoe ik dat kon vinden. Net voordat ik twee dagen later de trein nam die me weer wegvoerde, ben ik er nog even binnengelopen om ‘dag’ te zeggen. Ze wist nog wie ik was.

En dan was er een ontmoeting bij de Kalvaria in Banska Stiavnica. Die kruisweg uit de 18e eeuw, gemaakt door Jezuïeten, is van 2008 tot 2018 gerestaureerd. Nu Unesco-beschermd, geloof ik. Er staan op een heuvel drie kerken en 22 kapelletjes met schilderijen. Vooral de kerk op de top is een blikvanger voor de wijde omgeving. Het is een hele klim, ook voor de grote groep jongeren die voor mij uit liep, geleid door een gids. Hijgend en lachend kwamen ze boven.

Toen ze zich voor de topkerk opstelden voor een foto, heb ik die genomen. Klik, klik! Een begeleidster vertelde dat ze uit een plaats kwamen op zo’n 80 kilometer, dat ze een kerkgemeenschap vormde en dat ze hier vandaag op excursie waren. “En, by the way, – wijzend op een van de meisjes die om ons heen stonden – zij kan heel mooi zingen.” Wat ze zong, weet ik niet, maar terwijl ze zong, werden mijn ogen nat.

Wat kan ik nog meer vertellen over Slowakije? Ik heb nog lang niet alles gezien van wat de Amerikaanse minister van Buitenlandse Zaken Madeleine Albright in 1997 ‘het zwarte gat van Europa’ noemde. Zo zwart was het niet. En ik voelde me er, bijvoorbeeld terwijl ik langs de Donau fietste of in het Slowaakse Paradijs wandelde (zo heet het echt) ver verwijderd van alle crises.

Hildegard in Bingen

Leestijd: 5 minuten

Deze zomer ontmoette ik Hildegard von Bingen. In Bingen, tussenstop tijdens de wandeling van Koblenz naar Wiesbaden (hier een fotoreportage). Ik had haar hemelse muziek wel gehoord, heel meditatief, en ik kende haar naam, maar wie is deze vrouw? Hoe was haar leven in de twaalfde eeuw? Wat maakte haar zo bijzonder? En waarom fascineert ze me?

Het intrigeert me sowieso dat ze een vrouwelijke componist is. In de muziekgeschiedenis, de hele officiële geschiedenis, is altijd weinig plaats voor vrouwen geweest (lees: ‘Zij in de geschiedenis’, essays van Alies Pegtel waarin ze vrouwen hun historische plek teruggeeft. Sappho, Christine de Pizan, Camille Claudel, Aletta Jacobs.

Hildegard is een uitzondering. Kijk je naar de grote componisten uit de geschiedenis, dan zijn dat bijna allemaal mannen. Zij was de eerste componist ooit van wie we de naam weten. En dan ook nog een vrouw.

Disibodenberg

Wie was Hildegard von Bingen? Ze was een Benedictijner non, leefde van 1098 tot 1179. Ze ging in 1112 het klooster in, veertien jaar oud, om te leven volgens de regels van Sint-Benedictus (480 – 547). Heel kort: ora et labora, dat wil zeggen: bid en werk. Dat was in Disibodenberg, ongeveer dertig kilometer zuidwestelijk van Bingen.

Disibodenberg bestond toen pas een paar jaar, en telde nog niet al te veel bewoners. Het was een tijd dat er veel kloosters kwamen. De eerste kloosters ontstonden eeuwen eerder, in de derde of vierde eeuw in Egypte en Syrië. Vanaf de zesde eeuw werden overal in Europa duizenden kloosters gesticht. De tijd van Hildegard was het hoogtepunt van de abdijen. Het werden plekken die bijdroegen aan de verspreiding van het geloof en zich vaak ontwikkelden tot de religieuze en culturele centra. Hier waren de boeken uit de klassieke oudheid en van de kerkvaders te vinden. Hier was kennis, wetenschap, filosofie.

Hildegard verdiepte zich ook in al die terreinen: flora, kruiden, geneeskunde, seksualiteit, poëzie, astronomie. Maar na haar tijd, misschien ook vanwege het grootgrondbezit van de abdijen en hun verbondenheid aan de adel, ging het achteruit met de kloosters. Minder gezag, incapabele leiding, andere plekken waar bijvoorbeeld die wetenschap een plek kreeg. Disibodenberg is al eeuwenlang niet meer dan een ruïne.   

Opmerkelijk dat vele kloosters nu met biermerken worden geassocieerd: Trappist, Westmalle, Affligem. Dan denk je toch dat de bierbrouwerij op z’n minst heeft bijgedragen aan hun voortbestaan.

Of wijn. De Benedictinessen in het klooster dat er nu is – de abdij Sint-Hildegard is rond 1904 neergezet aan de overkant van de Rijn, bij Rüdesheim – hebben behalve van een kloosterwinkel, kunstateliers en gasten die in het klooster verblijven (volgens Wikipedia), inkomsten uit wijnbouw. De Rheinsteig, de route die ik liep, kwam er langs. Ik zag de druiven en ik ben er in de tuin, de winkel en de kloosterkerk geweest.

Seksualiteit

Het boek van de filosoof Michel Foucault: ‘Bekentenissen van het Vlees’ – een postume uitgave van deel 4 van de Geschiedenis van de Seksualiteit – gaat over de vroegchristelijke tijd. Kerkvaders zoals Augustinus en Chrysostomus dachten in die tijd over het belang van kuisheid en maagdelijkheid, seks en wellust, over penitentie, zelfonderzoek en de relatie tot God. Ik ben er nu in bezig. Foucault baseert zich op bronnen tot ongeveer de vierde of vijfde eeuw na Christus. Hij beschrijft hoe veel waarden en regels in het vroege christendom zijn overgenomen van de tijden daarvoor. Er is toen door die ‘vaders’ met hun ideeën over de rol van de vrouw ook een hernieuwde basis voor het patriarchaat gelegd.

Hildegard von Bingen zal een deel van de morele regels die Foucault beschrijft, bijvoorbeeld dat maagdelijkheid en onthouding je dichter bij God brengen, omarmd hebben. Foucault beschrijft de voordelen en de gradaties van maagdelijkheid. ‘Zolang u kuis en maagdelijk blijft, bent u gelijk aan de engelen Gods’, citeert hij Cyprianus, bisschop van Carthago in de derde eeuw. Dat was voor Hildegard ongetwijfeld het doel: dichterbij God te komen door de hoogste gradatie van maagdelijkheid en dienstbaarheid aan wereld en geloof.

Opmerkelijk misschien dat ze ook over seksualiteit schreef, want hoeveel ervaring had ze daar dan mee? Maar dat deden de kerkvaders eeuwen eerder ook. Ze braken zich het hoofd over Adam en Eva, de zondeval, wat God met het huwelijk voor ogen had en wat er geoorloofd is in de echtelijke bed en daarbuiten.

Omdat Hildegard als abdis toegang had tot de werken van die kerkvaders, omdat die morele kwesties natuurlijk nog steeds leefden en omdat er van geestelijken ook advies en sturing werd verwacht over allerlei zonden en straffen, zal ze daarover met anderen van gedachten hebben gewisseld of ze heeft hen raad gegeven. Wanneer past waakzaamheid, strengheid of barmhartigheid?

Hartsvriendin

Ze werd in haar tijd vooral bekend vanwege haar visies. Ze zag dingen. Ze benadrukte dat haar visies van God kwamen, zoals al haar inzichten. Die gingen over hoe mensen zich moesten gedragen en hoe de kerk zich moest ontwikkelen. Ze correspondeerde erover met geestelijke en wereldlijke leiders, met paus Eugenius III, met abt Bernard van Clairvaux in Frankrijk, met andere pausen en bisschoppen, maar ook met moeders van medezusters die advies vroegen. En er werd naar haar geluisterd. Meestal.

Nee, niet altijd, want ze heeft ook veel strijd moeten leveren voor haar eigen ruimte, haar eigen rechten. Daarom zien feministen in haar vaak een voorbeeld. Ze streed bijvoorbeeld om ondanks tegenwerking een nieuw klooster te stichten, een revolutionair iemand op heilige grond te begraven, haar muziek (waarin haar visies verklankt werden) uit te kunnen voeren na een strafedict en om een innig geliefde medezuster niet over te laten plaatsen.

Die geliefde medezuster was de non Richardis, jarenlang Hildegards secretaresse en hartsvriendin. Maar de bisschop van Bremen wilde dat Richardis abdis werd van een klooster in Bassum. ‘Ik word door verdriet overmand, een verdriet dat het grote vertrouwen en de troost doodt die ik bij mensen vond’ schreef Hildegard. O, wee mij, vervolgde ze. ‘Waarom heb je mij als een wees alleen gelaten? Ik heb de voortreffelijkheid van je manier van leven bemind, en je wijsheid en je kuisheid, je ziel en je hele wezen, zozeer zelfs dat velen zeiden: wat doe je?’

Helaas stierf Richardis kort na de overplaatsing. Volgens een brief van de bisschop wilde ze terug naar Rupertsberg (het klooster dat Hildegard toen net opgericht had). Omdat ze daar ‘uit heel haar hart en in tranen’ naar had verlangd.

Muziek

Kerken en kloosters, prachtige gebouwen, maar met het geloof waarvoor ze staan, heb ik niet veel. Ik had er wel graag een uitvoering van Hildegards muziek mee willen maken. Ze liet als abdis de nonnen in mooie gewaden haar muziek volgens haar aanwijzingen uitvoeren. Ze introduceerde kronen voor de nonnen. En de gezangen, waarvan in de teksten haar visies terugkwamen, werden uitgevoerd in collationes. Dat waren bijeenkomsten waar ook lezingen en overdenkingen op het programma stonden.

Die uitvoeringen moeten haar trots, haar passie, haar geluk zijn geweest. Des te droeviger dat er een paar jaar voor haar dood een edict kwam (vanwege het conflict over de begrafenisplek van die controversiële persoon). Haar muziek mocht niet uitgevoerd worden. Het kostte veel moeite om dat ongedaan te krijgen.

Haar muziek dus, heel bijzonder. Het doet gregoriaans aan, maar onderscheidt zich er blijkbaar ook van en gaat weer een stapje verder. In die tijd was net de muzieknotatie ontstaan. Luister bijvoorbeeld hier naar Hildegards muziek of naar Sofia Goebaidulina die dit heeft geschreven: Aus den Visionen der Hildegard von Bingen.

Op reis naar mijn moeder

Leestijd: 2 minuten

“Hoe ben je nu hier gekomen?”, vroeg ze. Sinds ik mijn auto had verkocht, reisde ik met trein en bus. Reizen naar haar duurde wat langer, maar ik vond het plezieriger. In plaats van me te storen aan opdringerige weggebruikers, las ik een boek. Maar de afstand leek gegroeid. Een reis duurde gemakkelijk twee keer zo lang. Voor mijn moeder voelde het alsof ik verder weg was gaan wonen. Ze had me het liefst om de hoek.

Mijn moeder was mijn morele baken. Dat is ze nog steeds. Als ik me afvraag wat te doen, denk ik vaak aan haar. Wat zou ze ervan vinden? Als ik op een buitenlandse reis ben, wil ik haar vertellen over indrukwekkende plekken en leuke ontmoetingen. Toen ze nog leefde, las ze mijn reisverslagen als eerste, ze googelde me regelmatig, ze maakte zich zorgen om mijn uitglijders, ze volgde mijn leven. Ik volgde het hare veel minder.

Ze overleed zeven jaar geleden. De neiging om even te bellen, is gebleven. Wonderlijk! Regelmatig bedenk ik: dat moet ik haar toch even vertellen. Mijn gevoelens, twijfels, succesjes en mijn beschamende misstappen. Alles wat ze die zeven jaar gemist heeft. Ik kijk naar de telefoon. Voorheen belden we wekelijks even met elkaar. En zo eens in de maand stapte ik in trein en bus om haar even vast te houden en te kussen.

Mijn moeder is mijn voorbeeld. Haar rust en gelijkmoedigheid kalmeerden me. Ze oordeelde niet snel, en met terughoudendheid. Ze veroordeelde nauwelijks. In een tijd van snelle oordelen op basis van halve informatie, ga ik af op wat zij zou doen. Wat zou zij zeggen? Ze probeerde iedereen te begrijpen. Oké, ze ergerde zich aan onverschilligheid, luiheid en een onverzorgd uiterlijk. Dat was haar opvoeding en de waarden die ze mij probeerde mee te geven.

Ik weet nog veel van de reisjes naar haar. En ook van ons 52 jaar lang gedeelde leven. Ik herinner me hoe ik me voelde als ik naar haar toe ging. En ook hoe ik me voelde als ik weer in tegenovergestelde richting vertrok, geïnspireerd voor de weken die komen gingen. “Hoe ik hier gekomen ben?” Ik kijk naar haar zachte ogen die me op een of andere manier altijd zullen blijven volgen. “Als vanzelf mam. Over de paden van de liefde, de wegen van geluk, de wolken van verlangen.” Zo zou ik het nooit hebben gezegd, maar zo voelt het nu.

Vraag me alles, maar begin niet over de Brexit

Leestijd: 6 minuten

Vakantie is voor mij ook elke keer nadenken over het fenomeen ‘vakantie’. Het voelt anders sinds mijn werkzame leven minder gestructureerd is, zo’n vakantie.
En het is begrijpelijk, maar ook best jammer dat het toerisme zo uitbundig is gegroeid. Busladingen mensen rijden naar de topattracties. Daar schuifel je met z’n allen langs The Book of Kells, door beroemde kastelen en pubs en in het centrum van Galway. Niet alleen daar, maar in elke uithoek kom je toeristen tegen. En dan ga ik ook nog in de drukste vakantieweken, want dan voelt Wageningen saai en leeg.
Wat zoek ik dan precies? Een andere omgeving, rust, ontmoeten van mensen, een andere cultuur?

Het antwoord is ongetwijfeld te vinden in de keuzes die ik maak tijdens zo’n reis. Ik ga naar kunstmusea, ik loop lange afstanden in en buiten de stad, ik zoek een Airbnb, ik zit in een stil park, vraag bij de toeristeninformatie of er nog ergens een uitvoering van klassieke muziek of moderne dans is, ik ga in de bibliotheek een boek lezen, ik lees sowieso een hoop en ik sleep ook altijd een stapeltje zorgvuldig uitgezochte boeken mee. Dit jaar nam ik die mee naar Ierland en Noord-Ierland.

Alleen de eerste dagen in Dublin had ik overnachting geregeld, daarna wilde ik naar Belfast en wandelen aan de noordelijke kust, langs de Giant’s Causeway. En ik zou vrienden die ook naar Ierland kwamen, ontmoeten. De rest van de tijd zou zich vanzelf vullen. Maar toch, aan het eind van de vakantie was ik verzadigd en ben ik zelfs een paar dagen eerder teruggekomen dan gepland.



Troubles

Noord-Ierland raakte me het meest, meer dan Ierland. Het weer was er op dat moment beter, en het heeft zeker ook te maken met de recente geschiedenis van de Troubles en onderhuidse spanningen die er nog steeds zijn. Ik heb erover gelezen, exposities bezocht, muurschilderingen gezien en soms, heel soms, iemand erover gesproken. Over wat er gebeurde aan The Bogside, op Bloody Sunday, wat er achter de strijd tussen katholieken en protestanten zat, tussen nationalisten en unionisten. En wat er gebeurde vóór de Troubles.

Het is onvermijdelijk dat je interesse wordt gewekt of aangewakkerd als je in het westen van Belfast langs de muurschilderingen komt, over de stadsmuren van Derry loopt of een museum over de Ierse geschiedenis bezoekt.
Waar ben je, is Derry hetzelfde als Londonderry, vroegen mensen me. Ja, de unionisten spreken over Londonderry en de nationalisten, die liever los van het Verenigd Koninkrijk willen, kiezen voor Derry. London is er in 1613 aangeplakt als een soort van erkenning voor Londense investeerders in de tijd dat land hier gekoloniseerd werd.

Brexit

“Jullie mogen me alles vragen”, zegt Sally die ons, een groep van ongeveer vijftig mensen, deze maandagochtend 29 juli rondleidt in de parlementsgebouwen van het Stormont Estate, aan de oostkant van Belfast. “Maar begin alsjeblieft niet over de Brexit.”

Toen Ierland in 1921 zelfstandig werd en er als een soort van compromis in Noord-Ierland zes Ulster-graafschappen, met overwegend protestantse inwoners, bij het Verenigd Koninkrijk bleven, moest er hier een regering komen die de zaken regelde. Stormont werd gebouwd met geld uit het VK. Er kwam een regering, die gedomineerd werd door de unionisten. Kort nadat de Troubles losbraken, eind jaren zestig – lees over de dreigende sfeer in die jaren The Milkman van Anna Burns –, is de regering overgeplaatst naar Westminster (Londen). Het werd hier te lastig, te rumoerig. Nu zit er sinds het Goede-Vrijdagakkoord (1998) dat een einde aan de Troubles maakte, de Assembly. Die voert een soort van lokaal beleid uit.

De hele Brexit valt daar niet onder, hooguit regionale consequenties. Keith en Sue, een Brits echtpaar dat ik in het hostel in Portstewart ontmoet, zeggen dat ze zich schaamden toen hun land vóór Brexit had gestemd. “Hoe is het mogelijk?”, zeggen ze. “We waren op reis en mensen spraken ons erop aan.” Maar, zeggen ze, niet alle Britten zijn vóór Brexit. In Noord-Ierland (en in Ierland), waar het merendeel tegenstemde, maken ze zich grote zorgen over de gevolgen. Een nieuwe grens? Opnieuw strijd tussen mensen die Noord-Ierland dan los willen weken van het VK en mensen die daar tegen zijn? Je moet er niet aan denken.  

Sympathie

Ierland is het ruige landschap, boomloos vaak en de rode koppen van de mannen die voor de pub staan met een groot glas zwart bier, te schreeuwen tegen elkaar over de verloren wedstrijd. Binnen is op zeven grote tv-schermen sport te zien: voetbal, hurling, golf, paardenrennen. Ierland is ook druilregen en vette fish & chips. Het is een land waar ik soms moeite mee heb. Bijvoorbeeld als ik naar die pub ga om te eten – je kunt er vaak goed en goedkoop eten – maar de live-muziek me haast de tent uit blaast. Of op dagen dat ik me uit het veld laat slaan door een dichte deur, een losse schoenveter of urenlange regen.
 
Ik gleed bij aankomst in Belfast met veertien kilo op mijn rug uit over een natte stoep en stapte vervolgens mijn leesbril kapot. Wat doe ik in dit koude, natte land?
In Dublin slaap ik drie nachten in het huis van Mark, zeker 1,90 meter lang, afgaande op de hoogte van het spiegeltje in de badkamer, maar ik zie hem nooit. “Onregelmatige diensten”, schrijft hij. “De sleutel ligt in een sleutelbox links van de voordeur.”

Maar Ierland is meer. Dublin is ook niet zozeer de stad van Mark, maar eerder van de dichter Seamus Heaney (mooie expositie), Francis Bacon (zijn ongelooflijk rommelige studio in Hugh Lane Museum), de National Gallery en het schiereiland Howth. Postscript van Heaney is een gedicht over hoe een landschap ons sprakeloos kan maken. Dat kan ook in Ierland. Of in Noord-Ierland.

En dan ontmoet ik opnieuw een supervriendelijk iemand die me alle tegenslagen doet vergeten. Ik loop langs de indrukwekkende muurschilderingen waar ik Bobby Sands herken, de gevangen IRA-strijder die ruim zestig dagen in hongerstaking ging tot hij stierf. De schilderingen drukken solidariteit uit met sociale strijd elders in de wereld. Rosa Parks, Nelson Mandela en de onafhankelijkheidsstrijd in Catalonië bijvoorbeeld.

Oké, het woord nationalisme blijft een negatieve connotatie houden, zeker, maar onwillekeurig krijg ik sympathie voor de Ieren die zich eeuwenlang tegen Britse overheersing hebben verzet.

Revolutionairen

“Dat ben ik”, wijst een vrouw in het Revolutionary Museum in Belfast. Ze staat op een foto die gemaakt is met een mini-cameraatje dat de gevangenis werd binnengesmokkeld. Ze zat gevangen in de tijd van de Troubles. In het museum is haar gevangeniscel nagebouwd. Er wordt beschreven wat zestig dagen hongerstaking met je doet en waarom mensen eigenlijk in hongerstaking gingen. IRA-gevangenen wilden afdwingen dat de Britse regering hen zou erkennen als politiek gevangen in plaats van veroordeelde criminelen.

Belfast, waarvandaan al zoveel Ieren naar de nieuwe wereld waren gereisd, is ook de stad waar de Titanic werd gebouwd. Het enorme passagiersschip dat in 1912 op een ijsberg zou lopen. Het is daarmee als je de film hebt gezien een heel klein beetje de stad van Leonardo diCaprio en Kate Winslet. Maar meer dan Kate Winslet in haar mooie rol, telt hier de ‘echte’ geschiedenis van Maud Gonne, Mairéad Farrell en Constance Markievicz.

Countess Markievicz (1868 – 1927) werd voor haar rol bij de Paasopstand van Ierse republikeinen in 1916 ter dood veroordeeld. Die straf werd nooit voltrokken, omdat ze een vrouw was. Ze werd voor Sinn Fein in december 1918 de eerste vrouw die in het Britse Lagerhuis werd gekozen. Daar nam ze geen zitting, maar ze werd lid van het Iers parlement.

Mairéad Farrell, geboren in 1957, kwam al heel jong bij de IRA en werd in 1988 doodgeschoten door het Britse leger. Net als Markievicz werd ook Maud Gonne (1866 – 1953) gearresteerd vanwege haar revolutionaire activiteiten, in 1918. W.B. Yeats (de dichter, niet de schilder Y.B. Yeats) was verliefd op haar, maar ze trouwde met een Franse nationalist en later een Ierse revolutionair, John MacBride. Die werd geëxecuteerd voor zijn rol bij de opstand in 1916. In 1900 had Gonne de nationalistische groep Daughters of Ireland opgericht, die zich inzetten voor de Ierse cultuur. In gevangenschap werd ze ziek en ze werd vrijgelaten op voorwaarde dat ze niet terug zou gaan naar Ierland. Ze ging echter meteen terug om als revolutionair, feminist en activist verder te strijden.

Stepdance

Deze uitweiding tekent wel een beetje waar ik me in verdiepte tijdens de reis door Ierland en Noord-Ierland. In het Ulster Museum, het Tower Museum, in Belfast en Derry, maar ook in Galway, in het City Museum waar de strijd opnieuw werd beschreven, nu met nadruk op de rol van regionale onafhankelijkheidstrijders.

Maar er is meer dan deze geschiedenis. In de bus van Limerick naar Waterford komt een Amerikaanse vrouw naast me zitten. “Ik kom uit New Jersey,” vertelt ze, “en mijn voorouders zijn Ieren.” In Ierland wonen ongeveer zes miljoen Ieren, begrijp ik, maar er zijn ongeveer veertig miljoen Amerikanen met Ierse afkomst. Zelfs Obama had een Ierse voorvader. Vooral na de Grote Hongersnood, na opeenvolgende verloren aardappeloogsten halverwege de 19e eeuw, emigreerden vele Ieren. Katholieken bijna altijd, die aan de overkant van de oceaan grote gezinnen kregen.  

Langzamerhand krijg een idee van wat Iers is. Op de muur in Derry laten kinderen iets zien van de typische manier van dansen. Die dansvorm lijkt goed te passen bij Ierse traditionals op oude instrumenten, bijvoorbeeld een doedelzak. Het is een soort van step- of tapdance, waarbij het bovenlichaam bijna stil wordt gehouden, armen strak naar beneden, en de dans vooral bestaat uit snelle voet- en beenbewegingen. Benen soms hoog gestrekt in de lucht.    


Een selectie van foto’s van mijn reis door Ierland en Noord-Ierland vind je hier en hier.

A small town girl in a big arcade

Leestijd: 7 minuten

Jeanne d’Arc kom je in Rouen overal tegen, op straathoeken en pleintjes. Haar naam, haar beeltenis, haar verhaal is hier zo onvermijdelijk als de vezels in volkoren. Ze is nu ruim 600 jaar oud, maar nog steeds negentien. Voor eeuwig negentien.

En voor eeuwig een voorbeeld. De Jeannes van nu? Dat zijn Malala, die strijdt voor onderwijs voor meisjes, Emma Watson, op de bres voor gendergelijkheid, en natuurlijk Greta Thunberg, die onvermoeibaar de machthebbers wijst op hun verantwoordelijkheid voor de toekomst van de aarde en de gevaren van de klimaatcrisis. Niet omdat ze stemmen horen, zoals Jeanne, maar wel omdat ze gedreven zijn en zich genoodzaakt voelen.

Maar terug naar Jeanne d’Arc. Waarom ontmoet je haar zo vaak in Rouen? In kathedraal, museum, als standbeeld en op schilderijen?

Standbeeld van Jeanne d’Arc in Caen

Nee, la Pucelle d’Orléans (de Maagd van Orléans) werd niet geboren in Orléans, maar op 6 januari 1412 in Lotharingen. Ze was een boerenmeisje, de familie d’Arc (van de brug of boog), en had vier broers en zussen. Frankrijk was in oorlog met Engeland dat bijna de helft van het land bezet hield, ongeveer het gebied ten noorden van de Loire. Die bezetting had te maken met de opvolging van de Franse koning.

Koningsloos vochten de Fransen een wanhopige strijd tegen de Engelsen en ook tegen de Bourgondiërs die een akkoord met de Engelsen hadden gesloten – het Hertogdom Bourgondië was een zelfstandige regio rond Dijon. Karel VII was de beoogde troonopvolger, de dauphin, maar zijn kroning moest dan in Reims plaatsvinden, in het noorden van het land, en Reims was bezet. Net als Parijs. En Orléans werd belegerd.

Heilig leger

Jeanne was een erg vroom meisje, altijd in de kerk om te bidden en te biechten. Vanaf haar twaalfde of dertiende zei ze dat ze stemmen hoorde. Die kwamen van Jezus, van aartsengel Michaël en van de heilige Catherina. Later zagen gelovige jongeren bijvoorbeeld Maria verschijnen. En nu zou je iemand zoals Jeanne misschien naar een kinderpsychiater sturen, maar die waren er toen niet. De stemmen, zei ze, vertelden haar dat ze Frankrijk moest bevrijden van de Engelsen.

Jeanne wist niet hoe of wat te doen, maar uiteindelijk wendde ze zich in 1428 tot een plaatselijke edelman Robert de Bradicourt. Die geloofde haar eerst niet – ‘stemmen?’ –, maar ze bleef aandringen. Vervolgens reisde Jeanne naar het kasteel van Chinon. Karel VII had de residentie vanuit het Louvre in Parijs verplaatst naar deze relatief veilige plek aan de Loire. Ook daar waren ze aanvankelijk nogal sceptisch, zo’n boerenmeisje. Maar ook daar wist ze met haar onbevangen houding te overtuigen. Ik stel me The Favourite voor, de film waarin om de genegenheid van Queen Anne wordt gestreden. Misschien zou Yorgos Lanthimos, de regisseur van die film, zich eens op het verhaal van Jeanne en Karel VII moeten storten.

Hoe dan ook, Jeanne kreeg een leger. Denk je eens in: een meisje van zestien of zeventien dat een leger gaat aanvoeren. In een tijd dat de enige vrouwen die in de buurt van zo’n leger kwamen, prostituees waren. “Nee”, zei ze, “dit is een heilig leger.” Geen prostituees, maar priesters reisden mee. Zo kwam ze in Orléans, waar ze, hoewel de legerleiders poogden haar buiten de gevechten te houden, dapper meedeed. Wordt gezegd. Tot groot enthousiasme van de Fransen, zo’n meisje in harnas met de vlag van de dauphin. Ze kreeg de gehate Engelsen op de knieën. Op 8 mei 1429 gaven ze het op en was Orléans bevrijd.

Arcade

Dat was voor haar eigenlijk nog maar het begin. Jeanne werd bejubeld en op de golven van het succes ging ze verder. Zoals Duncan Laurence die na het winnen van het Eurovisie Songfestival overal in uitverkochte zalen zingt, als a small town girl in a big arcade. Jeanne van de Arc(ade).

George William Joy, ‘le sommeil de Jeanne d’Arc’, 1895

Reims werd veroverd en Karel de VII gekroond. Koning nu, besloot Karel echter een wapenstilstand te sluiten, tot woede van Jeanne die de Engelsen juist wilde verdrijven. De troost, dat zij en haar familie in de adelstand werden verheven, interesseerde haar niet. Bovendien liet de koning haar gruwelijk in de steek toen de Bourgondiërs haar gevangen namen. Die leverden haar uit aan de Engelsen.

De Engelsen beschuldigden haar van hekserij en ketterij – geef nou maar toe dat je geen stemmen hebt gehoord – en begonnen een showproces in Rouen. Of eigenlijk voerde bisschop Pierre Cauchon het proces. Niet echt onpartijdig, om het zachtjes uit te drukken, want hij verweet Jeanne het verlies van zijn bisdom.

Daar kon hij geen zaak van maken, natuurlijk. Maar een jaar lang kwamen er vooral mensen langs die haar beschuldigden. En Jeanne werd vele malen ondervraagd, ze werd slecht behandeld en ze kreeg ook nog een rondleiding door de martelkamer. Ik vraag me af wat voor ‘rondleiding’ ze dan kreeg. “Kijk mevrouw d’Arc, hier ziet u de folterkist, dit is het rad waarop u heel langzaam doodgaat, dan de knieënsplijter, hier de kwelpeer die we in uw vagina of uw mond kunnen opendraaien en dat daar, de borstenscheurder. Heeft u nog vragen?” Gruwelijk! Het bleef bij dreigementen, en hoe dan ook, ze maakte op haar ondervragers en uiteindelijk ook op de beul veel indruk.

Maar ze bezweek onder de druk en ze vroeg vergiffenis voor haar daden. Ze werd aanvankelijk veroordeeld tot levenslang en mocht nooit meer mannenkleren of een harnas dragen. Toen ze dat in haar cel toch deed, misschien omdat ze bang was om verkracht te worden door de bewakers – dat hadden ze al eerder geprobeerd – was het afgelopen. Ze herriep haar spijtbetuiging en zei dat ze alleen maar vergiffenis had gevraagd in een zwak moment, opdat ze niet zou worden verbrand. Nu wilde ze liever sterven dan levenslang gevangen zitten.

Er werd een brandstapel voor haar gebouwd en ze moest dood op de Vieux Marché in Rouen omdat ze mannenkleren droeg. In de Bijbel staat immers dat je niet de kleren aantrekt van het andere geslacht (Deuteronomium 22:5). Allejezus! De Kerk trok de handen van haar af en Jeanne d’Arc, de redster van Frankrijk, stierf op 30 mei 1431. Het land treurde. En besloot een paar decennia later dat niet Jeanne de ketter was, maar bisschop Cauchon (daar kom ik zo op terug). Een paar eeuwen later (in 1920) werd ze alsnog heilig verklaard. 

Androgyn

Haar bijzondere verhaal – het boerenmeisje dat Frankrijk redt – inspireerde vele schilders. In het Musee des Beaux Arts in Rouen is een zaal met alleen maar Jeanne d’Arcs. In Parijs hangt het beroemde schilderij van Eugène Delacroix waarop een vrouw het volk aanvoert. Die vrouw in La Liberté guidant le peuple (De Vrijheid leidt het Volk) is natuurlijk Jeanne d’Arc, of op zijn minst geïnspireerd door haar. Zoals ze op blote voeten en in een onderjurk onverschrokken de vlag zwaait.

Ze inspireerde schrijvers zoals Bertolt Brecht, Mark Twain, Michel Tournier (Gilles et Jeanne), Hubert Lampo (De duivel en de maagd) en een paar jaar geleden nog Kathryn Harrison en Lidia Yuknavitch (The book of Joan). En verder filmmakers en musici zoals Tsjaikovski en Verdi en ook Leonard Cohen, Kate Bush, Madonna en The Smiths (Bigmouth strikes again).

In 2017 bracht het Nationale Theater het verhaal in de versie van Friedrich Schiller (première van Die Jungfrau von Orléans in 1801) opnieuw op toneel. Jeanne is multi-inzetbaar, zei regisseur Theu Boermans van Het Nationale Theater tegen Opzij (23 januari 2017). “Die meerduidigheid als personage maakt haar zo interessant.”

Multi-inzetbaar, maar soms ook wel uitermate dubieus om haar als symbool voor jouw ‘strijd’ op te voeren. Franse socialisten omarmden haar eind 19e eeuw en later zagen de Franse nationalisten haar als voorbeeld, het Front National bijvoorbeeld. Zij gebruiken, of beter: misbruiken haar, in de strijd tegen vreemde overheersing. Voor de Kerk is ze een bruid van God. En voor het feminisme is Jeanne een symbool omdat ze niet kiest voor trouwen en kinderen krijgen, maar ze voor zichzelf een heel andere taak ziet weggelegd. Ze zag er androgyn uit, als de overgeleverde beelden kloppen, met kort haar en mannenkleding. Ze voerde zelf het woord ter verdediging tijdens het proces en ze was het toonbeeld van een sterke vrouw. Ik lees ook een verhaal van iemand die Jeanne d’Arc aanvoert in de dierenbevrijding.

Of Jeanne wordt vergeleken met jonge mensen die zich laten verleiden tot strijd en terrorisme. Volgens Boermans laat Schiller prachtig zien wat de sociale en emotionele omstandigheden zijn waardoor iemand tot dergelijke daden komt. “Het zijn vaak sensibele jonge mensen in moeilijke sociale omstandigheden die in een identiteitscrisis verkeren en het geloof extremer toepassen dan hun ouders.”

Schiller zag haar toen hij het stuk eind 18e eeuw schreef, niet alleen als een historische heldin, maar ook als een jonge vrouw. Jeanne zou zelf niet gevochten hebben, maar Schiller geeft haar een zwaard in de hand. Haar heilige strijd wankelt echter in het stuk, wanneer ze een jonge Engelsman doodt die smeekt voor zijn leven. En als ze met een tweede Engelsman worstelt en die in de ogen kijkt, wordt ze verliefd.

Dan komt ze in een crisis omdat ze wordt geconfronteerd met de consequenties van het geweld. Ze komt tot bezinning, “en haar onderdrukte seksualiteit komt vrij”, zegt Boermans. “Daardoor wordt ze menselijk.” En ook complexer, een personage dat een ontwikkeling doormaakt en aan zichzelf gaat twijfelen. Ze daalt af van die hoge wolk, neemt afstand van het iconische beeld en komt misschien wel dichter bij ons. Ze redt het nog wel, in de strijd tegen de Engelsen, maar is misschien toch niet zo anders dan wij, gewone mensen.

‘Jeanne d`Arc listening to her voice’, Leon Francois Benouville

Dapper meisje

Je wilt misschien weten hoe het afloopt in Frankrijk en met Jeanne na haar dood. De Fransen hebben dankzij haar een kantelpunt in de oorlog met de Engelsen bereikt. Ze dringen de Engelsen steeds verder terug en bijna twintig jaar na de dood van Jeanne veroveren ze ook Rouen weer. De hertog van Bourgondië verbreekt zijn band met de Engelsen en op 10 september 1435 komt er een vredesverdrag met koning Karel VII. Parijs wordt weer teruggeven aan de Fransen.

Na zijn intocht in Rouen vraagt Karel VII om het proces van Jeanne te heropenen. De paus wijst dat af. Maar als zes jaar later de moeder van Jeanne, die net als Jeanne zelf en haar hele familie in de adel verheven was, ook een verzoek doet, wordt dat wel geaccepteerd. Zij wil de naam van haar dochter zuiveren.

Bij dat nieuwe proces, in Reims in 1455 en 1456, wordt Jeanne door de getuigen geschetst als een eerlijk, zuiver, integer en dapper meisje. De inquisiteur beschrijft haar als een martelares. Dat proces verloopt veel grondiger dan 25 jaar eerder, maar de uitkomst is toch ook wel politiek. De schuldigen zijn immers bij voorbaat al de Engelsen die Jeanne kochten van de Bourgondiërs en het proces financierden waarin ze veroordeeld werd. Er waren ook wel Engelsen die Jeanne niet dood wilden en juist probeerden dat eerdere proces, onder leiding van bisschop Cauchon, te vertragen of tegen te werken. Na het rehabilitatieproces groeit in Frankrijk de liefde voor Jeanne d’Arc.

Oké, de stemmen waren misschien hallucinaties of er was een andere verklaring voor, maar ze inspireerde uiteindelijk toch een heel land tot verzet en bevrijding. Vanaf 1920 was 8 mei, de dag van de bevrijding van Orléans, een feestdag ter ere van haar. Het is nu vooral de dag dat het einde van WO II wordt herdacht. En Frankrijk herdenkt Jeanne d’Arc elk jaar op 30 mei, de dag dat ze stierf op de brandstapel.

Met Hannigan in de hemel

Leestijd: 2 minutenIntens, intensief en, zo lijkt het, intuïtief. Blote voeten, handen voor haar mond, zuchtend, roepend, zingend. Zo staat Barbara Hannigan in het grote auditorium van het Calouste Gulbenkian. In Lissabon. Ze brengt een modern-klassieke compositie van avant-gardist en saxofonist John Zorn.

Het stuk heet Jumalattaret. Proef dat woord, Jumalattaret! Zet de klemtoon vooraan. Jú. Júmalattaret. Fins, schijnt het. Godinnen, betekent het. Zorn liet zich inspireren door de Kalevala, een verzameling eeuwenoude verhalen die in 1835 zijn opgetekend. Ik associeer het met het koude noorden. Hoog, zoals de stem van Hannigan. IJl, zoals de begeleiding van de piano. Complex, zoals de compositie. Intrigerend, zoals de hele voordracht. En onbereikbaar ver, want weg zodra de klanken zijn weggestorven.

John Zorn zit in de zaal, Barbara Hannigan staat op het podium en Stephen Gosling zit achter de piano. Achthonderd mensen zijn muisstil. Ze zijn gegrepen. Gepakt. Opgeslokt. Ze zijn in het moment, in een prachtig moment. Het is een schitterend geluk. Achthonderd mensen voelen zich opgetild, als mijn gevoel te extrapoleren valt. Dan zijn ze net zo gebiologeerd, geborgen, gezegend, gelukkig. Verzaligd als dat een woord is. Verzield. Gehannigand. Gezornd. In aanbidding van de godinnen.

Stel je voor, je bent in Lissabon, en hoort dat je gratis naar een concert kunt. Een première van een sopraan die je bewondert. Oké, je moet Lissabon met een dag verlengen, je moet een kaartje bemachtigen en je bent weer buiten voor je binnen bent, want het concert duurt nog geen half uur. Je staat langer in de rij voor een kaartje dan dat je straks in de zaal zit.

Maar wat zou het? Voor de fameuze Belém-gebakjes, drie happen, is de wachttijd twee uur. Voor een blik in Lello’s, de beroemde boekenwinkel van Porto, maximaal een kwartier, sta je drie uur in de rij. Wil je naar het openbare openluchtoptreden van het Nationaal Ballet van Portugal, zorg dan dat je lang tevoren een stoel vindt. En blijf zitten.

Júmalattaret. Julia, Judith, Juliette, dat zouden godinnennamen kunnen zijn. Het stuk is als een boek vol emotie. Verdriet ligt in Hannigans zucht en vreugde in haar zang. Vrees en verlangen vechten met elkaar. Adoratie en aanbidding. Ze voelt met haar voeten, met haar hele lichaam en ze brengt dat gevoel naar de zaal. Godinnelijk! Ik voel me gelukkig. Zolang het concert duurt en nog lang daarna, voel ik me gelukkig.

Camino portugues

Leestijd: 3 minuten“Mijn broer had de tocht naar Santiago willen lopen”, zegt Nuria. “Maar het lukte hem niet meer.” Ze kijkt me strak aan. Er drijft even een donkere wolk over ons kennismakingsgesprek. “Ik loop voor hem”, zegt ze zacht.

Ze pakt de arm van Luis, haar vriend en knijpt erin. Hij kust haar en verdrijft de wolk. “Wat een prachtige etappe vandaag, niet?”

We zijn vandaag naar Pontevedra gelopen. En met tientallen lopers in de gemeentelijke herberg aangekomen. Dertig kilometers, die we vooral in de ochtend hebben gelopen. Want om de warmte voor te zijn, vertrekt iedereen zo vroeg mogelijk. Het eerste uur in het donker is makkelijker dan het laatste uur onder een onbarmhartige zon. De koperen ploert. Ik begrijp nu waar die uitdrukking vandaan komt.

Tussen Pontevedra en Santiago de Compostela liggen nog ongeveer zeventig kilometer. Zeventig kilometer waarop ik over mijn drijfveren kan nadenken. Waarom loop ik? Overleden of zieke familie? Nee, niet echt. Loop ik uit religieuze motieven naar Santiago? Nee, absoluut niet. Langs de weg naar Santiago staan honderden kruisen en prachtige kerkjes en kathedralen. Mooi, maar ze zeggen me niet meer dan dat er religieuze motieven bestonden. En ongetwijfeld nog bestaan. Wil ik dan misschien mezelf vinden, de wereld beter begrijpen of wil ik iets oplossen? Nee, mooi meegenomen, maar dat is niet wat ik tevoren bedacht heb.

“Het mooie van de weg is de weg zelf”, vertelde ik gisteren een wandelgenoot uit Duitsland. En terwijl ik het zei, ging ik het ook geloven. We zijn eerder door een industriepark gelopen en hebben een paar keer de drukke provinciale route gekruist. “Het gaat niet om het einddoel, maar om de beleving. De ochtenden, de mensen vanuit de hele wereld die je tegenkomt, het eenvoudige ritme van opstaan, lopen, eten, rusten en slapen, de ervaring van de kilometers die je achter je laat.”

Honderdzeventig kilometer heb ik nu achter me gelaten. Ik heb mensen ontmoet uit Australië, Martinique, Italië, Zuid-Korea, België, Peru en vanzelfsprekend uit Portugal en Spanje. Zij lopen immers ongeveer door hun achtertuin. Meestal gaat een gesprek niet dieper dan de zon, de blaren, de weg, de bedwantsen of de herberg.

Hoewel het me deze dagen moeilijk valt me op het boek te concentreren, haal ik misschien wel meer diepte uit het verhaal over de familie Cazalet. Elizabeth Jane Howard beschrijft daarin de relaties, de passies en de misstappen van de verschillende familieleden in de naoorlogse jaren. Prachtig! Meeslepend, normaal gesproken, maar tijdens deze intensieve wandeldagen is er voor de Cazalets vaak nauwelijks ruimte in mijn hoofd.

In de vroege ochtend, de dag erna, vul ik de waterfles onder de kraan en neem ik een paar koekjes. Ik sleur mijn rugzak, tien kilo op mijn rug, en doe hem meteen weer af. Zit alles – paspoort, stempelkaart, tandenborstel, telefoon, camera, zonnebrand – er wel in? “Ik geloof dat ik een beetje last krijg van dwangneuroses”, zeg ik tegen mijn bedgenoot – ik op het onderbed, zij erboven. Stapelbedgenoot, dus zo spannend is het niet. Take care, zegt ze en ze flipflopt naar de doucheruimte.

Buiten hangt een lichte nevel. Ik zie Luis en Nuria daarin oplossen. Hij voor haar, zij voor haar overleden broer. Buen camino, fluister ik. Niemand die het hoort.

Meer camino-foto’s staan hier.

In het middelpunt van Europa

Leestijd: 5 minuten“Zit je nu Duits te leren”, vraag ik aan het meisje naast mij. Ze leest aantekeningen met werkwoordsvervoegingen. Ja, soms zijn mijn vragen geniaal (;-)). We zitten in de trein van Praag naar Olomouc en ik worstel me, toevallig, door een Duitstalige biografie over Lou Salomé. Een boek dat meer gaat over haar relaties met mannen – filosoof Friedrich Nietzsche, publicist Paul Rée en de in Moravië geboren Sigmund Freud – dan over de in Rusland geboren psychoanaliste zelf. Het meisje studeert in Olomouc en heeft morgen examen, vertelt ze. Ja, Duits is moeilijk, en ze moet nog een paar jaar. Maar ik denk dat ze deze biografie vlotter zou lezen dan ik.

Olomouc is een stad in Moravië, ruim 200 kilometer oostelijk van Praag. Het heeft de sfeer van een provincieplaats, zeker in vergelijking met Praag. Het Deventer van Tsjechië zeg maar, of Wageningen.

Heel wat anders dan Praag in elk geval. Dat moet je vergelijken met Amsterdam, Parijs, Rome, Barcelona. Heel veel toeristen in het centrum van de stad die bij elkaar lijken te kruipen rond de highlights. In Praag is dat de Karelsbrug over de Vltava-rivier, het grote stadsplein in de oude stad, de Praagse Burcht (een complex van kastelen, kerken en musea), de Joodse begraafplaats en het museum over Mucha.

Ik ben over de Karelsbrug gelopen, slingerend tussen de drommen fotograferende toeristen. Ja, en ik ben ook naar dat museum gegaan. Alfons Mucha is net als Franz Kafka een Tsjechisch symbool. Wat Vincent van Gogh is voor Nederland. Mucha ging naar Parijs en maakte er vanaf 1894 veel posters voor het theater van de beroemde actrice Sarah Bernhardt. Prachtige vrouwen in mooie poses. Art nouveau. Ik vind het mooi, de posters, maar het museum is klein, druk en teveel op toeristen gericht die er in een halfuurtje doorheen snellen.

Mooie stad hoor, Praag. Architectuur, sfeer, een rivier, uitgaansleven en veel musea. En bovendien ligt Praag in het middelpunt van Europa en heeft het een compact centrum en goedkoop bier. Dat trekt een hoop mensen. Massatoerisme.

In de Praagse Burcht, met uitzicht op de stad, wil een groep Spaanse mannen een foto maken. Een van hen gaat binnenkort trouwen en viert nog even zijn vrijgezellenstatus. Met liters bier, schat ik. Ik schiet een paar foto’s op de smartphone van een van hen. Een kwartiertje later ontdek ik een rustig straatje dat me van de hogergelegen burcht terugvoert naar de stad. Bijna alle toeristen drommen de trappen af in plaats van het straatje. Voor me uit lopen slechts een paar nonnen.

Zware pijen

Praag ligt middenin Bohemen. Volgens de legende voelde prinses Libuse dat hier een stad zou komen. Ze trouwde met een boerenjongen en stichtte de dynastie van de Premysliden, zo’n familie van koningen die jarenlang over het land heerst. Tot ongeveer 1300. Karel IV, naamgever van ongeveer de beroemdste brug ter wereld, wordt in 1347 koning van Bohemen en later ook nog benoemd tot keizer van het Heilige Roomse Rijk. Het was een bijzondere eer, geloof ik, als de Paus je kroonde als keizer van dat grote politieke verband van staatjes in een gebied dat liep van Nederland tot Midden-Italië.

Karel trouwde met de 13-jarige Blanche van Valois, de zus van Filips VI die koning van Frankrijk zou worden. Een kindhuwelijk zou je denken, maar Karel zelf was ook net 13. Kinderenhuwelijk. Kinderen van 13 hadden toen een andere status. Klein uitgevallen volwassenen, als je ook de schilderijen uit de middeleeuwen ziet.

Karel IV liet Bohemen bloeien en maakte van Praag een belangrijke hoofdstad. Ik stel me dat voor als een stad met handel, een stad die groeide, waar kerken werden gebouwd en pleinen. En waar machtige mensen rondliepen in mooie kostuums in prachtige paleizen.

Ook in Bohemen kwam er net als een goede honderd kilometer noordwestelijker, waar Luther in Leipzig kritiek uitte, verzet tegen het machtsmisbruik van de katholieke kerk. Hier was dat Jan Hus met zijn Hussieten. Hus stierf in 1415 op de brandstapel, maar de twisten bleven. En veel mensen werden later protestant.

De contrareformatie, vanaf ongeveer 1620, was zo heftig dat de protestanten op de vlucht sloegen. In Tsjechië is nu het katholicisme het grootst (ongeveer een kwart van de bevolking), maar veruit de meeste Tsjechen rekenen zich niet tot een religieuze groep. Er staan mooie, grote kerken. In Olomouc zijn verschillende kloosters en ik zie ook veel monniken in zware pijen lopen. Maar een oud klooster waar ik heenloop, net buiten de stad, is kortgeleden omgevormd tot een ziekenhuis.

Charta 77

Het verhaal over de politiek is zoals zo vaak het masculiene verhaal van moord oorlog. De ontmanteling van het Oostenrijks-Hongaarse rijk na de Eerste Wereldoorlog, de republiek Tsjechoslowakije, de inval van de Duitsers in Sudetenland in 1938 en een half jaar later in heel Tsjechië.

Dan is er de moord op nazi-leider Reinhard Heydrich in Praag, de moord waarover de Franse schrijver Laurent Binet dat bijzondere boek Hhhh over schreef. Verder de onderdrukking in de stalinistische staat en de Praagse lente in 1968. Ik lees erover op een terrasje met een halve liter bier voor me, en zie soms standbeelden, herdenkingstekens of straatnamen die aan de grote gebeurtenissen herinneren.

Charta 77 ken ik vaag, maar hoe zat het ook weer? Toen de Russen de Praagse lente ruw braken en de oppositie muilkorfden, waren de dissidenten even stil, maar niet weg. Gesteund door de Helsinki-akkoorden over de mensenrechten ondertekenden een paar duizend kunstenaars en intellectuelen een manifest dat die Helsinki-waarden onderstreepte. Dat was Charta 77. Die ondertekenaars werden vaak vervolgd of verbannen, maar één ervan, Vaclav Havel, sprak het volk toe na de fluwelen revolutie in 1989. Hij werd staatshoofd.

Meer aan de zijlijn van de grote geschiedenis is er de defenestratie, aanpak van politieke tegenstanders die bijna traditie leek te worden. Ze werden het raam uitgegooid. Of het verhaal van een rabbijn uit de 16e eeuw, bevriend met de astronoom Tycho Brahe, die een beeld van klei, de golem, tot leven zou hebben gewekt. Praag was sowieso een centrum van magie en alchemie. Of Karel Capek die in het begin van de 20e eeuw het woord ‘robot’ voor het eerst gebruikte. Wat zou die opkijken als hij 80 jaar na zijn dood weer even tot leven zou komen en onze gedigitaliseerde wereld zou zien.

En dan het verhaal van de Roma en de marginalisatie en discriminatie van deze mensen. Is er een lijn te trekken naar het vluchtelingenbeleid van het land? Tsjechië heeft net als Hongarije, Slowakije en Polen de grenzen gesloten voor vluchtelingen, doof voor de EU-oproep om deel te nemen aan de opvang van mensen die vluchten voor oorlog en onderdrukking.

Janácek

Terug in Nederland lees ik Milan Kundera, ook een dissident, en een migrant. Hij vluchtte naar Parijs en schreef veel van zijn mooiste boeken in het Frans. Het boek Verraden testamenten gaat over kunst en literatuur, Musil bijvoorbeeld. En vooral over Janácek die hij als de grootste Tsjechische componist beschouwt. Groter dan Dvorak, Smetana en Martinu. Het probleem van Janácek was dat hij in Brno woonde, honderd kilometer onder Olomouc en ook een provinciestadje, zeker vergeleken met Praag. Janácek schreef vernieuwende opera’s en fantastische pianomuziek, maar ze werden niet gehoord. Of niet begrepen.

Ik bezoek het huis in Brno waar hij leefde, nu een museum. Na een treinreis vanuit Olomouc die wat langer duurt dan normaal omdat er aan het spoor wordt gewerkt. Als ik bij het museum kom, is het nog dicht. Een halfuurtje later ben ik de eerste bezoeker van de dag, net voordat er een groep van zeker twintig Japanse toeristen komt. Voordat die oosterse invasie plaatsvindt, wijst de suppoost me de weg. “Als je dit allemaal gezien hebt, kan ik een dvd starten over Janácek”, zegt ze. Ik zie de mooie documentaire, een Duitse productie van ruim een uur, helemaal uit, terwijl de Japanners na tien minuten vertrekken.

Het is een van de hoogtepunten van mijn korte Tsjechiëreis. Net als de uitvoering van het Nationaal Tsjechisch Ballet op mijn laatste avond in Praag. Choreografieën van de dansers zelf, soms uitermate klassiek en op spitzen en soms heel modern en bijna urban. Ze hebben muziek gebruikt van barok tot Bowie. Ik vind het prachtig.

Een selectie van mijn foto’s staat hier.

Buen camino

Leestijd: 5 minutenEr zijn honderden redenen te bedenken om de Camino de Santiago te lopen, tot Santiago de Compostela in het noordwesten van Spanje of een stukje ervan. Niet veel van de mede-peregrinos die ik tegenkwam in de week dat ik de Camino liep, verdenk ik van religieuze motieven, hooguit spirituele motieven. Het graf van apostel Jacobus bezoeken of dichter bij God zijn. Ik kan weinig met dat soort motieven. In de middeleeuwen was er nog een aflaat te halen in Santiago, een korting op het vagevuur. Later speelde volgens Herman Vuijsje het navoelen van het lijden van Jezus een rol. ‘De camino mocht niet over rozen lopen, maar moest over doornen gaan.’

Culturele motieven, noemt een Spaanse site. Dat is voor velen nu een belangrijke reden. Voor de meesten, denk ik. Of huilen en uitrazen, wat verdriet of tegenslag vooronderstelt. Jezelf terugvinden, pure eenzaamheid ervaren of juist vriendschap vinden. Liefde misschien, zoals die Oostenrijkse medepelgrim die vertelde hoe hij zijn lief was tegengekomen tijdens een eerdere tocht. De natuurbeleving, de uitdaging of de sport. De lokale wijnen langs de route ontdekken, een alternatief voor playa en pretparken bezoeken of nu eindelijk eens het land van Goya en Don Quijote leren kennen.

Het is heel simpel, haal een stempelkaart, vul je rugzak met wat voeding, water en kleding en begin te lopen. Vooropgezet dat je een beetje conditie hebt. Begin liefst vroeg in de ochtend, tegen zonsopgang. Of eerder als je een nachtlampje hebt. Volg de borden en pijlen en als je rond de middag in de buurt van een herberg komt, is dat wellicht een mooi moment om de tocht voor die dag te onderbreken.

Ik was in Pamplona waar ik een taalcursus deed. Weinig cursisten, maar dat trekt me juist wel. Een stad die ik vaag kende, waarvandaan ik vrienden kon bezoeken en waar ik me kon onderdompelen in het Spaanse leven. Dat zocht ik daar. Na afloop van de cursus had ik nog een weekje. En pas een dag of drie voordat ik me op de Camino begaf, bedacht ik dat het misschien wel een goed idee was me op de Camino te begeven. Misschien hielp het dat een Spaanse vriendin me enthousiast appte dat ze net die week de laatste vijf etappes naar Santiago had gelopen. Mijn simpele motto: lopen is leuk!

Behoorlijk onvoorbereid, ja. Maar goed, wat heb je nodig? Zo dacht ik. Behalve een paar loopschoenen, een tandenborstel en natuurlijk, vanzelfsprekend, onontbeerlijk, een boek. Waar ga je heen zonder boek? Ik nergens. Nooit.

In dit geval was dat helaas niet Homo Deus, het prachtige, meeslepende, overtuigende werk van de Israëlische historicus Yuval Noah Harari. Grappig dat ik een Schotse vrijwilligster die wacht hield bij een kerkje onderweg juist met dat boek zag. Grappig ook omdat Noah Harari religie als heel functioneel beschrijft: het christendom is bedacht om landbouw en consumptie van planten en dieren te legitimeren. Zijsprongetje. Dat boek had ik al voor de vakantie gelezen, ik las nu een dikke Spaanse roman van Paloma Sanchez-Garnica.

Terug naar de tocht. Pamplona ligt een 750 kilometer van Santiago de Compostela, maar juist de oversteek van de Pyreneeën trok me aan. Dus nog een stukje terug. Ik kocht een ‘credencial’, een stempelkaart die als bewijs geldt voor de herbergen dat je daadwerkelijk bezig bent met de Camino. Alleen op vertoon van die kaart kun je daar slapen. Ik nam de bus naar Saint Jean Pied-de-Port, net over de Spaanse grens en drie etappes vóór Pamplona. En ik liep er naar het toeristenbureau voor een eerste stempel.

Daar schoten de tranen me in de ogen. Mijn eerste stempel! Hoeveel zouden er volgen, wat zou ik tegenkomen, is dit het begin van iets, hoeveel honderdduizenden mensen zijn me voorgegaan, wat is dit? Ik vraag me af of de stempelaar van het toeristenbureau iets heeft gemerkt. Hij was wel heel vriendelijk en wenste me ongeveer als eerste ‘buen camino’.

Later die dag raakte ik opnieuw geëmotioneerd. Ik had de acht kilometer naar herberg Orisson gelopen en me daar ingeschreven. Tot het gezamenlijk avondeten had ik nog een paar uur en ik probeerde te lezen. Dat ging moeizaam. Blij dat om 7 uur ’s avonds het eten op tafel stond. Er zaten ruim dertig peregrinos aan twee lange tafels. Ik zat naast Victor en Estefania, twee Spaanse wandelaars. Er waren veel Italianen, een paar Amerikanen. Er was nog een Argentijn, een van de eersten die ik tegenkwam. Ik zag hem later, nauwelijks gestopt met lopen voor die dag, met een halve liter bier. ‘Dat is goed voor je spieren’, beweerde hij.

De Franse eigenaresse van de herberg vroeg even aandacht voor dat ze met het toetje kwam. ‘Willen jullie allemaal je naam en land noemen?’ Op dat moment zag ik mijn mede-peregrinos pas. Allemaal mensen zoals ik die soms al eerder de Camino hadden gelopen, maar meestal net gestart waren. Sommigen gingen heel zelfverzekerd staan, met trots en overtuiging, anderen waren juist super verlegen, misschien wel extra door de bravoure van anderen. En ik kreeg opnieuw de tranen in mijn ogen.

Het maakt me niet uit wat de motieven zijn. Of je nu op zoek bent naar inkeer en reflectie of niet, daar misschien toe gedwongen wordt, al lopend. Of ook al wil je alleen maar even lopen. Maakt mij niet uit. Maar ik vind het mooi wat Vuijsje – ook een pelgrim zonder God – daarover schreef: ‘Wie nu naar Compostela trekt, maakt zich los van waarden als effectiviteit en efficiëntie. Vaak weet hij zelfs niet wat hij wil en gaat hij op pad om daar achter te komen. Terwijl we in ons dagelijks leven steeds doelgerichter zijn geworden, is op de camino een tegengestelde ontwikkeling te zien.’

Ik denk aan het Italiaanse echtpaar, die ik net voor Pamplona waarschijnlijk voor de vijfde keer die dag, tegenkwam. “We leven tijdelijk in een aparte wereld, een wereld waarin je enige doel is lopen, stempelen, eten en slapen. Los van de wereld, afgekeerd van de wereld. Al die mensen die we tegenkomen, en die niet de Camino lopen, zijn buitenstaanders. Voor hen gaat het echte leven door. Wij zijn daar even weg.” Dat is mooi, vakantiedoel op zich. En dat je helemaal in het nu leeft. Dat gevoel had ik ook. Niet bezig met zoeken of aankomen, maar hooguit ervaren, beleven, lopen.

Het meest overtuigende was dat ik op de laatste ochtend, in Estella, ergens blij was dat ik niet verderging, maar ergens ook jaloers op de wandelaars die verder gingen. Ik zie jullie nog wel een keer!

Foto’s Camino
Meer foto’s van deze zomer in Spanje