Categoriearchief: vastgeroeste meningen

Degenderen van mode bij ‘State of Fashion’

Leestijd: 5 minuten

De strijd tegen gendernormen in de fashionindustrie is niet nieuw, zegt Alok tijdens een Zoom-meeting van State of Fashion, dinsdag 23 maart. En, vervolgt hen, degendering fashion (afbreken van de binaire categorieën van kleding) gaat niet alleen over trans en non-binaire mensen.

“We zijn in de mythe gaan geloven dat we steeds moeten beantwoorden aan gendernormen”, zegt Alok. Kleding is daar bij uitstek een uiting van. Het zal bevrijdend zijn als we die gendernormen in kleding achter ons kunnen laten, denkt hen. “Degendering fashion doen we niet omdat het politiek correct zou zijn, maar omdat het juist is.”

Voordat ik verder schrijf over het waarom en hoe van degendering fashion, eerst een introductie. Wie is Alok en wat is State of Fashion? Alok (hen/hun) is schrijver, performer en publiek spreker. Hen lanceerde in 2019 #DeGenderFashion: een beweging die genderindeling in de mode- en beauty-industrie wil loslaten. Alok Vaid-Menon schreef twee boeken: Femme in Public (2017) en Beyond the Gender Binary (2020).

Alok, foto van Instagram

State of Fashion

Alok was hoofdgast van een Zoom-meeting van State of Fashion op 23 maart, met als thema ‘loslaten’: over loslaten van gender in kleding. “Een rouwproces”, volgens hen, maar dit loslaten is ook ‘actief verzet tegen geweld’. Veel mensen kiezen met kleding immers eerder voor veiligheid en (gedwongen) opgaan in de groep dan voor authenticiteit. Loslaten is dan ook een manier om “historisch onrecht recht te zetten en hedendaagse rechtlijnigheid, waarbij conventie boven compassie wordt gesteld, af te schaffen.” De wereld wordt er beter van.

State of Fashion is een voortzetting van de Arnhem Mode Biënnale die tot 2013 vijf edities kende. Het ging in die biënnale-events niet zozeer over de economische kant van mode, maar vooral over de culturele, sociale en maatschappelijke invloeden. State of Fashion is nu een platform dat fashionpioniers uit binnen- en buitenland met elkaar verbindt en het bewustzijn vergroot over de ‘huidige uitdagingen in het modesysteem’. Zoals kleding die duurzamer is, rechtvaardiger, inclusiever voor alle lichamen die buiten de standaard vallen, en ook gedekoloniseerd.

Dat verbinden en bewustmaken gebeurt bijvoorbeeld in de ‘interventies’ die sinds oktober 2020 werden georganiseerd. Hier terug te kijken. De vierde, van 23 maart, was de laatste. De volgende activiteit van State of Fashion is de organisatie van een biënnale in 2022.

Intersectioneel verhaal

In de geschiedenis van gender in kleding, dus het onderscheid in meisjes- en jongenskleding, dames- en herenkleding, werkte religie vaak versterkend. Want eh… ‘mannen zijn geen vrouwen, vrouwen zijn geen mannen’. Dat ging als je kijkt naar de christelijke kerk of de islam verder dan de lengte van de rok of de diepte van het decolleté. Kerkvaders hadden vooral veel advies voor vrouwen, zoals matig make-up, weinig kleur, eenvoudige kapsels. Voor alles geen overdaad, want dat zou mannen maar verleiden.

Alok vertelt in de Zoom over ontdekkingsreizigers die van boord stapten en schrokken van blote borsten. Onder het mom van ‘beschaving’ legden ze hun normen op aan de oorspronkelijke bewoners van Afrika en Amerika.

Nu waren er hier ook verschuivingen. Voorheen was fashion iets van de hoogste klassen, het hof tegenover de burgers. Maar vanaf de 19e eeuw ging genderrepresentatie in kleding een grotere rol spelen dan maatschappelijke positie. Feminisering van fashion, kun je misschien wel stellen. Maar de normen leken alleen maar strenger te worden. In steden in de VS bestonden er van 1848 tot de jaren 70 cross-dressingswetten die het strafbaar maakten om kleren van de andere sekse aan te trekken. Vrouwen die broeken droegen, lag moeilijk, en mannen in dameskleding was helemaal ondenkbaar.

Het is een boeiend verhaal, de geschiedenis van gender in kleding. Dan zie je dat kleur bij herenkleding steeds meer verdween, tot alles zwart, grijs of donkerblauw was. De hoge hakken die tot ongeveer de Franse revolutie bij de mannen aan het Franse hof geliefd waren, de pruiken die te zien zijn op schilderijen uit die tijd, de jurken met crinolines en korsetten. Bijvoorbeeld te zien in kostuumdrama’s naar de boeken van Jane Austen of de Bridgertons.

Over die modegeschiedenis zijn vele boeken geschreven en exposities geweest. Ik wil het hierbij laten, maar kort even over de aandacht nu voor dekoloniseren van mode en kledingindustrie. Want koloniën lijken iets van vroeger, maar ze zijn niet echt weg. Kijk naar de grondstoffen voor kleding en de arbeid aan vervaardiging ervan. Die halen we nog steeds vaak uit derdewereldlanden.

Het is, als je ook ziet welke rol ras, gender en klasse speelt in kledingnormen, duidelijk een intersectioneel verhaal. Je kunt niet het ene aspect van de mode-industrie proberen te veranderen zonder de rest te laten liggen.  

Cross-dressingswetten

Maar het thema van de Zoom-meeting is vandaag vooral dat gendernormen soms heel verstikkend werken en dat we daar afstand van moeten nemen. Alok begint in de Zoom-meeting niet voor niets met de moorden en hate-crimes op transgender en non-binaire personen. Veel mensen accepteren blijkbaar niet dat deze personen gender bevragen en de kleren aantrekken die hun passen.

Hen noemt de Amerikaanse mrs. Noonan (of mrs. Nash), die plots erg ziek werd in 1878 en vertelde dat ze begraven wilde worden in de kleren die ze bij overlijden zou dragen. Toen ze haar lichaam tegen haar wil toch aflegden, trokken haar mede-wasvrouwen haar echter de mannenkleren aan waarvan ze toen ontdekten en vonden dat die bij haar lichaam hoorden. Misgendered en ook nog beschuldigd van verraad na overlijden. Begraven in een koloniale genderideologie.

Dit verhaal is te lezen in een essay van Alok. Hen stelt daarin dat de cross-dressingswetten nooit echt verdwenen zijn. Misschien staan ze niet meer in wetboeken, maar ze zitten nog in ons hoofd. Een reden waarom we mode moeten de-genderen. Het essay, vertaald voor deze interventie van State of Fashion, is hier te vinden.

Dan kun je je met Alok afvragen waarom we alles gegenderd hebben: levensloze voorwerpen, kleuren, texturen, stoffen en silhouetten? ‘Waarom is mode, het terrein van ongekende mogelijkheden, experimenten en eindeloze transformatie, ingezet als wapen om de verdeling van miljarden complexe mensen in slechts twee genders te visualiseren (en te romantiseren)? Welke politieke belangen maken het onderscheid tussen een broek en een rok zo uitgesproken en beladen?’

Wat die belangen betreft, wellicht hadden die cross-dressingswetten uit de 19e eeuw te maken met de vrees van mannen dat vrouwen zich zouden ontworstelen uit het patriarchale systeem. Dat ze het aanrecht zouden ontvluchten en hun posities zouden overnemen. De wetten dienden volgens Alok om vrouwen aan huis te kluisteren. De wetten werkten zo, en cross-dressers werden bovendien in de media geridiculiseerd.

Alok tijdens de Zoom-meeting, screenshot

Dragen wat je wilt

Wat doet dat met trans personen? Hun bestaan werd ontkend. Dat van mrs. Noonan. Van Mary Jones, Jeanne Bonnet, Lucie Hicks. Maar zolang als fashion gegendered is, zijn er mensen die zich hiertegen verzetten. Zoals onze transcestors (onze transvoorouders in een term van Alok) die streden voor zelfbeschikking op hun lichaam en het recht te dragen wat ze wilden.

‘Hedendaagse pogingen om gender in mode los te laten’, schrijft Alok, ‘maken deel uit van een lange traditie: van inheemse gemeenschappen over de hele wereld die zich verzetten tegen de koloniale oplegging van westerse kleding tot de Rational Dress Societies van het Verenigd Koninkrijk, tot de Bloomers, tot de uniseksbeweging van de jaren zeventig, en nog veel meer.’ (De Bloomers, dat is de groep van mensen rondom Virginia Woolf en de androgyne Vita Sackville-West, begin 20e eeuw in Londen.)

Alok staat in die traditie, Harry Styles in een jurk op de cover van de Vogue, net als vernieuwende mode-ontwerpers en ook Chromat, een kledingmerk waarvan oprichter Becca McCharen-Tran in dezelfde Zoom-sessie van State of Fashion zat.

We zijn er nog lang niet, denkt Alok. De beweging om kleding te de-genderen is net begonnen. De opdracht aan de kledingontwerpers van vandaag is dan: zet vraagtekens bij de normen, gooi ze overboord, maak je vrij! Dat is de opdracht voor iedereen die daaraan kan, wil, durft bij te dragen: bevraag je favoriete merken en modebedrijven! ‘Hé, waarom blijven jullie je ontwerpen genderen? Welk doel dient dat?’ Want kleden wij onszelf om ons aan te passen aan het idee van hoe mannen en vrouwen horen te zijn of kleden we uiteindelijk onszelf?

Els, wil je met mij trouwen?

Leestijd: 3 minuten

De j is mislukt. Dat maakt de hele actie bijna een grap, maar ik ben serieus. Els, wil je met mij trouwen, staat er. Verkeerd lezen kan niet. Ik heb ondersteboven op de dijk gelegen om de woorden op het spoortalud te schrijven. Els ziet dit als ze straks naar huis fietst. Dan weet ze eindelijk wat ik haar nooit durfde te vertellen.

Ik ken Els nu zeven jaar, drie maanden en vijf dagen. Ze kwam halverwege het laatste basisschooljaar bij mij in de klas. “Kan Els naast jou”, vroeg de juf van groep acht. We deden daarna alles samen. We keken The Crown op Netflix, we lazen elkaars boeken van de bieb, we zaten samen op ballet en we appten elkaar honderd keer op een dag. Of duizend. We waren het altijd eens. Of bijna altijd. En als we het niet eens waren, ging het hooguit over de naam van een vage musicus, de titel van een boek of de hoeveelheid peper op de pizza.

Maar vorige week begon ik te twijfelen. Dat was toen we een paper moesten maken over de rede en het verstand. Iets voor filosofie. Geloven we in elkaar, wat is die vriendschap die we hebben, hoe stevig is dat? Het is alsof er een storm in mijn hoofd heeft gewoed en alles nu plat ligt.

De opdracht was: toon aan dat we helemaal niet de rationele wezens zijn die we denken te zijn. Duh, natuurlijk zijn we dat niet. Het had me lastiger geleken om aan te tonen dat we dat wel waren.

En natuurlijk deden we dat samen. “Waarom vertrouw je iemand”, vroeg ze me. Ik zat met mijn been omhoog nadat ik me bij tennis verstapt had. Een ijszak erop. “Terwijl het verstand je zegt dat het niet zo slim is om die persoon te vertrouwen. Die persoon bedriegt je waar je bij staat. Maar je  houdt van hem, haar of hen. Dat denk je in elk geval. Waarom doe je dat?”

Ik dacht erover na. Wat is de basis voor de overtuigingen die ik heb? Waarom eet ik vegetarisch, maak ik me zorgen om de aarde en geloof ik dat God niet bestaat? Is dat allemaal zo goed doordacht? Heb ik alle bewijzen pro en contra afgewogen? Of vind ik gewoon de mensen die dit met mij delen aardig? En waarom worden veel van die wankele overtuigingen toch alleen maar steviger met de tijd? Terwijl het misschien logischer zou zijn dat ze meer gaan wankelen en af en toe eens omvallen.

Omvallende overtuigingen. Ik zie instortende torens voor me, muren die omvallen. Inslaande kogels, wervelwinden, natuurrampen. Ik draai de ijszak op mijn enkel om.

El sueño de la razón produce monstruos (ets van Goya): De slaap van de rede brengt monsters voort

“Bovendien”, zegt ze, “kunnen woorden soms totaal verschillende betekenis hebben, voor jou of voor mij. Of ze hebben in een bepaalde situatie eigenlijk helemaal geen betekenis omdat je bijvoorbeeld een belofte niet kunt nakomen. Betekent vriendschap voor jou wel hetzelfde als voor mij? Wat denk je?”

Op dat moment wordt er geklopt. “Ga je mee naar zumba?”, vraagt Judith, mijn huisgenoot. Ze kijkt naar ons, naar mijn enkel, de ijszak, mijn weifelende gezicht. Zumba is wel mijn lievelingssport. Als ik echt rationeel zou zijn, is zumba misschien geen goed idee. Als vriendschap voor mij overgave betekende, zou ik Els waarschijnlijk ook niet achterlaten met deze vragen. Met het werkstuk voor filosofie.

Ik ben gaan zumba’en. Mijn enkel is nu nog dikker. Maar toch ben ik naar het spoortalud gefietst waar Els straks langskomt. Echt stom, die j.

Dit verhaal is de eerste van #zevenkunsten. De komende maanden wil ik aan nog zes andere kunstvormen proeven. Essay, sonnet, tekening, compositie.

Terug naar Simone de Beauvoir

Leestijd: 5 minuten

Van alle existentialisten blijft voor mij Simone de Beauvoir het dierbaarst. Zeker na de mooie biografie van Kate Kirkpatrick (2019) en ook na lezing van ‘De Existentialisten’ (2016), een prachtig boek van de Britse Sarah Bakewell.

Bij Bakewell komen ze allemaal voorbij. De fenomenologen rond grondlegger Edmund Husserl, de eigenzinnige boswandelaar Heidegger (die aanvankelijk vele existentialisten inspireerde), Hannah Arendt – Bakewell noemt haar ‘Eichmann in Jeruzalem’ het meest dramatische werk van de existentialistische non-fictie –, en de mensen die met Jean-Paul Sartre en Simone de Beauvoir dagelijks in het café zaten, cocktails dronken, de asbakken vulden en hun rol in de wereld bespraken. Zoals Raymond Aron (de studiegenoot die Sartre vertelde over de fenomenologie), Maurice Merleau-Ponty (Bakewell geeft een eigen hoofdstuk aan de man die met zangeres Juliette Gréco danste) en natuurlijk Albert Camus.  

Camus weigerde te allen tijde geweld te rechtvaardigen, in tegenstelling tot Sartre. Hij schreef in ‘De mens in opstand’ over de noodzaak van voortdurende rebellie om onrechtvaardigheden in de maatschappij te verdrijven en tirannie te beteugelen. Daarmee was hij uiterst kritisch op het sovjetcommunisme in een tijd dat Sartre nog een groot verdediger was van dat systeem. Het was een van de verschillen van inzicht die hen, Sartre en Camus, uit elkaar dreven.  

Breathe

Ook Frantz Fanon heeft hier een plekje tussen de existentialisten gekregen. Zijn naam valt nu af en toe met de demonstraties tegen racisme. Hij schreef in zijn korte leven (hij werd 36) een boek – De verworpenen der aarde – waarvoor Sartre in 1961 het voorwoord schreef. Fanon, geboren in Martinique, zette zich af tegen kolonialisme. Het waren de jaren dat wereldwijd vele oud-koloniën, waaronder Algerije met Frankrijk, in een vrijheidsstrijd gewikkeld waren.

Fanon vond dat geweld onontbeerlijk was voor politieke verandering. Toen in Algerije. Maar hoe zit dat nu in de VS van Trump, waar institutioneel racisme diep in de maatschappij zit en de president dat legitimeert en stimuleert? Voor Afro-Amerikanen gelden er andere regels, ze hebben minder kansen, zijn vaak bij voorbaat verdacht, worden vaker gearresteerd of gemolesteerd en blijken ook nog veel vaker slachtoffer van Covid-19.

Van Fanon is de quote: “When we revolt it’s not for a particular culture. We revolt simply because, for many reasons, we can no longer breathe.”

credits: dai sugano

Bubbels

Simone de Beauvoir zat vaak met Sartre en Camus in de Parijse café’s. Ze spraken er bijvoorbeeld over ethische kwesties (mag je mensenlevens offeren aan een idee?) en over de vraag of je bevriend kon zijn met iemand die andere politieke ideeën had. Ja, vond Camus, De Beauvoir dacht dat aanvankelijk ook, maar veranderde van inzicht. En nee, vond Sartre: ‘Als je heel sterk van mening verschilt, kun je zelfs niet samen naar een film.’

Oké, misschien, maar het maakt toch veel uit of je van mening verschilt over ideologie, over de kwaliteit van een film of over de kleur van je trui. Bovendien veroorzaakt de positie van Sartre de bekende bubbels waarin we nu vaak verkeren, op sociale media en vaak in het echte leven. We zoeken alleen maar bevestiging van onze mening en duwen elke kritische kanttekening weg. Onwenselijk! Het is best moeilijk soms als vrienden populistische standpunten of complottheorieën blijken aan te hangen, maar ik neig naar de positie van Camus.  

Zelf  

Van Simone de Beauvoir heb ik ongeveer alle boeken gelezen. Zoals Uitgenodigd, De Mandarijnen, Niemand is onsterfelijk, Bloed van anderen, Een wereld van mooie plaatjes en de vier delen van haar autobiografie. Het gevoel dat ik na lezing van die boeken keer op keer had, zou je misschien een existentialistische state of mind kunnen noemen. De boeken vormden steeds een aansporing om niet passief te wachten tot dingen je overkomen, maar zelf het leven ter hand te nemen. Dat wilde ze zeggen met haar boeken denk ik: je moet je leven zelf vormgeven.

Bakewell beschrijft wat lezing van De Tweede Sekse met een vrouw deed. Ze las het boek in een ruk uit en herkende zichzelf in de vervreemding die De Beauvoir beschrijft. ‘Die vrouw die hier dagelijks de afwas doet, dat ben ik niet’, bedacht ze. En ze ging filosofie studeren.

Ik vind dat bewonderenswaardig, maar ik heb me ook vaak afgevraagd hoe je nu weet wie je zelf bent en wat je dus moet worden. Hoe kom je bij je authentieke zelf?

Het boek van Bakewell is in elk geval een prachtige mix van biografische beschrijvingen en de gedachten die uit de levens van de filosofen voortkwamen. Dat staat niet los van elkaar, vindt Bakewell, leven en denken. Vroeger dacht ze van wel en was ze vooral in de ideeën geïnteresseerd. Maar kijk naar Heidegger, die achter de nazi’s aanloopt, en Sartre die kiest voor de communisten. Hun keuzes hebben hun filosofie beïnvloed. Of andersom: hun filosofie leidde tot bepaalde keuzes.  

Bakewell werd betoverd door Heidegger toen ze hem voor het eerst las. De magie van de man uit Messkirch, met zijn verwondering over dat er iets is en niet niets. Probeer je dat maar eens voor te stellen! Ze vond ook de gedachte mooi dat het bewustzijn van de mens als een ‘open plek’ in het bos is. Maar ze citeert Iris Murdoch die zei: ‘de man miste karakter, zijn filosofie miste een hart’.

Dat zat er bij Sartre wel, een hart. Hij vergiste zich, schoof met zijn opvattingen, herstelde zich, bleef praten en denken, sprak zichzelf tegen, was erg met zichzelf bezig, maakte fouten en stootte mensen van zich af, maar trok ze ook weer aan. ‘Il est bon’, zei Merleau-Ponty. Hij was menselijk. Geëngageerd. Ik zou nog eens wat van hem moeten lezen.

Wakker

Hoewel ik Sartre toen nauwelijks zelf had gelezen, vooral secundaire literatuur, verwerkte ik zijn idee over (de noodzakelijke) vrijheid in mijn scriptie voor Toegepaste wijsbegeerte tijdens mijn studie aan Wageningen Universiteit. De mens is gedoemd om vrij te zijn, schreef ik op, maar begreep ik het toen wel?

Dat Sartre ondubbelzinnig en absoluut stelt dat we altijd vrij zijn, in alles wat we doen, heeft wel consequenties. Mensen die ervan uitgaan dat hun keuzes niet vrij zijn, maar al tevoren zijn bepaald, zijn waarschijnlijk minder moreel, veronderstelt Bakewell. Hun daden zijn immers al bij voorbaat vergeven, ze konden niet anders. Maar absolute vrijheid betekent bij Sartre ook totale verantwoordelijkheid voor je keuzes. Altijd. We moeten onszelf dan ook steeds opnieuw bepalen. Wij zijn onze vrijheid, maar die vrijheid is een opgave.

Die ideeën over vrijheid en zelfverwerkelijking worden mooi geïllustreerd in films zoals The Matrix, The Truman Show en American Beauty. Het lijstje is van Sarah Bakewell.

Behalve Sartres ideeën over vrijheid hier nog iets over het idee van kwade trouw. Ik begrijp dat je te kwader trouw bent als je stopt met denken (zoals Eichmann?). Kwade trouw is zelfbedrog, zegt Sartre. Maar zelfbedrog is zo gemakkelijk en zo eenvoudig, realiseer ik me. Je moet goed wakker blijven om te voorkomen dat je jezelf niet bedriegt.

Je moet jezelf voortdurend bevragen. Zo weet je misschien dat je iets niet wilt, maar duwt het weg omdat je het niet wilt weten. Zoiets. Je ontloopt je vrijheid omdat dat makkelijker is. Laat anderen maar beslissen. Ik herken het in mijn eigen leven en mijn eigen keuzes. Je richt je vaak naar het hokje waar anderen je in geplaatst hebben. Maar dan leef je, stelde Sartre als ik het goed interpreteer, een schijnbestaan.

Het tegenovergestelde is authenticiteit. Bijvoorbeeld zoals die vrouw die na De Tweede Sekse de afwasborstel laat vallen. Het zit in de weigering om een object te zijn dat doet wat anderen willen, maar het subject die eigen keuzes maakt. Simone de Beauvoir riep vrouwen op om die kwade trouw en de opgedrongen essentie van zich af te schudden. Ze spoorde ze aan autonome keuzes te maken en een authentiek leven te leiden.

In haar biografie geeft Kate Kirkpatrick De Beauvoir de credits die haar toekomen. Ze was niet de schaduw van Sartre, ze ontwikkelde haar eigen ideeën en filosofie, ze was ‘de oermoeder’ van het feminisme zoals we dat nu kennen, ze blijft inspireren en ze schreef prachtige boeken. Ik ben net begonnen in ‘De Ouderdom’, het enige (vertaalde) boek dat ik van haar nog niet had gelezen.

De tanker ligt stil

Leestijd: 7 minuten

Lieve Tine

Ik hoor niets anders meer dan corona. Op tv, op straat, in alle grotemensengesprekken, echt allemaal. Wat is dat toch? Ik haat het. We kunnen niet naar school, dans- en muziekles, iedereen is thuis en we mogen niet naar opa en oma. Soms worden mensen boos als je te dichtbij komt. ‘Afstand houden’, grommen ze dan.

Normaal is computeren wel leuk, maar nu is het best vermoeiend, de hele dag voor de laptop. En ook de vakantie gaat niet door. Die quarantaine was eventjes leuk, gezellig puzzelen met z’n allen, mooie tekeningen maken, maar nu vind ik het minder fijn. Papa slaat mama en ik was de hele dag mijn handen.

Ze zeggen dat het leven nooit meer wordt zoals het was. Wat denk jij Tine? Wanneer gaat dit voorbij en wat gaat er dan veranderen?

Lotte

Dag Lotte

Je hebt vast net als ik het boekje van Stine gelezen, Stine Jensen – Lieve Stine, weet jij het? Ze geeft daarin filosofische antwoorden aan kinderen die vragen stellen over geluk, dood, sociale media, jaloezie, vriendschap en keuzes maken.

“Jezelf zijn”, zegt Stine, “betekent eigenlijk dat je dingen doet en zegt die je zelf wilt en niet omdat anderen dat willen.” Dat is wat anders dan niet luisteren of ongehoorzaam zijn, want het gaat erom dat je niet doet alsof. Denk na over wat je echt wilt, waarom je dat wilt en maak je eigen keuzes.

Mooie woorden die voor jouw toekomst ook van belang kunnen zijn. Zo staat er wel meer, maar toen Stine haar boekje schreef, was er nog geen corona in de wereld. Tenminste niet zoals dat virus nu overal lijkt te zijn. Plotseling ziet de wereld er heel anders uit. Net zoals bijvoorbeeld na de Tweede Wereldoorlog, na de val van de Muur in 1989 en na de aanslag op de Twin Towers in New York, 11 september 2001.

“De mammoettanker ligt stil”, zei Marcia Luyten op de radio. Zij is een journalist en ze schrijft een boek over Koningin Máxima. Ze bedoelt dat die mammoettanker onze maatschappij is. Handel, transport, vliegen, werken en produceren, bijna alles maakt even pas op de plaats. Dat doen deels ook de politici die zeggen dat ze klimaat heel belangrijk vinden, maar meestal gewoon blijven doen wat ze altijd deden: vervuilende industrieën en landbouw steunen en ongelijkheden vergroten. Nu is er iets wat voor hen nog meer aandacht vraagt. De rest stopt even.

Maar als die mammoettanker straks weer in beweging komt – dat gebeurt vast, maar we weten niet wanneer – dan zou het geweldig zijn als die de goede kant uitvaart. Nu kunnen we de route bepalen, zegt Marcia Luyten. Nee, sterker nog, nu moeten we de route bepalen. Later is dat waarschijnlijk veel lastiger. Dan varen we door totdat er een te grote ijsberg opdoemt en de tanker schipbreuk leidt en vergaat. Met ons allemaal.

Scenario’s

Oké, nu een moeilijker stuk om iets over verwachtingen te zeggen. Sla maar over als je er niets mee kunt.

Als ze over de toekomst spreken, schetsen mensen scenario’s. Voorspellingen over hoe het zou kunnen worden. Er zijn dan scenario’s die het slechtste laten zien en scenario’s die het beste laten zien. Laten we eerst eens naar dat slechte kijken, want helaas zie je op sommige plekken in de wereld heel vervelende ontwikkelingen. 

Je hebt vast wel van Trump gehoord, iemand die vooral zichzelf op de borst blijft kloppen. Amerika blijft ondanks zijn idiote, seksistische en racistische president toch een democratie met robuuste mechanismen – hoop ik – maar er zijn landen waar mensenrechten nu veel meer gevaar lopen. In ongeveer alle landen zijn burgerlijke vrijheden ingeperkt met het argument dat veiligheid en gezondheid worden bedreigd. Dat we nu binnen moeten blijven en dat het noodtoestand is.

Dat is het ook wel, maar daar kun je op verschillende manieren op reageren. Wij hebben Mark Rutte. Hij is oké, lijkt me, ook omdat hij goed luistert naar wetenschappers. En we hebben natuurlijk Irma, de doventolk. Maar ik ben toch ook wel een beetje jaloers op de Nieuw-Zeelanders die Jacinda Ardern als premier hebben, iemand die de mensen echt aanspreekt.

Maar sommige machthebbers slaan helemaal door. Ze blijven niet bij een tijdelijke sluiting van scholen, concertzalen, festivals, restaurants en overal waar mensen dichtbij elkaar komen. En minder bewegingsvrijheid. Ze gaan mensen traceren, controleren, arresteren. Ze accepteren geen kritiek van media en oppositie, sluiten de grenzen meteen maar voor vluchtelingen en zetten stappen terug in de emancipatie van lhbt’ers. In Hongarije en Polen bijvoorbeeld, en ook in China of Rusland is het lastig. En net zoals Trump brengen presidenten in Brazilië en Wit-Rusland hun bevolking in gevaar door corona te bagatelliseren of mensen verkeerd te informeren.

En bij dit alles ontbreekt het in Europa aan solidariteit. Vooral vanuit ons land, dat behalve dat er allerlei strenge financiële voorwaarden aan Zuid-Europese landen aan de noodhulp worden gesteld, ook nog weigert om haar deel van vluchtelingenkinderen op de Griekse eilanden op te vangen. Ik schaam me er een beetje voor, bij mijn Spaanse vrienden.  

Nu ik het boek van Geert Mak over de afgelopen twintig jaar in Europa lees – Grote verwachtingen – begrijp ik iets meer van de problemen in de Europese Unie. Over verschillen in financieel beleid en de scheiding tussen groepen landen. Ik heb er nu ook niet zoveel vertrouwen meer in of het met de Europese Unie wel goed komt. Het kan na deze coronacrisis zomaar uit elkaar vallen. Hoewel die Europese Unie niet echt goed functioneert en ook een erg duur apparaat is met vaak bedroevend weinig daadkracht, vind ik dat vreselijk jammer!

Dieren

Je zou denken dat het misschien weleens goed is dat die mammoettanker stil ligt en dat we ons bezinnen op de doorgeschoten globalisering. Ik ben blij dat er minder wordt gevlogen en gereisd, dat de lucht schoner is geworden, dat je overal teddyberen ziet, dat mensen elkaar helpen en dat veel kunstenaars zo creatief zijn. Maar die stilstand kan veel werkloosheid, armoede en honger gaan veroorzaken. Dan komt er na de coronapandemie een hongerpandemie. Met nog veel meer doden en ellende.

Iets anders is dat we afstand moeten houden. Anderhalve meter. Vind je vast net zomin leuk als ik dat vind. Een knuffel, een omhelzing, een zoen of simpel contact is nu vaak niet te doen. Dat zal nog wel even zo blijven, maar hopelijk niet te lang. Stel je voor! Dat we de anderen steeds als een mogelijke virusdrager en een bedreiging van onze gezondheid gaan zien? En wat als die sociale afstand dan ook emotionele afstand veroorzaakt? Ik denk het niet, want we blijven toch naar elkaars liefde en aanraking verlangen.

Dat dingen grondig gaan veranderen, lijkt me haast zeker. Yuval Noah Harari, een Israëlische historicus, denkt dat we echt in een kantelmoment zitten. Stel je voor dat dit het begin is van een tijd waarin overheden hun burgers nauwgezet gaan volgen? Mensen krijgen stempels want, zeggen ze, deze persoon is een gevaar voor zichzelf en voor anderen. In veel Aziatische landen, waar mensen sowieso meer vanuit collectief dan vanuit individu denken, schijnen ze zoiets nog best acceptabel te vinden. Maar wij waarderen onze persoonlijke vrijheden. Als dan omwille van gezondheid politici denken dat ze die opzij kunnen zetten, komen we in een hele andere samenleving terecht.

Dan het meer positieve scenario. Daarin zou het kunnen zijn dat mensen zich bescheidener gaan opstellen. We zijn kwetsbaar. We zijn misschien wel eindig. We zijn onderdeel van de natuur en we moeten ons op een goede manier verhouden tot die natuur. Als je die lijnen doortrekt, die van de kwetsbare ecosystemen waar we onderdeel van zijn, dan heeft dat misschien gevolgen voor onze relatie tot de dieren, de vervuiling van bodem, water en lucht en de bedreiging van het klimaat.

We zijn al anders gaan kijken naar veel werk. De mensen die in de zorg werken, zijn nu onze helden die zich dag na dag inzetten voor zieke coronapatiënten. Maar ook de schoonmakers, de vuilnisophalers, de buschauffeurs, postbezorgers en docenten lijken toch veel belangrijker dan de managers en ceo’s die dikke salarissen en grote bonussen krijgen.

Maar ik denk vooral aan de dieren. We fokken ze in enorme aantallen en eten ze massaal. Al die dieren op een hoop kunnen virussen overdragen. Zoönose noemen we de infectieziekte die van dier op mens kan overgaan. Bijvoorbeeld via voedsel of water, direct contact, via teken en muggen of via de lucht, zoals bij de Q-koorts tussen 2007 en 2011. Dit coronavirus (Covid-19) is ook zoiets, maar we weten er nog niet zoveel van.

Hoe dan ook, we leren ervan. We leren ook over de waarde van de wetenschap en over de beste aanpak van zo’n epidemie. Hoewel een volgende epidemie ook best heel anders kan zijn.

Wat nu?

Tot zover de scenario’s. Waar moet straks die mammoettanker nu de boeg naar richten?

Ik zou zeggen dat we moeten blijven werken aan klimaatbeheersing, een andere omgang met dieren en meer productie in de regio, support your locals zoals ze nu roepen. En dat we moeten letten op mensenrechten, waakzaam blijven voor dictatoriale regimes en solidair zijn met minderbedeelden en mensen die gediscrimineerd worden, zoals lhbti’ers in vele landen. Dat we aandacht moeten hebben voor de ongelijkheid in de wereld, de genderongelijkheid en de inkomensongelijkheid, de ongelijkheid in toegang tot zorg en gezonde voeding.

Helemaal nieuw is dat niet. Want dan heb je zo ongeveer de Global Goals die de Verenigde Naties in 2015 afspraken op een rijtje. Mooi!

Het zijn allemaal dingen die misschien nu ver van je af liggen. Want hoe raakt corona je direct? Zieke familieleden, lege scholen en geen sportclub of dansles. Les in handen wassen en in je elleboog niezen. De zorg dat je niet besmet wilt raken of anderen besmetten. Straks ziet de wereld er vast anders uit, maar nu zijn dit belangrijke dingen. Daar blijven we nog wel een tijdje over praten. Jij zit voorlopig nog thuis te computeren.

Fijn dat je af en toe naar buiten kunt. En goed dat je ook anderen kunt vragen: hulp nodig? Aan je moeder bijvoorbeeld. Weet ze al van ‘masker 19’? Dat is in het buitenland, maar waarschijnlijk komt er zo’n codewoord hier binnenkort ook wel.

Is dit een antwoord op je vraag Lotte? En ben je uitgepuzzeld?

Blijf gezond!

Tine

Vier ‘coronafoto’s’ gecombineerd

Gehecht aan de taalochtend

Leestijd: 5 minuten

“We zijn aan elkaar gehecht geraakt”, zegt een van de groepsdeelnemers van het taalclubje. Vijf mensen met een beperking die elke maandagochtend bij elkaar komen om taalpuzzels te doen en woorden te leren. Ze vinden het niet zo fijn als de groep van samenstelling verandert. Ze moeten daar in elk geval erg aan wennen. En ze zijn zeer gehecht aan de taalochtend op maandag. Moeilijk als dat weg zou vallen.

Ik voel zo’n soort hechting ook in de leesclub. Als lezers komen we al twee decennia regelmatig bij elkaar om te praten over de gelezen boeken. Maar eigenlijk is de bespreking van die boeken voor de meeste leesclubleden niet meer dan een excuus. Fijn om onderdeel te zijn van een groepje mensen die je interesse delen en waar je gewaardeerd wordt. Zo ben ik ook gehecht aan het wekelijkse koffieuurtje met de buurvrouw.

Bij hechting denk je misschien vooral aan de genegenheid van een kind voor zijn ouders. Die veiligheid en vertrouwdheid. Het gezin is een uitvalsbasis waarvandaan ze de wereld durven te verkennen, maar altijd weer op kunnen terugvallen.

Zoiets geldt ook voor ‘thuis’, een plek die je eenzelfde soort veiligheid en vertrouwdheid biedt. Normaal gesproken dan, want het kan helemaal verkeerd gaan. Ik las net een artikel over femicide, over mannen die hun vrouw zo’n beetje als bezit zien en haar uiteindelijk doden. Dat is nog maar het topje van de ijsberg van huiselijk geweld.

Hechting, heimwee, verlangen naar veiligheid. Rondom die gevoelens cirkelt deze blog. Geïnspireerd door het taalclubje van mensen met een beperking en de uitspraak die ik er optekende voor een interview voor Digitaalhuis Wageningen.

Casa de la Alegría

Terug naar hechting tussen kinderen en ouders. Daar zijn vele boeken over geschreven. Hoe belangrijk is hechting, een veilig gezin, een band met een liefhebbende vader en moeder voor een kind en wat betekent het als dat ontbreekt?

Ik denk aan ontsporende kinderen, criminaliteit, seksueel misbruik. Ik ben behalve bij het Digitaalhuis ook vrijwilliger bij La Casa de la Alegría, een project in Bolivia waarin kinderen die dat hebben meegemaakt weer op het spoor geholpen worden. Ze hebben moeite met hechting omdat ze in hun korte leven te vaak teleurgesteld zijn door ouders die drinken, slaan, hen verwaarlozen of nog erger dingen doen. Onveilige hechting waardoor ze zich vervolgens bovenmatig aan een vervangende verzorger gaan hechten, een docent misschien of juist heel onverschillig worden. Want, denken ze, ‘het heeft toch allemaal geen zin; ik ben al vaak genoeg teleurgesteld.’

‘Alle kinderen hebben een gehechtheidsrelatie met hun opvoeders, maar onveilig gehechte kinderen krijgen veel vaker te kampen met leer- of relatieproblemen, zijn lastig aanspreekbaar en ontwikkelen een laag gevoel voor eigenwaarde’, lees ik. Precies dat is wat we ook in Bolivia zien bij deze kinderen. Een verstoorde sociaal-emotionele ontwikkeling. Even tussendoor: je kunt amigo worden.

Bindingsangst

De Britse psychiater John Bowlby werd bekend door zijn theorieën over hechting tussen kinderen en hun opvoeders. Van belang volgens hem is de reactie van de moeder en voldoende ondersteuning en respect voor de autonomie van het kind. Ontbreekt dat, dan kunnen leerproblemen ontstaan, problemen met zelfwaardering en eigenwaarde en moeite met aangaan van relaties. Bindingsangst.

Bindingsangst is misschien een zijweggetje in dit artikel. Niet alleen de bindingsangst van de flirt die wegloopt zodra er over een huwelijk wordt gesproken, maar ook die kinderen die al te vaak in de steek zijn gelaten. Bindings- of verlatingsangst, want kun je anderen dan nog wel vertrouwen? Word je zodra je je hecht aan iemand niet opnieuw opzij gezet? Dan is het maar veiliger om de ander af te wijzen voordat die jou kan afwijzen.

Ik heb me afgevraagd of ik zelf last heb van bindingsangst, in relaties. Misschien wel, maar dan speelt er vast ook nog onzekerheid over gender mee. Op het moment dat ik een genderrol moet aannemen die me niet ligt, raak ik in een soort benauwdheid of voel ik een druk waar ik geen antwoord op heb. Ik verdedig me door te zeggen dat ik gehecht ben aan mijn vrijheid en onafhankelijkheid. Maar ik denk niet dat dat het is. Ik weet het eigenlijk wel zeker.  

Amor

Terug van de angst om te hechten naar veilige en onveilige hechting. Die kinderen in Bolivia waar we het over hadden, kunnen hun kinderen later vaak evenmin een veilige hechting bieden. Een vicieuze cirkel die niet eenvoudig doorbroken kan worden. In Nederland komen hechtingsproblemen ook voor, maar in het armere, machistische en minder-ontwikkelde Bolivia lijkt het veel ernstiger. La Casa de la Alegría doet in Cochabamba een flinke poging om er iets aan te doen en de vicieuze cirkel te doorbreken zodat kinderen meer zelfvertrouwen en eigenwaarde krijgen. En opdat ze dat weer doorgeven aan hun kinderen later.  

Bij filosoof Peter Venmans in een essayboek over Amor Mundi, liefde voor de wereld, lees ik dat je om een sterk en zelfbewust individu te worden, in een liefdevolle omgeving opgegroeid moet zijn en dat je in een groep moet leven waar mensen elkaar hartelijk en respectvol bejegenen. Venmans haalt graag Hannah Arendt aan, maar bespreekt ook de Amerikaanse schrijfster-denker Ayn Rand. Voor Rand stond het zelfbewuste individu op de top van de berg, maar dat was vooral iemand die genoeg aan zichzelf had. Liefde voor de wereld en liefde voor de ander waren voor haar verdacht.

Maar ik denk dat liefde voor de ander en een veilige hechting basisbehoeften zijn. En dat zoals Venmans schrijft om een liefdevolle omgeving en hartelijke groep vraagt. Ook al moet je de mensen soms loslaten en je aan de plek niet vastplakken. Kun je dan terwijl je loslaat misschien heimwee voelen naar die mensen, en naar die plek? Is dat goed?

Oké, zo komen we ten slotte bij heimwee, een gevoel in je lichaam dat verwant is aan hechting. Als kind voelde ik de pijn in mijn buik omdat ik naar huis wilde. Het verlangen naar de veiligheid van thuis, de liefde van je ouders, de warmte van hun aandacht. Heimwee heeft misschien vooral op een plek betrekking, maar je gevoel over die plek staat denk ik meestal niet los van de mensen daar.   

Heimwee, heb ik net geleerd van Annie van Gansewinkel, hoeft toch echt niet altijd naar huis te zijn, want je kunt ook naar elders verlangen. Naar zee, naar plekken die je rust geven, waar je je prettig voelt en thuis, naar plekken waar het goed is. Bij kinderen voor wie thuis niet altijd zo fijn is, kan ik me voorstellen dat juist ook een andere plek – een school en een lieve docent bijvoorbeeld – zo’n plek kan worden. Een plek waar je heimwee naar voelt.

Wanneer was ú het gelukkigst?

Leestijd: 4 minuten

Kun je jezelf kennen? Ik betwijfel het. Want wie ben ik? Ben ik mijn gedachten, mijn gevoelens en emoties, mijn verlangens, obsessies, angsten en liefdes, ben ik wat ik doe of ben ik wat ik denk? Misschien helpen de vragen die bekend staan als de Proust Questionnaire.  

Marcel Proust (1871-1922) heeft de vragen niet bedacht. Maar hij was wel een van de bekendste personen die de vragen serieus beantwoordde, wel drie keer in zijn leven. Hij geloofde blijkbaar dat met de antwoorden van zo’n zelfonderzoek je echt iets van jezelf kunt laten zien. De eerste keer dat Proust ervoor ging zitten, deed hij dat op verzoek van een vriendin, Antoinette Faure. Hij schreef zijn antwoorden in haar vriendenboek. Aan het eind van de negentiende eeuw – de tijd van de romantiek – waren dit soort vragenlijsten, lijsten die iets vertelden over voorkeuren en verlangens van vrienden populair.

Ik heb net het vijfde deel van Prousts A la recherche du temps perdu gelezen. Daaruit komt iemand naar voren die worstelt met zichzelf en die ook niet altijd meent wat hij zegt of doet wat hij wil doen. Het valt me soms niet mee, bladzijdenlang te volgen wat er tussen de verteller en zijn omgeving afspeelt. Wat hij voelt en wat zijn emoties met hem doen. Toch ga ik nog twee delen proberen mee te voelen.

De vragen.

  1. Wat is voor u volmaakt geluk? – Me erkend of geliefd te weten. Zorgenvrij te zijn.
  2. Wat is uw grootste angst? – Alleen te staan, niemand met wie ik mijn leven, mijn twijfels, mijn gedachten kan delen.
  3. Met welk historisch figuur vereenzelvigt u zich het meest? – Simone de Beauvoir. Ze was meer denker dan doener. Ze was misschien niet altijd consequent in idealen en het leven volgens die idealen, maar ze probeerde het wel. 
  4. Welke karaktertrek vindt u het meest irritant van uzelf? – Ik ben teveel met mezelf bezig.
  5. Welke karaktertrek vindt u het meest irritant bij anderen? – Als ze teveel met zichzelf bezig zijn, te overtuigd van het eigen gelijk. Arrogantie en betweterigheid vind ik moeilijk.
  6. Welke verleiding kunt u niet weerstaan? – Noten, ijs, wijn, chocolade.
  7. Wat is uw favoriete reis? – Een reis naar nieuwe plekken, nieuwe avonturen, nieuwe ontmoetingen.
  8. Met welk deel van uw uiterlijk bent u het minst tevreden? – Het mannelijk deel.
  9. Welk levend persoon veracht u? – Politici vaak, mensen die liegen om de gunst van de kiezer. Ik kan wel concreter worden, maar de politicus die ik vandaag nog veracht (Trump bijvoorbeeld), is morgen (hopelijk) verleden tijd.  
  10. Waarvan hebt u het meeste spijt? – Dat ik mensen niet altijd het respect, de aandacht en de waardering heb gegeven die ze verdienden.
  11. Wanneer en waar was u het gelukkigst? – Op reis, want daarin beleef ik momenten van liefde, zorgeloosheid, zelfvertrouwen en tevreden rust intenser. 
  12. Wat is uw huidige gemoedstoestand? – Twijfel.
  13. U mag een ding aan uzelf veranderen. Wat zou dat zijn? – Eén ding maar?
  14. Wat is uw grootste prestatie? – Die moet nog komen. Ik blijf dromen van de grootse prestatie. Maar voorlopig heb ik artikelen geschreven waar ik tevreden over ben en foto’s gemaakt waarvoor hetzelfde geldt.
  15. Wat is uw dierbaarste bezit? – De brieven van geliefden zijn onvervangbaar.
  16. Wat is voor u het dieptepunt van ellende? – Machteloos toe te zien hoe iets gruwelijk achteruit gaat of misloopt.
  17. Waar zou u willen wonen? – Middenin de natuur.
  18. Wat is uw meest typerende eigenschap? – Rust en gelijkmoedigheid.
  19. Mijn belangrijkste tekortkoming? – Ongeduld, domheid in relaties soms en toch ook te veel eigendunk en tegelijk, te veel bescheidenheid. Of misschien beter: beschetenheid. Dat zijn er al minstens drie, allemaal even belangrijk.
  20. Welke eigenschap waardeert u het meest in een man? – Dat is nogal binair gedacht, maar ik begrijp waar het vandaan komt. In een man: intelligentie, aandacht, twijfel en ook vrouwelijkheid.
  21. Welke eigenschap waardeert u het meest in een vrouw? – Zie de vorige vraag, en ook aandacht en intelligentie.
  22. Wie zijn uw favoriete auteurs? – Mijn favoriet is vaak degene die ik dan lees. Namen? Hannah Arendt, Virginia Woolf, Friedrich Nietzsche, Siri Hustvedt, Anna Woltz. Nee, Proust is bijzonder, maar staat (voorlopig) niet in dit rijtje.
  23. Wie zijn uw helden? – Dan denk ik aan de Jeanne d’Arcs van nu. Greta Thunberg, Malala, Emma Watson, Alexandra Ocasio-Cortez. Eerder had je Rosa Parks en nu zijn er de vele jonge vrouwen die in MeToo hun stem laten horen tegen misogynie en mannelijke zelfgenoegzaamheid.
  24. Eigenschap die ik waardeer bij mijn vrienden? – Hun aandacht en eerlijkheid.
  25. Mijn favoriete bezigheid? – Prousts antwoord is prachtig. Liefhebben, zei hij. Ook mooi: dansen, dan rusten. Of: bewonderen.
  26. Mijn favoriete kleur? – Ook hier is het antwoord van Proust (de kleur van de ogen van mijn geliefde) onovertrefbaar. Ik houd van rood, goud, maar kleuren zijn vaak mooi in combinatie en harmonie.
  27. Mijn favoriete bloem? – Ik weet te weinig van mooie bloemen om een goed antwoord te geven.
  28. Mijn favoriete literaire held(in)? – Alice, van Alice in Wonderland.
  29. Mijn favoriete componist? – Mompou, Ravel, Debussy. En elke componist die droefheid en sfeer in muziek kan vangen. Ik hoorde laatst een prachtig stuk van Hans Abrahamsen in een uitvoering van Barbara Hannigan.
  30. Mijn favoriete schilder? –  Ik denk vooral aan de impressionisten. 
  31. Mijn favoriete namen? – De namen van de mensen die ik liefheb.
  32. Een karaktertrek die ik zou willen hebben? – Geduld. Ik wil ook meer wijsheid, maar dat is niet altijd karakter.
  33. Een talent dat ik zou willen hebben? – Nog voldoende te wensen: in dans, in muziek en ook het schrijven van een goede roman.
  34. Wanneer zou je liegen? – Als ik zou zeggen dat ik me altijd goed en gelukkig voel.
  35. Wat zeg je te vaak? – “Dat komt morgen wel.”
  36. Hoe zou je willen sterven? – Omgeven door geliefden.
  37. Wat zie je als je in de spiegel kijkt? – Iemand die zich noch man noch vrouw voelt. Mijn sekse misschien niet, maar mijn gender is onbepaald.
  38. Voelde je je ooit ergens thuis? – Ik voel me thuis waar mijn vrienden zijn. Waar ik me gerust en gelukkig voel. Maar het voelt soms ook wel alsof ik thuis kom zodra ik bij vreemden over de drempel stap.
  39. Lijk je nog steeds op wie je vroeger was? – Ja! Nee!
  40. Hoe luidt uw adagium? – Val niet in slaap, maar blijf dromen.

Een vergeten lijstje

Leestijd: 3 minuten

Edelvrouw, dat is het eerste woord van het lijstje. Er staan zes woorden op een dubbelgevouwen velletje, neergekrabbeld in een kinderlijk handschrift. Naast het lijstje ligt een blauwe pen. Een vergeten lijstje en een vergeten pen.

Het handschrift lijkt ongeoefend, met losse letters en grote halen. Toch denk ik als ik de woorden zie op dit lijstje eerder aan een vrouw van veertig. Bijvoorbeeld de vrouw die nu de bibliotheek binnenloopt waar ik het lijstje heb gevonden. Ze strijkt het haar uit haar gezicht, draagt een slanke grijsgroene knoopjesjas. Is ze op zoek naar het vergeten lijstje? Heeft ze nieuwe woorden in haar hoofd? Nee, ze loopt met besliste hakgeluiden naar de bestsellers.

Wat bedoelt de vrouw van het lijstje met ‘edelvrouw’? Misschien heeft ze een boek gelezen over een koninklijke familie. Queen Victoria of een gravin aan het hof. Edelheid kun je misschien ook plakken op karakter in plaats van klasse. Of is het dan eerder edelmoedig? Edelvrouw: ik denk aan een vrouw op een schilderij, in een prachtige jurk in diepgroen fluweel, een diadeem in haar haren. Sieraden, juwelen. Voor één zo’n haarversiering kun je drie keer eten in het veganrestaurant op de hoek.

Thomas Edwin Mostyn – The Green Gown

Ook op basis van het tweede woord – breipatronen – denk ik dat de lezeres geen kind is. Niet verdiept in Harry Potter, Lampje of Anna Woltz. Bij zo’n woord – ik geef het toe: het is stereotiep en oppervlakkig denken – wordt de schrijfster ervan direct dertig, misschien wel veertig jaar ouder. Het wordt ook plotseling kouder. Want ja, dikke gebreide truien, sjaals en sokken, de kachel staat te snorren op tien. 

Het volgende woord begrijp ik niet. Seajons. Misschien lees ik het fout of heeft de schrijfster iets fonetisch opgeschreven. Haar Nederlands is nog niet zo goed. Ze leert nog. En ze wil graag ook mooie woorden leren, de mooiste woorden. Zoek de tien mooiste woorden in het Nederlands! Dat was haar opdracht vandaag. Ze heeft er zes en zoekt er nog vier. Ik suggereer: fluweel, ballet, liefde, heimwee.

Het volgende woord duidt echter op iets totaal anders: cloud. Wolk of webwereld? Want cloud is immers ook een internetbewaarplek voor documenten en foto’s. Bij deze vrouw gaat het dan vooral om foto’s. Ze bewaart er de foto’s van haar reizen en haar kinderen. Mijn beeld kantelt opnieuw met dit woord. Want die kinderen zijn het huis uit, getrouwd en zwanger. Ze zoekt breipatronen voor babykleertjes. Ondanks het bijdetijdse woord op het lijstje, wordt de vrouw nu opnieuw tien jaar ouder. Ze is oma. Of toch al heel snel.

Metten, het laatste woord op het lijstje. Is dat in tegenstelling tot die ‘cloud’ juist weer niet een woord van eeuwen terug? Oud-Nederlands. Iets met metten en noenen. Ik weet niet precies wat het betekent, maar het heeft zeker iets met tijdstip van de dag te maken.  

De edelvrouw was haar breipatronen kwijtgeraakt. Misschien wist Seajons meer. Ze kon het hem niet vragen, want hij zat aan de andere kant van de zee. Eigenlijk was ze blij dat hij zo ver weg was. Seajons beklemde haar, verstikte haar en beperkte haar. Ze had haar hele leven gepoogd hem tevreden te houden. Van dag tot dag, jaar tot jaar, van noenen tot metten. Maar haar kinderen maakten haar gelukkig en van breien werd ze blij. Oké, dacht ze, breipatronen: check the cloud!

Ik draai het lijstje om. Maar één woord: dierenrechten. Nee, geen edelvrouw of oma, het is een vrouw met haar hond. Ze is net een winkel uitgestuurd.

De oordeelmaatschappij

Leestijd: 7 minuten

We oordelen elkaar dood. De hele dag door. We beoordelen vaak op basis van niets. Want oordeelloosheid in onze mondige maatschappij kan echt niet. Stel je voor dat je moet zeggen: ik weet het niet. Gezichtsverlies! Een lege blik als ze je vragen: wat vind jij? Kleurloos! Maar wat zegt een oordeel eigenlijk? 

Als ik turf wat ik allemaal like in een maand op sociale media, dan verbaas ik mezelf. Vage kennissen met een nieuwe baan, een uitgesproken mening over De Luizenmoeder, enthousiasme over een documentaire van Sunny Bergman, hugs van de Nieuw-Zeelandse premier Jacinda Ardern, het verdriet van een familielid, een gedicht van onze stadsdichter over het museum, onrecht dat Amnesty International tegen een Filippijnse advocaat constateert, een foto van de Women’s March, oproepen van klimaatspijbelaars of een hallucinerend mooi optreden van Fatma Said. Fijn, mooi, fantastisch!

Het gemakkelijkste oordeel van nu is zo’n like, een hartje of een traantje, een duimpje omhoog of omlaag. Maar wat zegt het? Soms raakt iets me echt, maar soms betekent het niet meer dan dat ik het opgemerkt heb. Je bent gezien! Ik weet dat je er bent! Ik treur met je mee! Ik heb je lief maar dat durf ik niet te zeggen. En daarom stuur ik je een duimpje. Want ik vind je mislukte foto best leuk. Geloof ik. Of nou ja, ik vind het leuk dat je een mislukte foto post.

I judge, therefore I am. Als variant op Descartes. Op internet kom je echter tal van tips tegen: hoe te stoppen met oordelen over anderen. Spinoza waarschuwde voor te snelle oordelen. Je oordeel is immers bijna altijd gebaseerd op gebrekkige informatie. Je wordt bijvoorbeeld boos omdat je beste vriendin je laat wachten. Ze is al een uur te laat voor je afspraak. Ze reageert zelfs niet op je appjes. Had je geweten dat ze niet kon omdat ze iemand van de verdrinkingsdood probeerde te redden, dan had je je boosheid kunnen inslikken. Wat weet je over de ander? Een slordige look, open sandalen, foute kleren, dik of dronken. Je hebt mensen al ingedeeld na twee seconden.

Oordelen is gemakkelijk, maar het maakt het leven van de ander soms heel erg moeilijk. De coming out van een transgender persoon, de puber die zichzelf zo lelijk vindt en uren in de badkamer aarzelt en moed verzamelt om de wereld tegemoet te treden, of de faalangst van mensen die het podium opstappen. ‘We concurreren met onszelf’, zegt Paul Verhaeghe, psychoanalyticus en hoogleraar in Gent. Hij komt later in dit artikel terug. Voorlopig alleen dit: minder snel of niet oordelen maakt het leven niet alleen voor jezelf prettiger, maar ook voor anderen. 

Gun anderen ‘hun reis’

Op sochicken.nl (een website van Jelle Hermus uit Delft) lees ik dat mensen vooral oordelen omdat ze zelf onzeker zijn. Dat zou kunnen, het is in elk geval een geruststelling, maar juist die snelle oordelers maken me bang. Wat vinden ze van mij?

En waarom oordelen zij zo snel? Door te oordelen, schrijft Hermus, voel je je even iets beter over jezelf. Enerzijds door af te kraken (want zelf ben je vast beter, jij weet bovendien wat de wereld nodig heeft en welke kant we uit moeten) en anderzijds door te juichen (je hebt smaak en je deelt mee in het succesje van een ander). Oordelen helpt overzicht te krijgen, maar het belemmert je ook, en maakt je deels blind. Je hoeft niet meer verder te kijken. Het maakt je ook saai, vindt Hermus, want ‘je trekt al je ervaringen door een filter in je hoofd van hoe de wereld zou moeten zijn.’ Je kruipt in je bubbel, sluit je af voor groei en ontwikkeling en alles blijft hetzelfde, je leven wordt kleurloos.

Geen mening hebben geeft niet, voert hij aan. Je kunt de wereld zien zonder direct te bedenken wat je ervan vindt. Wel fijn, maar best lastig, want je mening wordt vaak gevraagd. Ik sta versteld van straatinterviews waarbij mensen meteen een oordeel hebben op wat hen maar wordt voorgelegd. Ik zou mijn schouders ophalen en doorlopen, maar daarmee kom je niet weg.

Dat mensen van jou willen weten hoe jij erover denkt, komt volgens sochicken.nl vaak omdat ze het zelf niet weten of er dan niet over na hoeven te denken. Maar niet oordelen geeft kalmte, acceptatie en tevredenheid, en je gunt anderen ‘hun reis’. Aldus opnieuw sochicken.nl.

Gedachteloos doen wat ze je zeggen

Oordelen krijgt bij filosoof Hannah Arendt (in navolging van Kant) een hele andere behandeling. Ze schreef eerder over handelen, en vervolgens over denken, willen en inderdaad oordelen in The life of Mind. Hoewel dat laatste boek uiteindelijk alleen in schetsen bestond. Ze pleit er dan voor dat mensen hun verantwoordelijkheid nemen, hun politieke verantwoordelijkheid als burger. Kleurloosheid is voor haar juist de burger die zich daarvoor afsluit. Maar ze stelt wel eisen aan het oordelen. En aan het denken dat daaraan voorafgaat. Gedachteloosheid is kwalijk, het onvermogen tot oordelen. Zoals Eichmann in de Tweede Wereldoorlog de ambtenaar was die gedachteloos deed wat hem werd opgedragen.

Oordelen is de voor Arendt de brug van denken naar doen. Ze spreekt over een oordeelsplicht en ze veroordeelt de tendens in de maatschappij van haar tijd om niet te denken en niet te oordelen. Ze zou zeker ook niet te spreken zijn over de al te lichtvaardige oordelen die sociale media en maatschappelijke bubbels veroorzaken. Daar ligt ook gedachteloosheid onder.

Oordelen is voor Arendt het vermogen om het algemene en het particuliere met elkaar te verbinden. Het vraagt reflectie op de vraag of een gevoel van behagen of onbehagen, het vraagt verruiming van onze geest, verplaatsing in een ander en dat we onze particuliere omstandigheden buiten beschouwing laten. Pas dan is een oordeel geen vooroordeel meer. Je moet er dus wel wat voor doen om tot een oordeel te komen. Niet iets wat je kunt door gedachteloos langs de posts op je tijdlijn scrollen. 

De tips van sochicken maken je lui en misschien juist wel saai. Ze passen bij de oppervlakkigheid van vele posts op sociale media. Maar wat is erger: de saaiheid van degene die nooit oordeelt of de saaiheid van degene die dat wel doet? Als je het maar goed doet. Uiteindelijk zijn de adviezen op sochicken om niet te oordelen eigenlijk net zo goed oordelen. Er is dan sprake van een soort van catch-22.

Nog iets over referenda, want de oordeelsvorming is voor zo’n volksraadpleging vaak problematisch. Vorige week las ik dat een Zwitserse rechter een referendumuitslag ongeldig heeft verklaard omdat de kiezers slecht geïnformeerd waren. Weinig informatie, maar ik denk dat het vaak ook slechte informatie is, want de ‘informanten’ hebben belangen. En politici zijn zeker niet de meest betrouwbare informanten. Ik denk aan het referendum over de Brexit, aan het referendum over de Europese relatie met Oekraïne en misschien wel het oer-voorbeeld, de Atheense burgers die Socrates tot de gifbeker veroordeelden. Ik geloof niet dat referenda in alle gevallen een goed democratisch middel zijn.

Ik ben de ander

Terug naar Paul Verhaeghe. Ik weet niet of ik hem ergens tussen beide uitersten in kan plaatsen. Het advies om niet te oordelen en de oproep om dat juist wel te doen. Hij heeft het over het goede leven en komt dan ook bij Aristoteles, de man van het juiste midden. Niet teveel en niet te weinig.

Maar het mooiste in zijn boek vind ik de constatering dat onze identiteit grotendeels wordt ingevuld door de ander. De interacties tussen mij en de anderen maken mij tot wie ik ben, schrijft hij. ‘Onze zelfkennis en het zelf zélf, onze identiteit’ zijn het product van die interacties. Het zijn de verwachtingen van anderen en eigenlijk ook weer het idee dat ik heb van de verwachtingen van anderen die mij bepalen. Ik verhoud me daartoe, want ik identificeer me ermee of ik zet me ertegen af. “Ik ben de ander”, citeert Verhaeghe Rimbaud.

“Onze identiteit is een huis met vele kamers waarvan we er een aantal nauwelijks kennen”, schrijft Verhaeghe. Ik weet niet of deze zin in dit essay past, maar het is erg mooi geformuleerd. Net als zijn beschrijving van het toneelstuk Rhinocéros (waarbij mensen in neushoorns veranderen en dat proberen tegen te houden tot de meerderheid neushoorn is en iedereen er naar verlangt om neushoorn te worden) en de film Invasion of the Body Snatchers. In die film worden de geesten van de mensen in het dorp geleidelijk overgenomen of de lichamen worden ingenomen. Oordeel zelf of dit past in een essay over het actuele oordelen in onze oordeelmaatschappij.   

Concurreren met jezelf

Wat zeker past is de constatering dat we tegenwoordig alles beoordelen. Je kunt zelf beoordelen of de panty’s van de Hema lekker zitten, of het nieuwe boek van Buwalda zoveel sterren verdient en of de Airbnb-verhuurder het huis op orde heeft. Oordelen die blijkbaar zeer worden gewaardeerd, maar vooral aan moeten zetten tot consumptie. Dit oordelen, of misschien beter: beoordelen, is echt alleen daarvoor bedoeld, om anderen te bewegen. Aanbieders van producten en diensten stellen mijn waardering zeer op prijs omdat anderen dan eerder geneigd zijn in de kwaliteit van hun producten en diensten te geloven. 

Wil je een nieuwe auto, zoek je een app voor wijnbeoordeling, vraag je je af naar welke kapper je het beste kunt gaan, dan kun kijk je naar beoordelingen op internet. Zelfs mensen worden daar beoordeeld, en het cijfer dat je krijgt, kan bepalend zijn voor je toegang tot een huurauto of een appartement. Een aanbieder van producten of diensten wil wel een beetje een betrouwbare klant, geen wanbetaler of sloddervos.

Hoever zal dat gaan? Want straks val je in een duurdere verzekeringsklasse omdat je sportieve resultaten onder de maat zijn. Je kunt niet op reis naar Amerika omdat je als een risico wordt beschouwd. Onze oordeelmaatschappij kijkt niet naar wie jij bent, maar naar de scores die je laat zien. Je krijgt korting met een hogere rating en het leven (nou ja, de verkoop van je producten en diensten) wordt wel erg lastig als je te laag scoort..

Er is dan steeds die dreiging. Wat als ik niet aan de verwachtingen voldoe, waar blijf ik? Kotst de buurt me uit, moet ik weg bij de club, kom ik alleen te staan, gaat de klas me pesten, kom ik ooit in de hemel? Ben ik zelf de oorzaak? Nee, zegt Verhaeghe, nooit. Het is de ander. En wanneer wordt die onterechte schuld en de schaamte voor al je zogenaamde onvolkomenheden in de ogen van de ander stress? “Het nieuwe mensbeeld is dat van perfectie”, vertelde Verhaeghe NRC. Waar we vroeger met anderen concurreerden, doen we dat nu met onszelf. “Het is uitputtend. Van je eigen schaduw kun je niet winnen.”

Alles is een te beoordelen prestatie, zelfs je vakantie. Gevolg is dat het erg moeilijk wordt om anderen toe te laten, denkt Verhaeghe. “Intimiteit”, (zo heet het boek van Verhaeghe) “wordt zeer moeilijk als elk ander een potentiële rechter is.”

Zijn oplossing is niet zozeer het oordelen te laten vallen en je oren dicht te stoppen, maar je zelfkennis te vergroten. Een gebrekkige zelfkennis maakt je gevoelig voor oordelen van anderen, maar ken je jezelf, dan kun je je daartegen wapenen. Die zelfkennis verkrijg je niet zozeer door rationeel te werk te gaan, re-search -maar vooral ook emotioneel, en bij jezelf – me-search. Aldus Verhaeghe. Wat zegt je lichaam? Een betere relatie met je lichaam, niet gebaseerd op schaamte of de overtuiging dat we niet mooi of gezond genoeg zijn, helpt je om je beter te voelen. En, stelt Verhaeghe, een betere relatie met jezelf is voorwaarde voor een betere relatie met anderen.

De wereld van mannen, de wereld van vrouwen

Leestijd: 3 minuten

Wat is dat eigenlijk, het verschil tussen een man en een vrouw? Die vraag houdt me blijkbaar bezig sinds ik vier was. Stond ik daar in mijn blootje. “Mam, wanneer valt dat eraf?” Mijn moeder zuchtte dan. “Maar mam, mijn zusje heeft zoiets toch ook niet.” Ik was ervan overtuigd dat het wel goed zou komen. Dit hoorde gewoon niet bij mij. De schoolarts deed mijn onderbroek omlaag en keek. Goed zo! En ik vroeg me af: waarom ben ik anders dan zij?

Keer op keer werd ik gecorrigeerd als ik poppen pakte, een jurkje wilde, de Tina uit de brievenbus viste of eerder dan mijn moeder de Libelle uithad. “Dat doen jongens niet.” Lego, indianenverhalen, soldaatjes en voetballen. Dat zat er in mijn sinterklaascadeautjes. Ik was stikjaloers op de spulletjes van mijn zusje. Maar wat wil je? Pas je maar aan, je groeit er wel overheen. Misschien dacht ik dat zelf ook wel. Misschien groei ik er wel overheen.

Ik denk niet dat mijn ouders me al die jongensspulletjes toeschoven omdat ze bang waren dat ik anders te meisjesachtig zou worden. Er kwam gewoon niets anders in hen op. Het ligt allemaal vast in een wereld van meisjes en jongens. Mijn slaapkamer was anders, ik zocht steeds meer het gezelschap van vriendjes in plaats van vriendinnetjes, ik deed de dingen die ze misschien wel van me verwachtten en ik ging atletieken in plaats van balletten. Het lijkt zo te horen. En elk jaar dat ze ouder worden, drijven de werelden van meisjes en jongens verder uit elkaar.

Maar ik voelde me ongelukkig, het leek zo geforceerd. Steeds meer. Ik paste de hakken van mijn moeder, rommelde in de kledingla van mijn zusje en speelde met de lippenstift. Die dingen beloofden een prachtige andere wereld. Maar tegelijk bedacht ik dat het niet klopte, het kon niet kloppen. Zouden andere jongens dat ook doen of was ik de enige die zich verloor in leesboeken over kostschoolmeisjes?

Maar ik leek niet op die meisjes, had niet hun lange haar en vlechten, hun fijne handjes en kleine voetjes. En god nog aan toe, toen moest ik me ook nog scheren. Mijn vader liet me zien hoe ik het moest doen. Dat je het beste echte scheerzeep kon gebruiken. Dat had hij dan weer van de herenkapper op de hoek. Warm water over je gezicht, een kwast met zeep, het mes van de wang naar de kin. Voor een goede scheerbeurt zeep je je misschien nogmaals in en strijk je tegen de groeirichting. Tot slot een warme handdoek en vervolgens een koude. Vader gaf me kwast, zeep en aluin.

Ik stopte het weg, uit het zicht, maar kon er toch niet omheen. Ja, ik kende het hele mannenritueel bij het opstaan. Ochtenderectie, boeren en scheten, plassen, wassen en scheren en dan koffie en een paar stevige boterhammen. Dat was de ceremonie waarin ik opgesloten zat. Probeer dat maar eens te veranderen als je geen woorden hebt om uit te drukken wat je voelt. Dan keek ik verlangend naar die andere wereld. Ik rook de parfum, ik voelde de zachtheid en ik zag de etalages van kledingwinkels en al die heerlijk vrouwelijke objecten: poeder, tasjes, sieraden, sjaals. Ik keek er ook met een soort van gêne naar. Niet voor mij, niet voor mij!

Wat is het dan verschil tussen een man en een vrouw? Ik weet het nog steeds niet. Of misschien wel steeds minder. Zit dat in hoe je eruit ziet, in wat je doet of hoe je je voelt? Is het misschien een combinatie? Kun je het doorbreken of overbruggen, is het flexibel en elke dag anders? Moet ik maar accepteren dat het vastligt of een andere weg vinden? Ligt het bij jou of ook bij de mensen om je heen?

Die mensen om je heen hebben meestal nog geen halve tel nodig om je te plaatsen als man of vrouw… En ik? Ik weet het nog steeds niet, ik worstel er al heel mijn leven mee.

Deze tekst heb ik geschreven voor De Kloof, een oproep van het VPRO-programma Nooit meer slapen. Voor mij heeft er altijd een kloof gezeten tussen de gedwongen mannenwereld en de verlangde vrouwenwereld. Ik probeer deze kloof voor mezelf te dichten of te overbruggen. En ik voel me daar eigenlijk wel goed bij.

De kant van client cuddling

Leestijd: 4 minuten

‘Asymmetrie’, het boek dat Lisa Halliday vorig jaar publiceerde, telt minstens drie verhalen. Het verhaal van de relatie van Alice en een beroemde schrijver die ongeveer drie keer zo oud is als zij, het verhaal dat Alice schrijft over de kafkaiaanse belevenissen van een Iraaks-Amerikaanse econoom op een vliegveld. En het bevreemdende radio-interview met de beroemde schrijver van het eerste verhaal.

Het boek gaat voor mij over verschillen die botsingen kunnen veroorzaken. En hoe je dan niet of wel tot elkaar kan komen. Over de afstand tot elkaar bij mensen, in leeftijd, opleiding, cultuur. Die afstand hoeft geen belemmering te zijn voor empathie. Maar man-vrouw, oost-west, oud-jong, je moet er wel wat voor doen.  

Diversiteit zou je het kunnen noemen. Maar bij zo’n term denk je minder aan een boek zoals ‘Asymmetrie’ en meer aan een organisatie of aan beleid. Ik denk aan al die organisaties die als subtekst hebben: ‘Diversity makes us stronger. Diversity makes us smarter. Diversity makes the world better’.   

Wilma Haan, die tot half februari bij Parool werkte, schreef in een column voor de NVJ (waar diversiteit in 2019 een speerpunt is): ‘Wij zijn allen blinde mannen (m/v/x)’. Want iedere blinde man die in de bekende Indiase parabel een olifant tegenkomt (zijn poot, slurf, oor, buik), beschrijft die olifant anders. De werkelijke olifant is dan de optelsom van al die beschrijvingen. Of noem het invalshoeken of perspectieven. Dan ben je de parabel al aan het duiden.

Dat is natuurlijk ook de bedoeling. Wat leer je er dan van? Nou, wil je in jouw tijdschrift of krant een goed beeld van de wereld schetsen, dan heb je diversiteit nodig in leeftijd, culturele achtergrond, gender en seksuele voorkeur. Anders blijf je toch minstens gedeeltelijk blind.

Je kunt mooie lijstjes maken: ‘speerpunten voor organisaties’. De organisatie waar ik heb gewerkt, deed dat ook en noemde dat kernkwaliteiten. ‘Proactief’ en ‘transparant’ waren toen in de mode. ‘Creatief’ is dat nog steeds. En verder duurzaamheid, inclusiviteit, professionaliteit, klantgerichtheid, en…ja, diversiteit. Maar je kunt ook denken aan betrouwbaar, zorgzaam, oplossingsgericht, positief, dat je over aanpassingsvermogen beschikt en goed bent in anticiperen of accuraat handelen. Alles waarin je jezelf herkent of nog niet. Of wat je misschien totaal niet hebt, maar wat wel echt supergoed klinkt: “Flexibility! Ja, dat moeten we hebben!”

Diversiteit zou ik dan bovenaan zetten in een lijstje ‘speerpunten’. Een loffelijk streven. Maar doe het dan echt. Genderdiversiteit is slechts één element daarvan. Er zijn meer speerpunten. Een lijstje van een paar opvallende zaken anno 2019.

  • Maatschappelijk verantwoord ondernemen blijft (nog steeds, en dat is dus niet alleen duurzaamheid in aanpak en beleid, maar ook dat je als organisatie iets wilt bijdragen aan mens en maatschappij, bijvoorbeeld steunen van goede doelen of de culturele sector.);
  • Reputatiemanagement en employer branding worden belangrijker (dat je moet zorgen dat de reputatie van het bedrijf of de organisatie als werkgever en organisatie goed is, want allemaal tevreden werknemers, klanten, studenten, bezoekers. Kijk naar de overdaad aan enquêtes en reviews.);
  • Flexibele inzetbaarheid of employability ook (want, hoor je keer op keer, de vaste banen waar je twintig jaar hetzelfde werk blijft doen, zijn binnenkort echt definitief uitgestorven.);
  • Werkgeluk zeker (minder stress, goede werksfeer, fijne collega’s, betrokkenheid bij de organisatie en wat daar gebeurt en plezier op het werk. Gelukkig zijn wordt haast een plicht: be happy!);
  • En klantcontact natuurlijk (bijvoorbeeld via sociale media waar je direct kunt reageren op vragen en klachten bijvoorbeeld, de NS doet dat op Twitter met ook zo’n dakje voor persoonlijk contact. Dat wordt gewaardeerd, meer dan onpersoonlijke opmerkingen en doorverwijzen naar collega’s, want: ‘daar ga ik niet over’. Zo’n reactie kan echt niet meer.).

In die kwaliteiten kun je als organisatie zwaar door de mand vallen. Ook in je diversiteitsclaim, met al je witte hetero- en cismannen bij het koffiezetapparaat.

Als je bijvoorbeeld als vliegmaatschappij of energieleverancier zegt dat je echt helemaal 100 procent groen bezig bent, terwijl je dat aantoonbaar in geen eeuwen waar kunt maken. Dat je als organisatie milieuvriendelijker pretendeert te zijn dan je bent. Greenwashing! Of dat je klantgerichter bent dan je kunt waarmaken. De internetprovider die zo mooi zegt mensen te verbinden in plaats van hun computers. Client cuddling?

Window dressing? Of iets met fake? Een oproep dan, want we kunnen misschien nog wel een paar woorden gebruiken (Engels of Nederlands) om onterechte claims aan de kaak te stellen. Hoe je je mooier voordoet dan je bent. In de huidige socialemediatijden een bekend verschijnsel. Oproep dan, want we hebben hier meer vocabulaire nodig, lijkt me, en ik kom even niet verder.
    
Mijn tip ten slotte aan organisaties, mensen bij organisaties en mensen die niet of nog niet bij organisaties zitten: haal eruit (uit deze blog) wat je bevalt, denk aan de noodzaak van het verschil en lees ‘Asymmetrie’ van Lisa Halliday.