Categoriearchief: reizen

Op reis naar mijn moeder

“Hoe ben je nu hier gekomen?”, vroeg ze. Sinds ik mijn auto had verkocht, reisde ik met trein en bus. Reizen naar haar duurde wat langer, maar ik vond het plezieriger. In plaats van me te storen aan opdringerige weggebruikers, las ik een boek. Maar de afstand leek gegroeid. Een reis duurde gemakkelijk twee keer zo lang. Voor mijn moeder voelde het alsof ik verder weg was gaan wonen. Ze had me het liefst om de hoek.

Mijn moeder was mijn morele baken. Dat is ze nog steeds. Als ik me afvraag wat te doen, denk ik vaak aan haar. Wat zou ze ervan vinden? Als ik op een buitenlandse reis ben, wil ik haar vertellen over indrukwekkende plekken en leuke ontmoetingen. Toen ze nog leefde, las ze mijn reisverslagen als eerste, ze googelde me regelmatig, ze maakte zich zorgen om mijn uitglijders, ze volgde mijn leven. Ik volgde het hare veel minder.

Ze overleed zeven jaar geleden. De neiging om even te bellen, is gebleven. Wonderlijk! Regelmatig bedenk ik: dat moet ik haar toch even vertellen. Mijn gevoelens, twijfels, succesjes en mijn beschamende misstappen. Alles wat ze die zeven jaar gemist heeft. Ik kijk naar de telefoon. Voorheen belden we wekelijks even met elkaar. En zo eens in de maand stapte ik in trein en bus om haar even vast te houden en te kussen.

Mijn moeder is mijn voorbeeld. Haar rust en gelijkmoedigheid kalmeerden me. Ze oordeelde niet snel, en met terughoudendheid. Ze veroordeelde nauwelijks. In een tijd van snelle oordelen op basis van halve informatie, ga ik af op wat zij zou doen. Wat zou zij zeggen? Ze probeerde iedereen te begrijpen. Oké, ze ergerde zich aan onverschilligheid, luiheid en een onverzorgd uiterlijk. Dat was haar opvoeding en de waarden die ze mij probeerde mee te geven.

Ik weet nog veel van de reisjes naar haar. En ook van ons 52 jaar lang gedeelde leven. Ik herinner me hoe ik me voelde als ik naar haar toe ging. En ook hoe ik me voelde als ik weer in tegenovergestelde richting vertrok, geïnspireerd voor de weken die komen gingen. “Hoe ik hier gekomen ben?” Ik kijk naar haar zachte ogen die me op een of andere manier altijd zullen blijven volgen. “Als vanzelf mam. Over de paden van de liefde, de wegen van geluk, de wolken van verlangen.” Zo zou ik het nooit hebben gezegd, maar zo voelt het nu.

Vraag me alles, maar begin niet over de Brexit

Vakantie is voor mij ook elke keer nadenken over het fenomeen ‘vakantie’. Het voelt anders sinds mijn werkzame leven minder gestructureerd is, zo’n vakantie.
En het is begrijpelijk, maar ook best jammer dat het toerisme zo uitbundig is gegroeid. Busladingen mensen rijden naar de topattracties. Daar schuifel je met z’n allen langs The Book of Kells, door beroemde kastelen en pubs en in het centrum van Galway. Niet alleen daar, maar in elke uithoek kom je toeristen tegen. En dan ga ik ook nog in de drukste vakantieweken, want dan voelt Wageningen saai en leeg.
Wat zoek ik dan precies? Een andere omgeving, rust, ontmoeten van mensen, een andere cultuur?

Het antwoord is ongetwijfeld te vinden in de keuzes die ik maak tijdens zo’n reis. Ik ga naar kunstmusea, ik loop lange afstanden in en buiten de stad, ik zoek een Airbnb, ik zit in een stil park, vraag bij de toeristeninformatie of er nog ergens een uitvoering van klassieke muziek of moderne dans is, ik ga in de bibliotheek een boek lezen, ik lees sowieso een hoop en ik sleep ook altijd een stapeltje zorgvuldig uitgezochte boeken mee. Dit jaar nam ik die mee naar Ierland en Noord-Ierland.

Alleen de eerste dagen in Dublin had ik overnachting geregeld, daarna wilde ik naar Belfast en wandelen aan de noordelijke kust, langs de Giant’s Causeway. En ik zou vrienden die ook naar Ierland kwamen, ontmoeten. De rest van de tijd zou zich vanzelf vullen. Maar toch, aan het eind van de vakantie was ik verzadigd en ben ik zelfs een paar dagen eerder teruggekomen dan gepland.



Troubles

Noord-Ierland raakte me het meest, meer dan Ierland. Het weer was er op dat moment beter, en het heeft zeker ook te maken met de recente geschiedenis van de Troubles en onderhuidse spanningen die er nog steeds zijn. Ik heb erover gelezen, exposities bezocht, muurschilderingen gezien en soms, heel soms, iemand erover gesproken. Over wat er gebeurde aan The Bogside, op Bloody Sunday, wat er achter de strijd tussen katholieken en protestanten zat, tussen nationalisten en unionisten. En wat er gebeurde vóór de Troubles.

Het is onvermijdelijk dat je interesse wordt gewekt of aangewakkerd als je in het westen van Belfast langs de muurschilderingen komt, over de stadsmuren van Derry loopt of een museum over de Ierse geschiedenis bezoekt.
Waar ben je, is Derry hetzelfde als Londonderry, vroegen mensen me. Ja, de unionisten spreken over Londonderry en de nationalisten, die liever los van het Verenigd Koninkrijk willen, kiezen voor Derry. London is er in 1613 aangeplakt als een soort van erkenning voor Londense investeerders in de tijd dat land hier gekoloniseerd werd.

Brexit

“Jullie mogen me alles vragen”, zegt Sally die ons, een groep van ongeveer vijftig mensen, deze maandagochtend 29 juli rondleidt in de parlementsgebouwen van het Stormont Estate, aan de oostkant van Belfast. “Maar begin alsjeblieft niet over de Brexit.”

Toen Ierland in 1921 zelfstandig werd en er als een soort van compromis in Noord-Ierland zes Ulster-graafschappen, met overwegend protestantse inwoners, bij het Verenigd Koninkrijk bleven, moest er hier een regering komen die de zaken regelde. Stormont werd gebouwd met geld uit het VK. Er kwam een regering, die gedomineerd werd door de unionisten. Kort nadat de Troubles losbraken, eind jaren zestig – lees over de dreigende sfeer in die jaren The Milkman van Anna Burns –, is de regering overgeplaatst naar Westminster (Londen). Het werd hier te lastig, te rumoerig. Nu zit er sinds het Goede-Vrijdagakkoord (1998) dat een einde aan de Troubles maakte, de Assembly. Die voert een soort van lokaal beleid uit.

De hele Brexit valt daar niet onder, hooguit regionale consequenties. Keith en Sue, een Brits echtpaar dat ik in het hostel in Portstewart ontmoet, zeggen dat ze zich schaamden toen hun land vóór Brexit had gestemd. “Hoe is het mogelijk?”, zeggen ze. “We waren op reis en mensen spraken ons erop aan.” Maar, zeggen ze, niet alle Britten zijn vóór Brexit. In Noord-Ierland (en in Ierland), waar het merendeel tegenstemde, maken ze zich grote zorgen over de gevolgen. Een nieuwe grens? Opnieuw strijd tussen mensen die Noord-Ierland dan los willen weken van het VK en mensen die daar tegen zijn? Je moet er niet aan denken.  

Sympathie

Ierland is het ruige landschap, boomloos vaak en de rode koppen van de mannen die voor de pub staan met een groot glas zwart bier, te schreeuwen tegen elkaar over de verloren wedstrijd. Binnen is op zeven grote tv-schermen sport te zien: voetbal, hurling, golf, paardenrennen. Ierland is ook druilregen en vette fish & chips. Het is een land waar ik soms moeite mee heb. Bijvoorbeeld als ik naar die pub ga om te eten – je kunt er vaak goed en goedkoop eten – maar de live-muziek me haast de tent uit blaast. Of op dagen dat ik me uit het veld laat slaan door een dichte deur, een losse schoenveter of urenlange regen.
 
Ik gleed bij aankomst in Belfast met veertien kilo op mijn rug uit over een natte stoep en stapte vervolgens mijn leesbril kapot. Wat doe ik in dit koude, natte land?
In Dublin slaap ik drie nachten in het huis van Mark, zeker 1,90 meter lang, afgaande op de hoogte van het spiegeltje in de badkamer, maar ik zie hem nooit. “Onregelmatige diensten”, schrijft hij. “De sleutel ligt in een sleutelbox links van de voordeur.”

Maar Ierland is meer. Dublin is ook niet zozeer de stad van Mark, maar eerder van de dichter Seamus Heaney (mooie expositie), Francis Bacon (zijn ongelooflijk rommelige studio in Hugh Lane Museum), de National Gallery en het schiereiland Howth. Postscript van Heaney is een gedicht over hoe een landschap ons sprakeloos kan maken. Dat kan ook in Ierland. Of in Noord-Ierland.

En dan ontmoet ik opnieuw een supervriendelijk iemand die me alle tegenslagen doet vergeten. Ik loop langs de indrukwekkende muurschilderingen waar ik Bobby Sands herken, de gevangen IRA-strijder die ruim zestig dagen in hongerstaking ging tot hij stierf. De schilderingen drukken solidariteit uit met sociale strijd elders in de wereld. Rosa Parks, Nelson Mandela en de onafhankelijkheidsstrijd in Catalonië bijvoorbeeld.

Oké, het woord nationalisme blijft een negatieve connotatie houden, zeker, maar onwillekeurig krijg ik sympathie voor de Ieren die zich eeuwenlang tegen Britse overheersing hebben verzet.

Revolutionairen

“Dat ben ik”, wijst een vrouw in het Revolutionary Museum in Belfast. Ze staat op een foto die gemaakt is met een mini-cameraatje dat de gevangenis werd binnengesmokkeld. Ze zat gevangen in de tijd van de Troubles. In het museum is haar gevangeniscel nagebouwd. Er wordt beschreven wat zestig dagen hongerstaking met je doet en waarom mensen eigenlijk in hongerstaking gingen. IRA-gevangenen wilden afdwingen dat de Britse regering hen zou erkennen als politiek gevangen in plaats van veroordeelde criminelen.

Belfast, waarvandaan al zoveel Ieren naar de nieuwe wereld waren gereisd, is ook de stad waar de Titanic werd gebouwd. Het enorme passagiersschip dat in 1912 op een ijsberg zou lopen. Het is daarmee als je de film hebt gezien een heel klein beetje de stad van Leonardo diCaprio en Kate Winslet. Maar meer dan Kate Winslet in haar mooie rol, telt hier de ‘echte’ geschiedenis van Maud Gonne, Mairéad Farrell en Constance Markievicz.

Countess Markievicz (1868 – 1927) werd voor haar rol bij de Paasopstand van Ierse republikeinen in 1916 ter dood veroordeeld. Die straf werd nooit voltrokken, omdat ze een vrouw was. Ze werd voor Sinn Fein in december 1918 de eerste vrouw die in het Britse Lagerhuis werd gekozen. Daar nam ze geen zitting, maar ze werd lid van het Iers parlement.

Mairéad Farrell, geboren in 1957, kwam al heel jong bij de IRA en werd in 1988 doodgeschoten door het Britse leger. Net als Markievicz werd ook Maud Gonne (1866 – 1953) gearresteerd vanwege haar revolutionaire activiteiten, in 1918. W.B. Yeats (de dichter, niet de schilder Y.B. Yeats) was verliefd op haar, maar ze trouwde met een Franse nationalist en later een Ierse revolutionair, John MacBride. Die werd geëxecuteerd voor zijn rol bij de opstand in 1916. In 1900 had Gonne de nationalistische groep Daughters of Ireland opgericht, die zich inzetten voor de Ierse cultuur. In gevangenschap werd ze ziek en ze werd vrijgelaten op voorwaarde dat ze niet terug zou gaan naar Ierland. Ze ging echter meteen terug om als revolutionair, feminist en activist verder te strijden.

Stepdance

Deze uitweiding tekent wel een beetje waar ik me in verdiepte tijdens de reis door Ierland en Noord-Ierland. In het Ulster Museum, het Tower Museum, in Belfast en Derry, maar ook in Galway, in het City Museum waar de strijd opnieuw werd beschreven, nu met nadruk op de rol van regionale onafhankelijkheidstrijders.

Maar er is meer dan deze geschiedenis. In de bus van Limerick naar Waterford komt een Amerikaanse vrouw naast me zitten. “Ik kom uit New Jersey,” vertelt ze, “en mijn voorouders zijn Ieren.” In Ierland wonen ongeveer zes miljoen Ieren, begrijp ik, maar er zijn ongeveer veertig miljoen Amerikanen met Ierse afkomst. Zelfs Obama had een Ierse voorvader. Vooral na de Grote Hongersnood, na opeenvolgende verloren aardappeloogsten halverwege de 19e eeuw, emigreerden vele Ieren. Katholieken bijna altijd, die aan de overkant van de oceaan grote gezinnen kregen.  

Langzamerhand krijg een idee van wat Iers is. Op de muur in Derry laten kinderen iets zien van de typische manier van dansen. Die dansvorm lijkt goed te passen bij Ierse traditionals op oude instrumenten, bijvoorbeeld een doedelzak. Het is een soort van step- of tapdance, waarbij het bovenlichaam bijna stil wordt gehouden, armen strak naar beneden, en de dans vooral bestaat uit snelle voet- en beenbewegingen. Benen soms hoog gestrekt in de lucht.    


Een selectie van foto’s van mijn reis door Ierland en Noord-Ierland vind je hier en hier.

A small town girl in a big arcade

Jeanne d’Arc kom je in Rouen overal tegen, op straathoeken en pleintjes. Haar naam, haar beeltenis, haar verhaal is hier zo onvermijdelijk als de vezels in volkoren. Ze is nu ruim 600 jaar oud, maar nog steeds negentien. Voor eeuwig negentien.

En voor eeuwig een voorbeeld. De Jeannes van nu? Dat zijn Malala, die strijdt voor onderwijs voor meisjes, Emma Watson, op de bres voor gendergelijkheid, en natuurlijk Greta Thunberg, die onvermoeibaar de machthebbers wijst op hun verantwoordelijkheid voor de toekomst van de aarde en de gevaren van de klimaatcrisis. Niet omdat ze stemmen horen, zoals Jeanne, maar wel omdat ze gedreven zijn en zich genoodzaakt voelen.

Maar terug naar Jeanne d’Arc. Waarom ontmoet je haar zo vaak in Rouen? In kathedraal, museum, als standbeeld en op schilderijen?

Standbeeld van Jeanne d’Arc in Caen

Nee, la Pucelle d’Orléans (de Maagd van Orléans) werd niet geboren in Orléans, maar op 6 januari 1412 in Lotharingen. Ze was een boerenmeisje, de familie d’Arc (van de brug of boog), en had vier broers en zussen. Frankrijk was in oorlog met Engeland dat bijna de helft van het land bezet hield, ongeveer het gebied ten noorden van de Loire. Die bezetting had te maken met de opvolging van de Franse koning.

Koningsloos vochten de Fransen een wanhopige strijd tegen de Engelsen en ook tegen de Bourgondiërs die een akkoord met de Engelsen hadden gesloten – het Hertogdom Bourgondië was een zelfstandige regio rond Dijon. Karel VII was de beoogde troonopvolger, de dauphin, maar zijn kroning moest dan in Reims plaatsvinden, in het noorden van het land, en Reims was bezet. Net als Parijs. En Orléans werd belegerd.

Heilig leger

Jeanne was een erg vroom meisje, altijd in de kerk om te bidden en te biechten. Vanaf haar twaalfde of dertiende zei ze dat ze stemmen hoorde. Die kwamen van Jezus, van aartsengel Michaël en van de heilige Catherina. Later zagen gelovige jongeren bijvoorbeeld Maria verschijnen. En nu zou je iemand zoals Jeanne misschien naar een kinderpsychiater sturen, maar die waren er toen niet. De stemmen, zei ze, vertelden haar dat ze Frankrijk moest bevrijden van de Engelsen.

Jeanne wist niet hoe of wat te doen, maar uiteindelijk wendde ze zich in 1428 tot een plaatselijke edelman Robert de Bradicourt. Die geloofde haar eerst niet – ‘stemmen?’ –, maar ze bleef aandringen. Vervolgens reisde Jeanne naar het kasteel van Chinon. Karel VII had de residentie vanuit het Louvre in Parijs verplaatst naar deze relatief veilige plek aan de Loire. Ook daar waren ze aanvankelijk nogal sceptisch, zo’n boerenmeisje. Maar ook daar wist ze met haar onbevangen houding te overtuigen. Ik stel me The Favourite voor, de film waarin om de genegenheid van Queen Anne wordt gestreden. Misschien zou Yorgos Lanthimos, de regisseur van die film, zich eens op het verhaal van Jeanne en Karel VII moeten storten.

Hoe dan ook, Jeanne kreeg een leger. Denk je eens in: een meisje van zestien of zeventien dat een leger gaat aanvoeren. In een tijd dat de enige vrouwen die in de buurt van zo’n leger kwamen, prostituees waren. “Nee”, zei ze, “dit is een heilig leger.” Geen prostituees, maar priesters reisden mee. Zo kwam ze in Orléans, waar ze, hoewel de legerleiders poogden haar buiten de gevechten te houden, dapper meedeed. Wordt gezegd. Tot groot enthousiasme van de Fransen, zo’n meisje in harnas met de vlag van de dauphin. Ze kreeg de gehate Engelsen op de knieën. Op 8 mei 1429 gaven ze het op en was Orléans bevrijd.

Arcade

Dat was voor haar eigenlijk nog maar het begin. Jeanne werd bejubeld en op de golven van het succes ging ze verder. Zoals Duncan Laurence die na het winnen van het Eurovisie Songfestival overal in uitverkochte zalen zingt, als a small town girl in a big arcade. Jeanne van de Arc(ade).

George William Joy, ‘le sommeil de Jeanne d’Arc’, 1895

Reims werd veroverd en Karel de VII gekroond. Koning nu, besloot Karel echter een wapenstilstand te sluiten, tot woede van Jeanne die de Engelsen juist wilde verdrijven. De troost, dat zij en haar familie in de adelstand werden verheven, interesseerde haar niet. Bovendien liet de koning haar gruwelijk in de steek toen de Bourgondiërs haar gevangen namen. Die leverden haar uit aan de Engelsen.

De Engelsen beschuldigden haar van hekserij en ketterij – geef nou maar toe dat je geen stemmen hebt gehoord – en begonnen een showproces in Rouen. Of eigenlijk voerde bisschop Pierre Cauchon het proces. Niet echt onpartijdig, om het zachtjes uit te drukken, want hij verweet Jeanne het verlies van zijn bisdom.

Daar kon hij geen zaak van maken, natuurlijk. Maar een jaar lang kwamen er vooral mensen langs die haar beschuldigden. En Jeanne werd vele malen ondervraagd, ze werd slecht behandeld en ze kreeg ook nog een rondleiding door de martelkamer. Ik vraag me af wat voor ‘rondleiding’ ze dan kreeg. “Kijk mevrouw d’Arc, hier ziet u de folterkist, dit is het rad waarop u heel langzaam doodgaat, dan de knieënsplijter, hier de kwelpeer die we in uw vagina of uw mond kunnen opendraaien en dat daar, de borstenscheurder. Heeft u nog vragen?” Gruwelijk! Het bleef bij dreigementen, en hoe dan ook, ze maakte op haar ondervragers en uiteindelijk ook op de beul veel indruk.

Maar ze bezweek onder de druk en ze vroeg vergiffenis voor haar daden. Ze werd aanvankelijk veroordeeld tot levenslang en mocht nooit meer mannenkleren of een harnas dragen. Toen ze dat in haar cel toch deed, misschien omdat ze bang was om verkracht te worden door de bewakers – dat hadden ze al eerder geprobeerd – was het afgelopen. Ze herriep haar spijtbetuiging en zei dat ze alleen maar vergiffenis had gevraagd in een zwak moment, opdat ze niet zou worden verbrand. Nu wilde ze liever sterven dan levenslang gevangen zitten.

Er werd een brandstapel voor haar gebouwd en ze moest dood op de Vieux Marché in Rouen omdat ze mannenkleren droeg. In de Bijbel staat immers dat je niet de kleren aantrekt van het andere geslacht (Deuteronomium 22:5). Allejezus! De Kerk trok de handen van haar af en Jeanne d’Arc, de redster van Frankrijk, stierf op 30 mei 1431. Het land treurde. En besloot een paar decennia later dat niet Jeanne de ketter was, maar bisschop Cauchon (daar kom ik zo op terug). Een paar eeuwen later (in 1920) werd ze alsnog heilig verklaard. 

Androgyn

Haar bijzondere verhaal – het boerenmeisje dat Frankrijk redt – inspireerde vele schilders. In het Musee des Beaux Arts in Rouen is een zaal met alleen maar Jeanne d’Arcs. In Parijs hangt het beroemde schilderij van Eugène Delacroix waarop een vrouw het volk aanvoert. Die vrouw in La Liberté guidant le peuple (De Vrijheid leidt het Volk) is natuurlijk Jeanne d’Arc, of op zijn minst geïnspireerd door haar. Zoals ze op blote voeten en in een onderjurk onverschrokken de vlag zwaait.

Ze inspireerde schrijvers zoals Bertolt Brecht, Mark Twain, Michel Tournier (Gilles et Jeanne), Hubert Lampo (De duivel en de maagd) en een paar jaar geleden nog Kathryn Harrison en Lidia Yuknavitch (The book of Joan). En verder filmmakers en musici zoals Tsjaikovski en Verdi en ook Leonard Cohen, Kate Bush, Madonna en The Smiths (Bigmouth strikes again).

In 2017 bracht het Nationale Theater het verhaal in de versie van Friedrich Schiller (première van Die Jungfrau von Orléans in 1801) opnieuw op toneel. Jeanne is multi-inzetbaar, zei regisseur Theu Boermans van Het Nationale Theater tegen Opzij (23 januari 2017). “Die meerduidigheid als personage maakt haar zo interessant.”

Multi-inzetbaar, maar soms ook wel uitermate dubieus om haar als symbool voor jouw ‘strijd’ op te voeren. Franse socialisten omarmden haar eind 19e eeuw en later zagen de Franse nationalisten haar als voorbeeld, het Front National bijvoorbeeld. Zij gebruiken, of beter: misbruiken haar, in de strijd tegen vreemde overheersing. Voor de Kerk is ze een bruid van God. En voor het feminisme is Jeanne een symbool omdat ze niet kiest voor trouwen en kinderen krijgen, maar ze voor zichzelf een heel andere taak ziet weggelegd. Ze zag er androgyn uit, als de overgeleverde beelden kloppen, met kort haar en mannenkleding. Ze voerde zelf het woord ter verdediging tijdens het proces en ze was het toonbeeld van een sterke vrouw. Ik lees ook een verhaal van iemand die Jeanne d’Arc aanvoert in de dierenbevrijding.

Of Jeanne wordt vergeleken met jonge mensen die zich laten verleiden tot strijd en terrorisme. Volgens Boermans laat Schiller prachtig zien wat de sociale en emotionele omstandigheden zijn waardoor iemand tot dergelijke daden komt. “Het zijn vaak sensibele jonge mensen in moeilijke sociale omstandigheden die in een identiteitscrisis verkeren en het geloof extremer toepassen dan hun ouders.”

Schiller zag haar toen hij het stuk eind 18e eeuw schreef, niet alleen als een historische heldin, maar ook als een jonge vrouw. Jeanne zou zelf niet gevochten hebben, maar Schiller geeft haar een zwaard in de hand. Haar heilige strijd wankelt echter in het stuk, wanneer ze een jonge Engelsman doodt die smeekt voor zijn leven. En als ze met een tweede Engelsman worstelt en die in de ogen kijkt, wordt ze verliefd.

Dan komt ze in een crisis omdat ze wordt geconfronteerd met de consequenties van het geweld. Ze komt tot bezinning, “en haar onderdrukte seksualiteit komt vrij”, zegt Boermans. “Daardoor wordt ze menselijk.” En ook complexer, een personage dat een ontwikkeling doormaakt en aan zichzelf gaat twijfelen. Ze daalt af van die hoge wolk, neemt afstand van het iconische beeld en komt misschien wel dichter bij ons. Ze redt het nog wel, in de strijd tegen de Engelsen, maar is misschien toch niet zo anders dan wij, gewone mensen.

‘Jeanne d`Arc listening to her voice’, Leon Francois Benouville

Dapper meisje

Je wilt misschien weten hoe het afloopt in Frankrijk en met Jeanne na haar dood. De Fransen hebben dankzij haar een kantelpunt in de oorlog met de Engelsen bereikt. Ze dringen de Engelsen steeds verder terug en bijna twintig jaar na de dood van Jeanne veroveren ze ook Rouen weer. De hertog van Bourgondië verbreekt zijn band met de Engelsen en op 10 september 1435 komt er een vredesverdrag met koning Karel VII. Parijs wordt weer teruggeven aan de Fransen.

Na zijn intocht in Rouen vraagt Karel VII om het proces van Jeanne te heropenen. De paus wijst dat af. Maar als zes jaar later de moeder van Jeanne, die net als Jeanne zelf en haar hele familie in de adel verheven was, ook een verzoek doet, wordt dat wel geaccepteerd. Zij wil de naam van haar dochter zuiveren.

Bij dat nieuwe proces, in Reims in 1455 en 1456, wordt Jeanne door de getuigen geschetst als een eerlijk, zuiver, integer en dapper meisje. De inquisiteur beschrijft haar als een martelares. Dat proces verloopt veel grondiger dan 25 jaar eerder, maar de uitkomst is toch ook wel politiek. De schuldigen zijn immers bij voorbaat al de Engelsen die Jeanne kochten van de Bourgondiërs en het proces financierden waarin ze veroordeeld werd. Er waren ook wel Engelsen die Jeanne niet dood wilden en juist probeerden dat eerdere proces, onder leiding van bisschop Cauchon, te vertragen of tegen te werken. Na het rehabilitatieproces groeit in Frankrijk de liefde voor Jeanne d’Arc.

Oké, de stemmen waren misschien hallucinaties of er was een andere verklaring voor, maar ze inspireerde uiteindelijk toch een heel land tot verzet en bevrijding. Vanaf 1920 was 8 mei, de dag van de bevrijding van Orléans, een feestdag ter ere van haar. Het is nu vooral de dag dat het einde van WO II wordt herdacht. En Frankrijk herdenkt Jeanne d’Arc elk jaar op 30 mei, de dag dat ze stierf op de brandstapel.

Met Hannigan in de hemel

Intens, intensief en, zo lijkt het, intuïtief. Blote voeten, handen voor haar mond, zuchtend, roepend, zingend. Zo staat Barbara Hannigan in het grote auditorium van het Calouste Gulbenkian. In Lissabon. Ze brengt een modern-klassieke compositie van avant-gardist en saxofonist John Zorn.

Het stuk heet Jumalattaret. Proef dat woord, Jumalattaret! Zet de klemtoon vooraan. Jú. Júmalattaret. Fins, schijnt het. Godinnen, betekent het. Zorn liet zich inspireren door de Kalevala, een verzameling eeuwenoude verhalen die in 1835 zijn opgetekend. Ik associeer het met het koude noorden. Hoog, zoals de stem van Hannigan. IJl, zoals de begeleiding van de piano. Complex, zoals de compositie. Intrigerend, zoals de hele voordracht. En onbereikbaar ver, want weg zodra de klanken zijn weggestorven.

John Zorn zit in de zaal, Barbara Hannigan staat op het podium en Stephen Gosling zit achter de piano. Achthonderd mensen zijn muisstil. Ze zijn gegrepen. Gepakt. Opgeslokt. Ze zijn in het moment, in een prachtig moment. Het is een schitterend geluk. Achthonderd mensen voelen zich opgetild, als mijn gevoel te extrapoleren valt. Dan zijn ze net zo gebiologeerd, geborgen, gezegend, gelukkig. Verzaligd als dat een woord is. Verzield. Gehannigand. Gezornd. In aanbidding van de godinnen.

Stel je voor, je bent in Lissabon, en hoort dat je gratis naar een concert kunt. Een première van een sopraan die je bewondert. Oké, je moet Lissabon met een dag verlengen, je moet een kaartje bemachtigen en je bent weer buiten voor je binnen bent, want het concert duurt nog geen half uur. Je staat langer in de rij voor een kaartje dan dat je straks in de zaal zit.

Maar wat zou het? Voor de fameuze Belém-gebakjes, drie happen, is de wachttijd twee uur. Voor een blik in Lello’s, de beroemde boekenwinkel van Porto, maximaal een kwartier, sta je drie uur in de rij. Wil je naar het openbare openluchtoptreden van het Nationaal Ballet van Portugal, zorg dan dat je lang tevoren een stoel vindt. En blijf zitten.

Júmalattaret. Julia, Judith, Juliette, dat zouden godinnennamen kunnen zijn. Het stuk is als een boek vol emotie. Verdriet ligt in Hannigans zucht en vreugde in haar zang. Vrees en verlangen vechten met elkaar. Adoratie en aanbidding. Ze voelt met haar voeten, met haar hele lichaam en ze brengt dat gevoel naar de zaal. Godinnelijk! Ik voel me gelukkig. Zolang het concert duurt en nog lang daarna, voel ik me gelukkig.

Buen camino

“Mijn broer had de tocht naar Santiago willen lopen”, zegt Nuria. “Maar het lukte hem niet meer.” Ze kijkt me strak aan. Er drijft even een donkere wolk over ons kennismakingsgesprek. “Ik loop voor hem”, zegt ze zacht.

Ze pakt de arm van Luis, haar vriend en knijpt erin. Hij kust haar en verdrijft de wolk. “Wat een prachtige etappe vandaag, niet?”

We zijn vandaag naar Pontevedra gelopen. En met tientallen lopers in de gemeentelijke herberg aangekomen. Dertig kilometers, die we vooral in de ochtend hebben gelopen. Want om de warmte voor te zijn, vertrekt iedereen zo vroeg mogelijk. Het eerste uur in het donker is makkelijker dan het laatste uur onder een onbarmhartige zon. De koperen ploert. Ik begrijp nu waar die uitdrukking vandaan komt.

Tussen Pontevedra en Santiago de Compostela liggen nog ongeveer zeventig kilometer. Zeventig kilometer waarop ik over mijn drijfveren kan nadenken. Waarom loop ik? Overleden of zieke familie? Nee, niet echt. Loop ik uit religieuze motieven naar Santiago? Nee, absoluut niet. Langs de weg naar Santiago staan honderden kruisen en prachtige kerkjes en kathedralen. Mooi, maar ze zeggen me niet meer dan dat er religieuze motieven bestonden. En ongetwijfeld nog bestaan. Wil ik dan misschien mezelf vinden, de wereld beter begrijpen of wil ik iets oplossen? Nee, mooi meegenomen, maar dat is niet wat ik tevoren bedacht heb.

“Het mooie van de weg is de weg zelf”, vertelde ik gisteren een wandelgenoot uit Duitsland. En terwijl ik het zei, ging ik het ook geloven. We zijn eerder door een industriepark gelopen en hebben een paar keer de drukke provinciale route gekruist. “Het gaat niet om het einddoel, maar om de beleving. De ochtenden, de mensen vanuit de hele wereld die je tegenkomt, het eenvoudige ritme van opstaan, lopen, eten, rusten en slapen, de ervaring van de kilometers die je achter je laat.”

Honderdzeventig kilometer heb ik nu achter me gelaten. Ik heb mensen ontmoet uit Australië, Martinique, Italië, Zuid-Korea, België, Peru en vanzelfsprekend uit Portugal en Spanje. Zij lopen immers ongeveer door hun achtertuin. Meestal gaat een gesprek niet dieper dan de zon, de blaren, de weg, de bedwantsen of de herberg.

Hoewel het me deze dagen moeilijk valt me op het boek te concentreren, haal ik misschien wel meer diepte uit het verhaal over de familie Cazalet. Elizabeth Jane Howard beschrijft daarin de relaties, de passies en de misstappen van de verschillende familieleden in de naoorlogse jaren. Prachtig! Meeslepend, normaal gesproken, maar tijdens deze intensieve wandeldagen is er voor de Cazalets vaak nauwelijks ruimte in mijn hoofd.

In de vroege ochtend, de dag erna, vul ik de waterfles onder de kraan en neem ik een paar koekjes. Ik sleur mijn rugzak, tien kilo op mijn rug, en doe hem meteen weer af. Zit alles – paspoort, stempelkaart, tandenborstel, telefoon, camera, zonnebrand – er wel in? “Ik geloof dat ik een beetje last krijg van dwangneuroses”, zeg ik tegen mijn bedgenoot – ik op het onderbed, zij erboven. Stapelbedgenoot, dus zo spannend is het niet. Take care, zegt ze en ze flipflopt naar de doucheruimte.

Buiten hangt een lichte nevel. Ik zie Luis en Nuria daarin oplossen. Hij voor haar, zij voor haar overleden broer. Buen camino, fluister ik. Niemand die het hoort.

Meer camino-foto’s staan hier.

In het middelpunt van Europa

“Zit je nu Duits te leren”, vraag ik aan het meisje naast mij. Ze leest aantekeningen met werkwoordsvervoegingen. Ja, soms zijn mijn vragen geniaal (;-)). We zitten in de trein van Praag naar Olomouc en ik worstel me, toevallig, door een Duitstalige biografie over Lou Salomé. Een boek dat meer gaat over haar relaties met mannen – filosoof Friedrich Nietzsche, publicist Paul Rée en de in Moravië geboren Sigmund Freud – dan over de in Rusland geboren psychoanaliste zelf. Het meisje studeert in Olomouc en heeft morgen examen, vertelt ze. Ja, Duits is moeilijk, en ze moet nog een paar jaar. Maar ik denk dat ze deze biografie vlotter zou lezen dan ik.

Olomouc is een stad in Moravië, ruim 200 kilometer oostelijk van Praag. Het heeft de sfeer van een provincieplaats, zeker in vergelijking met Praag. Het Deventer van Tsjechië zeg maar, of Wageningen.

Heel wat anders dan Praag in elk geval. Dat moet je vergelijken met Amsterdam, Parijs, Rome, Barcelona. Heel veel toeristen in het centrum van de stad die bij elkaar lijken te kruipen rond de highlights. In Praag is dat de Karelsbrug over de Vltava-rivier, het grote stadsplein in de oude stad, de Praagse Burcht (een complex van kastelen, kerken en musea), de Joodse begraafplaats en het museum over Mucha.

Ik ben over de Karelsbrug gelopen, slingerend tussen de drommen fotograferende toeristen. Ja, en ik ben ook naar dat museum gegaan. Alfons Mucha is net als Franz Kafka een Tsjechisch symbool. Wat Vincent van Gogh is voor Nederland. Mucha ging naar Parijs en maakte er vanaf 1894 veel posters voor het theater van de beroemde actrice Sarah Bernhardt. Prachtige vrouwen in mooie poses. Art nouveau. Ik vind het mooi, de posters, maar het museum is klein, druk en teveel op toeristen gericht die er in een halfuurtje doorheen snellen.

Mooie stad hoor, Praag. Architectuur, sfeer, een rivier, uitgaansleven en veel musea. En bovendien ligt Praag in het middelpunt van Europa en heeft het een compact centrum en goedkoop bier. Dat trekt een hoop mensen. Massatoerisme.

In de Praagse Burcht, met uitzicht op de stad, wil een groep Spaanse mannen een foto maken. Een van hen gaat binnenkort trouwen en viert nog even zijn vrijgezellenstatus. Met liters bier, schat ik. Ik schiet een paar foto’s op de smartphone van een van hen. Een kwartiertje later ontdek ik een rustig straatje dat me van de hogergelegen burcht terugvoert naar de stad. Bijna alle toeristen drommen de trappen af in plaats van het straatje. Voor me uit lopen slechts een paar nonnen.

Zware pijen

Praag ligt middenin Bohemen. Volgens de legende voelde prinses Libuse dat hier een stad zou komen. Ze trouwde met een boerenjongen en stichtte de dynastie van de Premysliden, zo’n familie van koningen die jarenlang over het land heerst. Tot ongeveer 1300. Karel IV, naamgever van ongeveer de beroemdste brug ter wereld, wordt in 1347 koning van Bohemen en later ook nog benoemd tot keizer van het Heilige Roomse Rijk. Het was een bijzondere eer, geloof ik, als de Paus je kroonde als keizer van dat grote politieke verband van staatjes in een gebied dat liep van Nederland tot Midden-Italië.

Karel trouwde met de 13-jarige Blanche van Valois, de zus van Filips VI die koning van Frankrijk zou worden. Een kindhuwelijk zou je denken, maar Karel zelf was ook net 13. Kinderenhuwelijk. Kinderen van 13 hadden toen een andere status. Klein uitgevallen volwassenen, als je ook de schilderijen uit de middeleeuwen ziet.

Karel IV liet Bohemen bloeien en maakte van Praag een belangrijke hoofdstad. Ik stel me dat voor als een stad met handel, een stad die groeide, waar kerken werden gebouwd en pleinen. En waar machtige mensen rondliepen in mooie kostuums in prachtige paleizen.

Ook in Bohemen kwam er net als een goede honderd kilometer noordwestelijker, waar Luther in Leipzig kritiek uitte, verzet tegen het machtsmisbruik van de katholieke kerk. Hier was dat Jan Hus met zijn Hussieten. Hus stierf in 1415 op de brandstapel, maar de twisten bleven. En veel mensen werden later protestant.

De contrareformatie, vanaf ongeveer 1620, was zo heftig dat de protestanten op de vlucht sloegen. In Tsjechië is nu het katholicisme het grootst (ongeveer een kwart van de bevolking), maar veruit de meeste Tsjechen rekenen zich niet tot een religieuze groep. Er staan mooie, grote kerken. In Olomouc zijn verschillende kloosters en ik zie ook veel monniken in zware pijen lopen. Maar een oud klooster waar ik heenloop, net buiten de stad, is kortgeleden omgevormd tot een ziekenhuis.

Charta 77

Het verhaal over de politiek is zoals zo vaak het masculiene verhaal van moord oorlog. De ontmanteling van het Oostenrijks-Hongaarse rijk na de Eerste Wereldoorlog, de republiek Tsjechoslowakije, de inval van de Duitsers in Sudetenland in 1938 en een half jaar later in heel Tsjechië.

Dan is er de moord op nazi-leider Reinhard Heydrich in Praag, de moord waarover de Franse schrijver Laurent Binet dat bijzondere boek Hhhh over schreef. Verder de onderdrukking in de stalinistische staat en de Praagse lente in 1968. Ik lees erover op een terrasje met een halve liter bier voor me, en zie soms standbeelden, herdenkingstekens of straatnamen die aan de grote gebeurtenissen herinneren.

Charta 77 ken ik vaag, maar hoe zat het ook weer? Toen de Russen de Praagse lente ruw braken en de oppositie muilkorfden, waren de dissidenten even stil, maar niet weg. Gesteund door de Helsinki-akkoorden over de mensenrechten ondertekenden een paar duizend kunstenaars en intellectuelen een manifest dat die Helsinki-waarden onderstreepte. Dat was Charta 77. Die ondertekenaars werden vaak vervolgd of verbannen, maar één ervan, Vaclav Havel, sprak het volk toe na de fluwelen revolutie in 1989. Hij werd staatshoofd.

Meer aan de zijlijn van de grote geschiedenis is er de defenestratie, aanpak van politieke tegenstanders die bijna traditie leek te worden. Ze werden het raam uitgegooid. Of het verhaal van een rabbijn uit de 16e eeuw, bevriend met de astronoom Tycho Brahe, die een beeld van klei, de golem, tot leven zou hebben gewekt. Praag was sowieso een centrum van magie en alchemie. Of Karel Capek die in het begin van de 20e eeuw het woord ‘robot’ voor het eerst gebruikte. Wat zou die opkijken als hij 80 jaar na zijn dood weer even tot leven zou komen en onze gedigitaliseerde wereld zou zien.

En dan het verhaal van de Roma en de marginalisatie en discriminatie van deze mensen. Is er een lijn te trekken naar het vluchtelingenbeleid van het land? Tsjechië heeft net als Hongarije, Slowakije en Polen de grenzen gesloten voor vluchtelingen, doof voor de EU-oproep om deel te nemen aan de opvang van mensen die vluchten voor oorlog en onderdrukking.

Janácek

Terug in Nederland lees ik Milan Kundera, ook een dissident, en een migrant. Hij vluchtte naar Parijs en schreef veel van zijn mooiste boeken in het Frans. Het boek Verraden testamenten gaat over kunst en literatuur, Musil bijvoorbeeld. En vooral over Janácek die hij als de grootste Tsjechische componist beschouwt. Groter dan Dvorak, Smetana en Martinu. Het probleem van Janácek was dat hij in Brno woonde, honderd kilometer onder Olomouc en ook een provinciestadje, zeker vergeleken met Praag. Janácek schreef vernieuwende opera’s en fantastische pianomuziek, maar ze werden niet gehoord. Of niet begrepen.

Ik bezoek het huis in Brno waar hij leefde, nu een museum. Na een treinreis vanuit Olomouc die wat langer duurt dan normaal omdat er aan het spoor wordt gewerkt. Als ik bij het museum kom, is het nog dicht. Een halfuurtje later ben ik de eerste bezoeker van de dag, net voordat er een groep van zeker twintig Japanse toeristen komt. Voordat die oosterse invasie plaatsvindt, wijst de suppoost me de weg. “Als je dit allemaal gezien hebt, kan ik een dvd starten over Janácek”, zegt ze. Ik zie de mooie documentaire, een Duitse productie van ruim een uur, helemaal uit, terwijl de Japanners na tien minuten vertrekken.

Het is een van de hoogtepunten van mijn korte Tsjechiëreis. Net als de uitvoering van het Nationaal Tsjechisch Ballet op mijn laatste avond in Praag. Choreografieën van de dansers zelf, soms uitermate klassiek en op spitzen en soms heel modern en bijna urban. Ze hebben muziek gebruikt van barok tot Bowie. Ik vind het prachtig.

Een selectie van mijn foto’s staat hier.

Buen camino

Er zijn honderden redenen te bedenken om de Camino de Santiago te lopen, tot Santiago de Compostela in het noordwesten van Spanje of een stukje ervan. Niet veel van de mede-peregrinos die ik tegenkwam in de week dat ik de Camino liep, verdenk ik van religieuze motieven, hooguit spirituele motieven. Het graf van apostel Jacobus bezoeken of dichter bij God zijn. Ik kan weinig met dat soort motieven. In de middeleeuwen was er nog een aflaat te halen in Santiago, een korting op het vagevuur. Later speelde volgens Herman Vuijsje het navoelen van het lijden van Jezus een rol. ‘De camino mocht niet over rozen lopen, maar moest over doornen gaan.’

Culturele motieven, noemt een Spaanse site. Dat is voor velen nu een belangrijke reden. Voor de meesten, denk ik. Of huilen en uitrazen, wat verdriet of tegenslag vooronderstelt. Jezelf terugvinden, pure eenzaamheid ervaren of juist vriendschap vinden. Liefde misschien, zoals die Oostenrijkse medepelgrim die vertelde hoe hij zijn lief was tegengekomen tijdens een eerdere tocht. De natuurbeleving, de uitdaging of de sport. De lokale wijnen langs de route ontdekken, een alternatief voor playa en pretparken bezoeken of nu eindelijk eens het land van Goya en Don Quijote leren kennen.

Het is heel simpel, haal een stempelkaart, vul je rugzak met wat voeding, water en kleding en begin te lopen. Vooropgezet dat je een beetje conditie hebt. Begin liefst vroeg in de ochtend, tegen zonsopgang. Of eerder als je een nachtlampje hebt. Volg de borden en pijlen en als je rond de middag in de buurt van een herberg komt, is dat wellicht een mooi moment om de tocht voor die dag te onderbreken.

Ik was in Pamplona waar ik een taalcursus deed. Weinig cursisten, maar dat trekt me juist wel. Een stad die ik vaag kende, waarvandaan ik vrienden kon bezoeken en waar ik me kon onderdompelen in het Spaanse leven. Dat zocht ik daar. Na afloop van de cursus had ik nog een weekje. En pas een dag of drie voordat ik me op de Camino begaf, bedacht ik dat het misschien wel een goed idee was me op de Camino te begeven. Misschien hielp het dat een Spaanse vriendin me enthousiast appte dat ze net die week de laatste vijf etappes naar Santiago had gelopen. Mijn simpele motto: lopen is leuk!

Behoorlijk onvoorbereid, ja. Maar goed, wat heb je nodig? Zo dacht ik. Behalve een paar loopschoenen, een tandenborstel en natuurlijk, vanzelfsprekend, onontbeerlijk, een boek. Waar ga je heen zonder boek? Ik nergens. Nooit.

In dit geval was dat helaas niet Homo Deus, het prachtige, meeslepende, overtuigende werk van de Israëlische historicus Yuval Noah Harari. Grappig dat ik een Schotse vrijwilligster die wacht hield bij een kerkje onderweg juist met dat boek zag. Grappig ook omdat Noah Harari religie als heel functioneel beschrijft: het christendom is bedacht om landbouw en consumptie van planten en dieren te legitimeren. Zijsprongetje. Dat boek had ik al voor de vakantie gelezen, ik las nu een dikke Spaanse roman van Paloma Sanchez-Garnica.

Terug naar de tocht. Pamplona ligt een 750 kilometer van Santiago de Compostela, maar juist de oversteek van de Pyreneeën trok me aan. Dus nog een stukje terug. Ik kocht een ‘credencial’, een stempelkaart die als bewijs geldt voor de herbergen dat je daadwerkelijk bezig bent met de Camino. Alleen op vertoon van die kaart kun je daar slapen. Ik nam de bus naar Saint Jean Pied-de-Port, net over de Spaanse grens en drie etappes vóór Pamplona. En ik liep er naar het toeristenbureau voor een eerste stempel.

Daar schoten de tranen me in de ogen. Mijn eerste stempel! Hoeveel zouden er volgen, wat zou ik tegenkomen, is dit het begin van iets, hoeveel honderdduizenden mensen zijn me voorgegaan, wat is dit? Ik vraag me af of de stempelaar van het toeristenbureau iets heeft gemerkt. Hij was wel heel vriendelijk en wenste me ongeveer als eerste ‘buen camino’.

Later die dag raakte ik opnieuw geëmotioneerd. Ik had de acht kilometer naar herberg Orisson gelopen en me daar ingeschreven. Tot het gezamenlijk avondeten had ik nog een paar uur en ik probeerde te lezen. Dat ging moeizaam. Blij dat om 7 uur ’s avonds het eten op tafel stond. Er zaten ruim dertig peregrinos aan twee lange tafels. Ik zat naast Victor en Estefania, twee Spaanse wandelaars. Er waren veel Italianen, een paar Amerikanen. Er was nog een Argentijn, een van de eersten die ik tegenkwam. Ik zag hem later, nauwelijks gestopt met lopen voor die dag, met een halve liter bier. ‘Dat is goed voor je spieren’, beweerde hij.

De Franse eigenaresse van de herberg vroeg even aandacht voor dat ze met het toetje kwam. ‘Willen jullie allemaal je naam en land noemen?’ Op dat moment zag ik mijn mede-peregrinos pas. Allemaal mensen zoals ik die soms al eerder de Camino hadden gelopen, maar meestal net gestart waren. Sommigen gingen heel zelfverzekerd staan, met trots en overtuiging, anderen waren juist super verlegen, misschien wel extra door de bravoure van anderen. En ik kreeg opnieuw de tranen in mijn ogen.

Het maakt me niet uit wat de motieven zijn. Of je nu op zoek bent naar inkeer en reflectie of niet, daar misschien toe gedwongen wordt, al lopend. Of ook al wil je alleen maar even lopen. Maakt mij niet uit. Maar ik vind het mooi wat Vuijsje – ook een pelgrim zonder God – daarover schreef: ‘Wie nu naar Compostela trekt, maakt zich los van waarden als effectiviteit en efficiëntie. Vaak weet hij zelfs niet wat hij wil en gaat hij op pad om daar achter te komen. Terwijl we in ons dagelijks leven steeds doelgerichter zijn geworden, is op de camino een tegengestelde ontwikkeling te zien.’

Ik denk aan het Italiaanse echtpaar, die ik net voor Pamplona waarschijnlijk voor de vijfde keer die dag, tegenkwam. “We leven tijdelijk in een aparte wereld, een wereld waarin je enige doel is lopen, stempelen, eten en slapen. Los van de wereld, afgekeerd van de wereld. Al die mensen die we tegenkomen, en die niet de Camino lopen, zijn buitenstaanders. Voor hen gaat het echte leven door. Wij zijn daar even weg.” Dat is mooi, vakantiedoel op zich. En dat je helemaal in het nu leeft. Dat gevoel had ik ook. Niet bezig met zoeken of aankomen, maar hooguit ervaren, beleven, lopen.

Het meest overtuigende was dat ik op de laatste ochtend, in Estella, ergens blij was dat ik niet verderging, maar ergens ook jaloers op de wandelaars die verder gingen. Ik zie jullie nog wel een keer!

Foto’s Camino
Meer foto’s van deze zomer in Spanje

Vijf redenen om niet naar Leipzig en Dresden te gaan

  1. Dresden lag toch helemaal plat. Er vielen bij geallieerde bombardementen op de stad, februari 1945, tienduizenden doden. Al die barokgebouwen (Zwinger, Hofkirche, Frauenkirche, Semperoper) zijn toch weg? Dat geldt inderdaad voor de Frauenkirche, maar die is mooi herbouwd. Maarten Luther staat weer op het plein. Loop je door het centrum, langs de opera, over het Brühlse terras, langs de Elbe, door de tuinen van de Zwinger, dan kun je je eeuwen terug wanen. De tijd van Napoleon die met Saksen tegen Pruisen streed. Of de tijd van Bach, en cantate BWV 82 in de Thomaskirche. In Leipzig dan weer.
  2. Geen Louvre of Hermitage. Nee, een museum waarvan je in een dag nog niet eens een kwart hebt gezien, is er niet. Maar de kunst is behoorlijk groots. Ik heb teveel tijd verloren in het Albertinum (Dresden) en het Museum der Bildenden Künste (Leipzig) om nog naar de oude meesters in de Zwinger te kunnen. Of de Grüne Gewölbe in het Residenzschloss. Nog eens terug dan maar. Het valt me niet mee om dan een week tevoren te bedenken dat je die Grüne Gewölbe wilt bezoeken, maar reservering is er noodzakelijk. Je koopt kaartjes voor een bepaald tijdslot.
  3. Het is een pokkeneind met de trein, Saksen. Drie of vier keer overstappen, in de zenuwen, want haal ik de aansluiting wel? We bereiken Magdeburg op een 150 km ten noorden van Leipzig, en de trein gaat stuk. Echt, dat gebeurt zowel op de heenweg als op de terugweg. Er rust een vloek op Magdeburg. Het is de vloek van een Germaanse heks uit het duistere Teutoburgerwoud. Vast! Ik las Martin Walser op de heenweg, een boek over Goethe, en Thomas Manns Lotte in Weimar op de terugweg, groot deel ervan in elk geval. Alweer Goethe. Ook mooi, hoewel misschien wat overdreven vol en gelaagd, was Het stenen bruidsbed van Harry Mulisch (speelt in het platgebombardeerde Dresden, zo’n twaalf jaar nadien, verwijst naar Troje waar Helena aanzet was tot verwoesting, en toont een diepe drift tot destructie die niet alleen steden raakt, maar ook anderen, jezelf. Liefde leidt bij Mulisch tot vernietiging). En Melancholie van de onrust, van Joke Hermsen. Dat had ogenschijnlijk niets met deze steden te maken, maar melancholie was blijkbaar een groot thema bij Goethe.
  4. Bier en worst. Wat moet je daar als vegetariër? Gelukkig zitten er Mexicanen, Turken, Italianen, Aziaten, die je zeker geen worst voorzetten. En ook in een super-Duits restaurant kun je wel iets vegetarisch vinden, veganistisch zelfs. Ik heb de Käsespätzle geprobeerd, met een biertje. Een Köstritzer want dat is het oeroude bier hier, sinds de 16e eeuw. Goethe dronk al Köstritzer.
  5. Je komt Bach (1685-1750), Goethe (1749-1832) of Luther (1483-1546) echt niet tegen. Mendelssohn of zijn zus Fanny, Schumann en zijn bijzondere vrouw Clara. Al stadswandelend. De kans is groter dat je Claudia Schiffer, Peter Sloterdijk, Anne-Sophie Mutter of Angela Merkel tegenkomt. Maar je kunt je in de voetstappen van die grote mensen wanen. Ik bedoel dan niet Claudia, Peter oder Angela, hoezeer ik hen ook bewonder. Want hier speelde Clara ooit piano, hier componeerde Bach zijn cantates en hier stond de wieg van Wagner. Hier schilderde Ernst Ludwig Kirchner, begin 20e eeuw, en ontstond Die Brücke (een expressionistische kunststroming). Hier startte Luther 500 jaar geleden de Reformatie en schreef Goethe, rechtenstudent in Leipzig, zijn romantische dichtregels. Kennst du das Land wo die Zitronen blühn? Ja, dat is wel merkwaardig, alsof Goethe zelf je aanraadt Leipzig en Dresden te vergeten en maar liever naar Italië te gaan.

Lesendes Mädchen van Gustav Adolph Hennig
Clara Schumann
Bildnis einer jungen Dame van Hugo von Habermann

Meer foto’s van Leipzig en Dresden (en nog een reden om er niet heen te reizen) op www.tonvandenborn.nl.

Danser in Lyon

Schuin kijk ik naar de andere dansers. We hebben allemaal een lange, grijze regenjas aan, een hoed op en grote schoenen aan. Mijn speciale dansschoenen passen zelfs over mijn gewone schoenen heen. Elk half uur kun je hier meedoen aan een uitvoering, ergens in een halfverlicht zaaltje in het Musée des Confluences. We zitten met zo’n vijftien mensen tegen de wand, het licht wordt minder, een stem zegt wat we gaan doen. ‘Sta op en stamp op het ritme van de muziek naar het lichtvlak. Ga heel dicht bij elkaar staan. Handen in je zak en hoofd naar beneden. Ren op het teken allemaal achter een van jullie aan die uit het groepje ontsnapt.’ Ja, in het Frans. Vandaar dat ik me soms moet voegen naar de andere danseurs.

Danser Joe heet het. Het is onderdeel van een expositie over hedendaagse dans. Maguy Marin, Pina Bausch, Merce Cunningham, Kurt Jooss. Le sacre du printemps in vijftig verschillende uitvoeringen. Deze expositie is echt de enige reden dat ik naar dit museum op een stukje grond waar Rhône en Saône samenvloeien (confluence), ben gelopen. De hele geschiedenis van de hedendaagse dans in foto’s, video’s en muziek. Bij de ingang van de expo krijg je een koptelefoon en dan loop je de dynamische wereld van de dans binnen.

lyon-191116-20a-klein

Ik ben in Lyon. Ja, wie gaat er nou naar Lyon? Ik ken niemand die me is voorgegaan. Lyon, daar rijd je zo snel mogelijk aan voorbij op de Route du Soleil naar warmere oorden, zuidelijker streken, zonniger landen. Zo ontoeristisch lijkt me dat dan dat ik er heen wil. Juist daarom. En er is vast wel een theater en een kunstmuseum. Wat blijkt, er is een mooie balletvoorstelling in het theater en een prachtige verzameling in het kunstmuseum. En dat is lang niet het enige.

Vieux-Lyon is het mooiste deel van de stad. Huizen uit de middeleeuwen, pleintjes van kinderkopjes, binnenplaatsjes achter poorten. Traboules heten die doorgangen. Lyon was de stad van de zijdewevers, het was de stad van de marionetten en ik veronderstel dat het ook de stad van de dans is. Of is het toeval dat ik tegen dansscholen en balletwinkels loop, dat er voor de l’Opéra voortdurend hiphopdansers bezig zijn, dat de dansexpositie nu draait? Kan, maar wel een leuk toeval dan.

Op de ene heuvel ontstond een Romeinse stad toen Caesar besloot om vanuit Lugdunum zoals Lyon toen heette de Galliërs te verslaan. Op een andere heuvel strekte zich de Gallische stad Condate uit. Nu de Croix-Rousse, een wijk met bochtige straten en lange trappen. Daar loop ik een paar dagen rondjes. Maar een hoogtepunt is de uitvoering van het Ballet de l’Opéra de Lyon van drie dansstukken van drie verschillende choreografen (Childs, De Keersmaeker en Marin) op muziek van Beethoven. Danser Joe natuurlijk, en het prachtige Musée des Beaux Arts.

Op een grijze maandag – ja, dit museum is open op maandag, er komen dan ook schoolklassen en tekenstudenten – loop ik er uren rond. Langs Picasso, Rubens, Zurbarán, Delacroix, Rodin, Manet. Na een lange kunstmiddag drink ik een biertje in bar les Berthom voordat ik terugreis naar Bron, een voorstad van Lyon waar ik bij Dominique en Albert in hun Airbnb-kamer logeer.

Ik heb een lang weekend veel gezien in Lyon, maar lang niet alles. Het doet me denken aan het gedicht van Wilmink: Op doorreis door Vlaanderen. ‘Ach mijn vrouw wil naar Zuid-Frankrijk / voor vakantie en vertier. / Daarom rijdt ze nu door Vlaanderen / en ik ben haar passagier. / Meid, waarom zo ver gereden, / waarom blijven we niet hier, waarom blijven we niet in Vlaanderen / met zijn duizend soorten bier?’ Lyon? Aanrader. Hoewel de kans steeds kleiner wordt dat je in het Musée des Confluences nog mee kunt doen aan Danser Joe – ik waarschuw maar – blijft er genoeg te zien en te beleven.

Foto’s van Lyon staan hier.

Dance Academy in herhaling

Sammy is verongelukt. Er is veel verdriet op de Australische dansschool in het centrum van Sydney. Tara Webster zou met Sammy dansen voor de Prix de Fonteyn. Hij had voor die prestigieuze internationale danscompetitie een prachtige choreografie in elkaar gezet. En in de uitzending van gisteren was het zover, de dag van de danswedstrijd. Zomer 2016, geen lid van de doelgroep, maar ik kijk de herhaling van Dance Academy, dagelijks op tv.

Het is ook de zomer van vakantie in Japan, een bijzondere ervaring die me nog lang bij zal blijven. Japan heeft indruk gemaakt. De mensen, de sfeer, de bezienswaardigheden. Ik ben er nog niet mee klaar. Met Pokémon Go, de immens populaire game die er deze zomer werd gelanceerd, heb ik nog niet eens kennisgemaakt.

Eerder las ik boeken van Haruki Murakami en Yasunari Kawabata. En met de leesclub bespreken we zondag ‘De tuin van de Samoerai’, van de Amerikaans-Japanse Gail Tsukiyama, maar meer indruk maakte ‘Een bijna volmaakte vriendschap’ van Milena Michiko Flasar. Over de dagelijkse ontmoeting van een salary man (lid van het leger van werknemers die zich dagelijks naar kantoor spoeden en keihard werken) die zijn vrouw niet durft te vertellen dat hij zijn baan kwijt is en de jongen die nadat hij zich twee jaar lang verscholen heeft op een kamertje in het huis van zijn ouders, weer naar buiten komt. Het gaat dan misschien eigenlijk over de sociale druk in de Japanse samenleving. Dat is denk ik een maatschappij waar mensen erg bevreesd zijn om buiten de groep te vallen.

Het is ook de zomer van de Olympische Spelen in Rio. Ik heb enorm veel bewondering voor Nafissatou Thiam bijvoorbeeld, de Belgische zevenkampwinnares, voor Sifan Hassan, die elke 1500 meter totnogtoe beslist vanuit de achterhoede, en voor turnkampioene Sanne Wevers. Op de een 10-centimeter brede evenwichtsbalk waar ze haar salto’s en pirouettes doet, zou ik al hoogtevrees krijgen.

Wat me wel opvalt is dat de tv vaak erg nationalistische keuzes maakt. NPO schakelt steeds naar de Nederlandse sporters en BBC volgt vooral de Engelse medaillekandidaten. Yurigate, de liesblessure van Dafne Schippers, de tegenvallende zwemprestaties, dat vroeg allemaal veel aandacht en diep-filosofische beschouwingen. “Komt het nog goed met de Nederlandse sport, beste kijkers, we gaan het vannacht ontdekken.” De interviewtjes met de sporters – hoe ging het, kun je even ons meenemen in de wedstrijd? – zijn vaak nogal voorspelbaar. Normaal kijk ik zelden sport, maar ik kijk nu voor mooie sport (dat zijn niet de vecht- of krachtsporten) dan nog het liefst naar het Belgische Sporza. “Usain, moeten we je naam niet veranderen van Bolt in Gold?”

Natuurlijk is de zomer altijd de zomer van de Zomergasten. Maar de eerste twee gasten vielen tegen. Hedy d’Ancona (78), PvdA-politica en actief feministe, met haar verhalen over vroeger, filmbeelden van bijvoorbeeld Una giornata particolare, en de actualiteit van Koot en Bie, vond ik wel heel boeiend. De interviewer, Thomas Erdbrink, correspondent in Teheran, komt in mijn ogen niet zo goed uit de verf. De serie is nu halverwege, de zomer is nog niet voorbij. Het kan nog goedkomen.

Het is de zomer van de boeken die ik lees, zoals altijd. Maar echt boeken die me bij zullen blijven, heb ik nog niet gelezen deze zomer. Kan nog. Aardig is nu in elk geval het boek van de Spaanse Marian Izaguirre. ‘Toen het leven nog van ons was.’ Het speelt zich af in 1951, voor mensen die tot het Republikeinse kamp behoorden, betekent het overleven in een fascistisch land waar veel niet meer kan. Het leven is hen ontnomen, lijkt het wel. De buitenlandse Alice en boekhandelaar Lola pakken daar iets van terug en lezen samen de memoires van Rose, een mooi verhaal in een ander mooi verhaal.

dance-academy-tara-on-black

En ten slotte is het dus ook de zomer van Dance Academy, een jeugdserie die voor het eerst werd uitgezonden tussen 2010 en 2013. De drie seizoenen, 65 afleveringen, komen elke werkdag op tv en ik volg het met veel plezier. Nu Sammy is verongelukt en ik de belangrijkste karakters in de serie heb leren kennen, is het verdriet op de dansschool invoelbaar. Bij Abigail bijvoorbeeld die eerder een relatie met Sammy had en bij Ollie, waarmee Sammy uit de kast kwam. Toen ging het een paar afleveringen over zijn homoseksuele geaardheid en reacties van de omgeving daarop. “Ik heb altijd al een homoseksuele vriend willen hebben”, roept Tara uit terwijl ze hem omhelst.

Wat de serie zo goed maakt, is niet alleen het inkijkje in de balletwereld, een wereld die me fascineert, maar ook alle emoties die de dansers meemaken. De ene aflevering zitten ze in een diep dal, na een teleurstelling, een harde opmerking van een dansconcurrent of het gevoel dat ze er nooit zullen komen. De volgende aflevering staan ze in de schijnwerpers, zijn ze volmaakt gelukkig, verliefd misschien, en ervaren ze de vriendschap van medestudenten op de Dance Academy.

Dance Academy wordt vooral verteld vanuit het perspectief van Tara Webster. Ze leert ballettechniek (inspirerend voor mijn danslessen), en soms ook hedendaagse dans en hip-hop. De vrienden, de schoolsfeer, liefdes, de docenten. Ik droom nog weleens van die mooie tijd toen ik net aan de studie in Wageningen begon. Een tijd van dromen en kansen, van hoop en teleurstelling. Er is veel mooie dans te zien in de serie, maar deels is het dan zeker ook nostalgie.