Categoriearchief: vastgeroeste meningen

Wanneer was ú het gelukkigst?

Kun je jezelf kennen? Ik betwijfel het. Want wie ben ik? Ben ik mijn gedachten, mijn gevoelens en emoties, mijn verlangens, obsessies, angsten en liefdes, ben ik wat ik doe of ben ik wat ik denk? Misschien helpen de vragen die bekend staan als de Proust Questionnaire.  

Marcel Proust (1871-1922) heeft de vragen niet bedacht. Maar hij was wel een van de bekendste personen die de vragen serieus beantwoordde, wel drie keer in zijn leven. Hij geloofde blijkbaar dat met de antwoorden van zo’n zelfonderzoek je echt iets van jezelf kunt laten zien. De eerste keer dat Proust ervoor ging zitten, deed hij dat op verzoek van een vriendin, Antoinette Faure. Hij schreef zijn antwoorden in haar vriendenboek. Aan het eind van de negentiende eeuw – de tijd van de romantiek – waren dit soort vragenlijsten, lijsten die iets vertelden over voorkeuren en verlangens van vrienden populair.

Ik heb net het vijfde deel van Prousts A la recherche du temps perdu gelezen. Daaruit komt iemand naar voren die worstelt met zichzelf en die ook niet altijd meent wat hij zegt of doet wat hij wil doen. Het valt me soms niet mee, bladzijdenlang te volgen wat er tussen de verteller en zijn omgeving afspeelt. Wat hij voelt en wat zijn emoties met hem doen. Toch ga ik nog twee delen proberen mee te voelen.

De vragen.

  1. Wat is voor u volmaakt geluk? – Me erkend of geliefd te weten. Zorgenvrij te zijn.
  2. Wat is uw grootste angst? – Alleen te staan, niemand met wie ik mijn leven, mijn twijfels, mijn gedachten kan delen.
  3. Met welk historisch figuur vereenzelvigt u zich het meest? – Simone de Beauvoir. Ze was meer denker dan doener. Ze was misschien niet altijd consequent in idealen en het leven volgens die idealen, maar ze probeerde het wel. 
  4. Welke karaktertrek vindt u het meest irritant van uzelf? – Ik ben teveel met mezelf bezig.
  5. Welke karaktertrek vindt u het meest irritant bij anderen? – Als ze teveel met zichzelf bezig zijn, te overtuigd van het eigen gelijk. Arrogantie en betweterigheid vind ik moeilijk.
  6. Welke verleiding kunt u niet weerstaan? – Noten, ijs, wijn, chocolade.
  7. Wat is uw favoriete reis? – Een reis naar nieuwe plekken, nieuwe avonturen, nieuwe ontmoetingen.
  8. Met welk deel van uw uiterlijk bent u het minst tevreden? – Het mannelijk deel.
  9. Welk levend persoon veracht u? – Politici vaak, mensen die liegen om de gunst van de kiezer. Ik kan wel concreter worden, maar de politicus die ik vandaag nog veracht (Trump bijvoorbeeld), is morgen (hopelijk) verleden tijd.  
  10. Waarvan hebt u het meeste spijt? – Dat ik mensen niet altijd het respect, de aandacht en de waardering heb gegeven die ze verdienden.
  11. Wanneer en waar was u het gelukkigst? – Op reis, want daarin beleef ik momenten van liefde, zorgeloosheid, zelfvertrouwen en tevreden rust intenser. 
  12. Wat is uw huidige gemoedstoestand? – Twijfel.
  13. U mag een ding aan uzelf veranderen. Wat zou dat zijn? – Eén ding maar?
  14. Wat is uw grootste prestatie? – Die moet nog komen. Ik blijf dromen van de grootse prestatie. Maar voorlopig heb ik artikelen geschreven waar ik tevreden over ben en foto’s gemaakt waarvoor hetzelfde geldt.
  15. Wat is uw dierbaarste bezit? – De brieven van geliefden zijn onvervangbaar.
  16. Wat is voor u het dieptepunt van ellende? – Machteloos toe te zien hoe iets gruwelijk achteruit gaat of misloopt.
  17. Waar zou u willen wonen? – Middenin de natuur.
  18. Wat is uw meest typerende eigenschap? – Rust en gelijkmoedigheid.
  19. Mijn belangrijkste tekortkoming? – Ongeduld, domheid in relaties soms en toch ook te veel eigendunk en tegelijk, te veel bescheidenheid. Of misschien beter: beschetenheid. Dat zijn er al minstens drie, allemaal even belangrijk.
  20. Welke eigenschap waardeert u het meest in een man? – Dat is nogal binair gedacht, maar ik begrijp waar het vandaan komt. In een man: intelligentie, aandacht, twijfel en ook vrouwelijkheid.
  21. Welke eigenschap waardeert u het meest in een vrouw? – Zie de vorige vraag, en ook aandacht en intelligentie.
  22. Wie zijn uw favoriete auteurs? – Mijn favoriet is vaak degene die ik dan lees. Namen? Hannah Arendt, Virginia Woolf, Friedrich Nietzsche, Siri Hustvedt, Anna Woltz. Nee, Proust is bijzonder, maar staat (voorlopig) niet in dit rijtje.
  23. Wie zijn uw helden? – Dan denk ik aan de Jeanne d’Arcs van nu. Greta Thunberg, Malala, Emma Watson, Alexandra Ocasio-Cortez. Eerder had je Rosa Parks en nu zijn er de vele jonge vrouwen die in MeToo hun stem laten horen tegen misogynie en mannelijke zelfgenoegzaamheid.
  24. Eigenschap die ik waardeer bij mijn vrienden? – Hun aandacht en eerlijkheid.
  25. Mijn favoriete bezigheid? – Prousts antwoord is prachtig. Liefhebben, zei hij. Ook mooi: dansen, dan rusten. Of: bewonderen.
  26. Mijn favoriete kleur? – Ook hier is het antwoord van Proust (de kleur van de ogen van mijn geliefde) onovertrefbaar. Ik houd van rood, goud, maar kleuren zijn vaak mooi in combinatie en harmonie.
  27. Mijn favoriete bloem? – Ik weet te weinig van mooie bloemen om een goed antwoord te geven.
  28. Mijn favoriete literaire held(in)? – Alice, van Alice in Wonderland.
  29. Mijn favoriete componist? – Mompou, Ravel, Debussy. En elke componist die droefheid en sfeer in muziek kan vangen. Ik hoorde laatst een prachtig stuk van Hans Abrahamsen in een uitvoering van Barbara Hannigan.
  30. Mijn favoriete schilder? –  Ik denk vooral aan de impressionisten. 
  31. Mijn favoriete namen? – De namen van de mensen die ik liefheb.
  32. Een karaktertrek die ik zou willen hebben? – Geduld. Ik wil ook meer wijsheid, maar dat is niet altijd karakter.
  33. Een talent dat ik zou willen hebben? – Nog voldoende te wensen: in dans, in muziek en ook het schrijven van een goede roman.
  34. Wanneer zou je liegen? – Als ik zou zeggen dat ik me altijd goed en gelukkig voel.
  35. Wat zeg je te vaak? – “Dat komt morgen wel.”
  36. Hoe zou je willen sterven? – Omgeven door geliefden.
  37. Wat zie je als je in de spiegel kijkt? – Iemand die zich noch man noch vrouw voelt. Mijn sekse misschien niet, maar mijn gender is onbepaald.
  38. Voelde je je ooit ergens thuis? – Ik voel me thuis waar mijn vrienden zijn. Waar ik me gerust en gelukkig voel. Maar het voelt soms ook wel alsof ik thuis kom zodra ik bij vreemden over de drempel stap.
  39. Lijk je nog steeds op wie je vroeger was? – Ja! Nee!
  40. Hoe luidt uw adagium? – Val niet in slaap, maar blijf dromen.

Een vergeten lijstje

Edelvrouw, dat is het eerste woord van het lijstje. Er staan zes woorden op een dubbelgevouwen velletje, neergekrabbeld in een kinderlijk handschrift. Naast het lijstje ligt een blauwe pen. Een vergeten lijstje en een vergeten pen.

Het handschrift lijkt ongeoefend, met losse letters en grote halen. Toch denk ik als ik de woorden zie op dit lijstje eerder aan een vrouw van veertig. Bijvoorbeeld de vrouw die nu de bibliotheek binnenloopt waar ik het lijstje heb gevonden. Ze strijkt het haar uit haar gezicht, draagt een slanke grijsgroene knoopjesjas. Is ze op zoek naar het vergeten lijstje? Heeft ze nieuwe woorden in haar hoofd? Nee, ze loopt met besliste hakgeluiden naar de bestsellers.

Wat bedoelt de vrouw van het lijstje met ‘edelvrouw’? Misschien heeft ze een boek gelezen over een koninklijke familie. Queen Victoria of een gravin aan het hof. Edelheid kun je misschien ook plakken op karakter in plaats van klasse. Of is het dan eerder edelmoedig? Edelvrouw: ik denk aan een vrouw op een schilderij, in een prachtige jurk in diepgroen fluweel, een diadeem in haar haren. Sieraden, juwelen. Voor één zo’n haarversiering kun je drie keer eten in het veganrestaurant op de hoek.

Thomas Edwin Mostyn – The Green Gown

Ook op basis van het tweede woord – breipatronen – denk ik dat de lezeres geen kind is. Niet verdiept in Harry Potter, Lampje of Anna Woltz. Bij zo’n woord – ik geef het toe: het is stereotiep en oppervlakkig denken – wordt de schrijfster ervan direct dertig, misschien wel veertig jaar ouder. Het wordt ook plotseling kouder. Want ja, dikke gebreide truien, sjaals en sokken, de kachel staat te snorren op tien. 

Het volgende woord begrijp ik niet. Seajons. Misschien lees ik het fout of heeft de schrijfster iets fonetisch opgeschreven. Haar Nederlands is nog niet zo goed. Ze leert nog. En ze wil graag ook mooie woorden leren, de mooiste woorden. Zoek de tien mooiste woorden in het Nederlands! Dat was haar opdracht vandaag. Ze heeft er zes en zoekt er nog vier. Ik suggereer: fluweel, ballet, liefde, heimwee.

Het volgende woord duidt echter op iets totaal anders: cloud. Wolk of webwereld? Want cloud is immers ook een internetbewaarplek voor documenten en foto’s. Bij deze vrouw gaat het dan vooral om foto’s. Ze bewaart er de foto’s van haar reizen en haar kinderen. Mijn beeld kantelt opnieuw met dit woord. Want die kinderen zijn het huis uit, getrouwd en zwanger. Ze zoekt breipatronen voor babykleertjes. Ondanks het bijdetijdse woord op het lijstje, wordt de vrouw nu opnieuw tien jaar ouder. Ze is oma. Of toch al heel snel.

Metten, het laatste woord op het lijstje. Is dat in tegenstelling tot die ‘cloud’ juist weer niet een woord van eeuwen terug? Oud-Nederlands. Iets met metten en noenen. Ik weet niet precies wat het betekent, maar het heeft zeker iets met tijdstip van de dag te maken.  

De edelvrouw was haar breipatronen kwijtgeraakt. Misschien wist Seajons meer. Ze kon het hem niet vragen, want hij zat aan de andere kant van de zee. Eigenlijk was ze blij dat hij zo ver weg was. Seajons beklemde haar, verstikte haar en beperkte haar. Ze had haar hele leven gepoogd hem tevreden te houden. Van dag tot dag, jaar tot jaar, van noenen tot metten. Maar haar kinderen maakten haar gelukkig en van breien werd ze blij. Oké, dacht ze, breipatronen: check the cloud!

Ik draai het lijstje om. Maar één woord: dierenrechten. Nee, geen edelvrouw of oma, het is een vrouw met haar hond. Ze is net een winkel uitgestuurd.

De oordeelmaatschappij

We oordelen elkaar dood. De hele dag door. We beoordelen vaak op basis van niets. Want oordeelloosheid in onze mondige maatschappij kan echt niet. Stel je voor dat je moet zeggen: ik weet het niet. Gezichtsverlies! Een lege blik als ze je vragen: wat vind jij? Kleurloos! Maar wat zegt een oordeel eigenlijk? 

Als ik turf wat ik allemaal like in een maand op sociale media, dan verbaas ik mezelf. Vage kennissen met een nieuwe baan, een uitgesproken mening over De Luizenmoeder, enthousiasme over een documentaire van Sunny Bergman, hugs van de Nieuw-Zeelandse premier Jacinda Ardern, het verdriet van een familielid, een gedicht van onze stadsdichter over het museum, onrecht dat Amnesty International tegen een Filippijnse advocaat constateert, een foto van de Women’s March, oproepen van klimaatspijbelaars of een hallucinerend mooi optreden van Fatma Said. Fijn, mooi, fantastisch!

Het gemakkelijkste oordeel van nu is zo’n like, een hartje of een traantje, een duimpje omhoog of omlaag. Maar wat zegt het? Soms raakt iets me echt, maar soms betekent het niet meer dan dat ik het opgemerkt heb. Je bent gezien! Ik weet dat je er bent! Ik treur met je mee! Ik heb je lief maar dat durf ik niet te zeggen. En daarom stuur ik je een duimpje. Want ik vind je mislukte foto best leuk. Geloof ik. Of nou ja, ik vind het leuk dat je een mislukte foto post.

I judge, therefore I am. Als variant op Descartes. Op internet kom je echter tal van tips tegen: hoe te stoppen met oordelen over anderen. Spinoza waarschuwde voor te snelle oordelen. Je oordeel is immers bijna altijd gebaseerd op gebrekkige informatie. Je wordt bijvoorbeeld boos omdat je beste vriendin je laat wachten. Ze is al een uur te laat voor je afspraak. Ze reageert zelfs niet op je appjes. Had je geweten dat ze niet kon omdat ze iemand van de verdrinkingsdood probeerde te redden, dan had je je boosheid kunnen inslikken. Wat weet je over de ander? Een slordige look, open sandalen, foute kleren, dik of dronken. Je hebt mensen al ingedeeld na twee seconden.

Oordelen is gemakkelijk, maar het maakt het leven van de ander soms heel erg moeilijk. De coming out van een transgender persoon, de puber die zichzelf zo lelijk vindt en uren in de badkamer aarzelt en moed verzamelt om de wereld tegemoet te treden, of de faalangst van mensen die het podium opstappen. ‘We concurreren met onszelf’, zegt Paul Verhaeghe, psychoanalyticus en hoogleraar in Gent. Hij komt later in dit artikel terug. Voorlopig alleen dit: minder snel of niet oordelen maakt het leven niet alleen voor jezelf prettiger, maar ook voor anderen. 

Gun anderen ‘hun reis’

Op sochicken.nl (een website van Jelle Hermus uit Delft) lees ik dat mensen vooral oordelen omdat ze zelf onzeker zijn. Dat zou kunnen, het is in elk geval een geruststelling, maar juist die snelle oordelers maken me bang. Wat vinden ze van mij?

En waarom oordelen zij zo snel? Door te oordelen, schrijft Hermus, voel je je even iets beter over jezelf. Enerzijds door af te kraken (want zelf ben je vast beter, jij weet bovendien wat de wereld nodig heeft en welke kant we uit moeten) en anderzijds door te juichen (je hebt smaak en je deelt mee in het succesje van een ander). Oordelen helpt overzicht te krijgen, maar het belemmert je ook, en maakt je deels blind. Je hoeft niet meer verder te kijken. Het maakt je ook saai, vindt Hermus, want ‘je trekt al je ervaringen door een filter in je hoofd van hoe de wereld zou moeten zijn.’ Je kruipt in je bubbel, sluit je af voor groei en ontwikkeling en alles blijft hetzelfde, je leven wordt kleurloos.

Geen mening hebben geeft niet, voert hij aan. Je kunt de wereld zien zonder direct te bedenken wat je ervan vindt. Wel fijn, maar best lastig, want je mening wordt vaak gevraagd. Ik sta versteld van straatinterviews waarbij mensen meteen een oordeel hebben op wat hen maar wordt voorgelegd. Ik zou mijn schouders ophalen en doorlopen, maar daarmee kom je niet weg.

Dat mensen van jou willen weten hoe jij erover denkt, komt volgens sochicken.nl vaak omdat ze het zelf niet weten of er dan niet over na hoeven te denken. Maar niet oordelen geeft kalmte, acceptatie en tevredenheid, en je gunt anderen ‘hun reis’. Aldus opnieuw sochicken.nl.

Gedachteloos doen wat ze je zeggen

Oordelen krijgt bij filosoof Hannah Arendt (in navolging van Kant) een hele andere behandeling. Ze schreef eerder over handelen, en vervolgens over denken, willen en inderdaad oordelen in The life of Mind. Hoewel dat laatste boek uiteindelijk alleen in schetsen bestond. Ze pleit er dan voor dat mensen hun verantwoordelijkheid nemen, hun politieke verantwoordelijkheid als burger. Kleurloosheid is voor haar juist de burger die zich daarvoor afsluit. Maar ze stelt wel eisen aan het oordelen. En aan het denken dat daaraan voorafgaat. Gedachteloosheid is kwalijk, het onvermogen tot oordelen. Zoals Eichmann in de Tweede Wereldoorlog de ambtenaar was die gedachteloos deed wat hem werd opgedragen.

Oordelen is de voor Arendt de brug van denken naar doen. Ze spreekt over een oordeelsplicht en ze veroordeelt de tendens in de maatschappij van haar tijd om niet te denken en niet te oordelen. Ze zou zeker ook niet te spreken zijn over de al te lichtvaardige oordelen die sociale media en maatschappelijke bubbels veroorzaken. Daar ligt ook gedachteloosheid onder.

Oordelen is voor Arendt het vermogen om het algemene en het particuliere met elkaar te verbinden. Het vraagt reflectie op de vraag of een gevoel van behagen of onbehagen, het vraagt verruiming van onze geest, verplaatsing in een ander en dat we onze particuliere omstandigheden buiten beschouwing laten. Pas dan is een oordeel geen vooroordeel meer. Je moet er dus wel wat voor doen om tot een oordeel te komen. Niet iets wat je kunt door gedachteloos langs de posts op je tijdlijn scrollen. 

De tips van sochicken maken je lui en misschien juist wel saai. Ze passen bij de oppervlakkigheid van vele posts op sociale media. Maar wat is erger: de saaiheid van degene die nooit oordeelt of de saaiheid van degene die dat wel doet? Als je het maar goed doet. Uiteindelijk zijn de adviezen op sochicken om niet te oordelen eigenlijk net zo goed oordelen. Er is dan sprake van een soort van catch-22.

Nog iets over referenda, want de oordeelsvorming is voor zo’n volksraadpleging vaak problematisch. Vorige week las ik dat een Zwitserse rechter een referendumuitslag ongeldig heeft verklaard omdat de kiezers slecht geïnformeerd waren. Weinig informatie, maar ik denk dat het vaak ook slechte informatie is, want de ‘informanten’ hebben belangen. En politici zijn zeker niet de meest betrouwbare informanten. Ik denk aan het referendum over de Brexit, aan het referendum over de Europese relatie met Oekraïne en misschien wel het oer-voorbeeld, de Atheense burgers die Socrates tot de gifbeker veroordeelden. Ik geloof niet dat referenda in alle gevallen een goed democratisch middel zijn.

Ik ben de ander

Terug naar Paul Verhaeghe. Ik weet niet of ik hem ergens tussen beide uitersten in kan plaatsen. Het advies om niet te oordelen en de oproep om dat juist wel te doen. Hij heeft het over het goede leven en komt dan ook bij Aristoteles, de man van het juiste midden. Niet teveel en niet te weinig.

Maar het mooiste in zijn boek vind ik de constatering dat onze identiteit grotendeels wordt ingevuld door de ander. De interacties tussen mij en de anderen maken mij tot wie ik ben, schrijft hij. ‘Onze zelfkennis en het zelf zélf, onze identiteit’ zijn het product van die interacties. Het zijn de verwachtingen van anderen en eigenlijk ook weer het idee dat ik heb van de verwachtingen van anderen die mij bepalen. Ik verhoud me daartoe, want ik identificeer me ermee of ik zet me ertegen af. “Ik ben de ander”, citeert Verhaeghe Rimbaud.

“Onze identiteit is een huis met vele kamers waarvan we er een aantal nauwelijks kennen”, schrijft Verhaeghe. Ik weet niet of deze zin in dit essay past, maar het is erg mooi geformuleerd. Net als zijn beschrijving van het toneelstuk Rhinocéros (waarbij mensen in neushoorns veranderen en dat proberen tegen te houden tot de meerderheid neushoorn is en iedereen er naar verlangt om neushoorn te worden) en de film Invasion of the Body Snatchers. In die film worden de geesten van de mensen in het dorp geleidelijk overgenomen of de lichamen worden ingenomen. Oordeel zelf of dit past in een essay over het actuele oordelen in onze oordeelmaatschappij.   

Concurreren met jezelf

Wat zeker past is de constatering dat we tegenwoordig alles beoordelen. Je kunt zelf beoordelen of de panty’s van de Hema lekker zitten, of het nieuwe boek van Buwalda zoveel sterren verdient en of de Airbnb-verhuurder het huis op orde heeft. Oordelen die blijkbaar zeer worden gewaardeerd, maar vooral aan moeten zetten tot consumptie. Dit oordelen, of misschien beter: beoordelen, is echt alleen daarvoor bedoeld, om anderen te bewegen. Aanbieders van producten en diensten stellen mijn waardering zeer op prijs omdat anderen dan eerder geneigd zijn in de kwaliteit van hun producten en diensten te geloven. 

Wil je een nieuwe auto, zoek je een app voor wijnbeoordeling, vraag je je af naar welke kapper je het beste kunt gaan, dan kun kijk je naar beoordelingen op internet. Zelfs mensen worden daar beoordeeld, en het cijfer dat je krijgt, kan bepalend zijn voor je toegang tot een huurauto of een appartement. Een aanbieder van producten of diensten wil wel een beetje een betrouwbare klant, geen wanbetaler of sloddervos.

Hoever zal dat gaan? Want straks val je in een duurdere verzekeringsklasse omdat je sportieve resultaten onder de maat zijn. Je kunt niet op reis naar Amerika omdat je als een risico wordt beschouwd. Onze oordeelmaatschappij kijkt niet naar wie jij bent, maar naar de scores die je laat zien. Je krijgt korting met een hogere rating en het leven (nou ja, de verkoop van je producten en diensten) wordt wel erg lastig als je te laag scoort..

Er is dan steeds die dreiging. Wat als ik niet aan de verwachtingen voldoe, waar blijf ik? Kotst de buurt me uit, moet ik weg bij de club, kom ik alleen te staan, gaat de klas me pesten, kom ik ooit in de hemel? Ben ik zelf de oorzaak? Nee, zegt Verhaeghe, nooit. Het is de ander. En wanneer wordt die onterechte schuld en de schaamte voor al je zogenaamde onvolkomenheden in de ogen van de ander stress? “Het nieuwe mensbeeld is dat van perfectie”, vertelde Verhaeghe NRC. Waar we vroeger met anderen concurreerden, doen we dat nu met onszelf. “Het is uitputtend. Van je eigen schaduw kun je niet winnen.”

Alles is een te beoordelen prestatie, zelfs je vakantie. Gevolg is dat het erg moeilijk wordt om anderen toe te laten, denkt Verhaeghe. “Intimiteit”, (zo heet het boek van Verhaeghe) “wordt zeer moeilijk als elk ander een potentiële rechter is.”

Zijn oplossing is niet zozeer het oordelen te laten vallen en je oren dicht te stoppen, maar je zelfkennis te vergroten. Een gebrekkige zelfkennis maakt je gevoelig voor oordelen van anderen, maar ken je jezelf, dan kun je je daartegen wapenen. Die zelfkennis verkrijg je niet zozeer door rationeel te werk te gaan, re-search -maar vooral ook emotioneel, en bij jezelf – me-search. Aldus Verhaeghe. Wat zegt je lichaam? Een betere relatie met je lichaam, niet gebaseerd op schaamte of de overtuiging dat we niet mooi of gezond genoeg zijn, helpt je om je beter te voelen. En, stelt Verhaeghe, een betere relatie met jezelf is voorwaarde voor een betere relatie met anderen.

De wereld van mannen, de wereld van vrouwen

Wat is dat eigenlijk, het verschil tussen een man en een vrouw? Die vraag houdt me blijkbaar bezig sinds ik vier was. Stond ik daar in mijn blootje. “Mam, wanneer valt dat eraf?” Mijn moeder zuchtte dan. “Maar mam, mijn zusje heeft zoiets toch ook niet.” Ik was ervan overtuigd dat het wel goed zou komen. Dit hoorde gewoon niet bij mij. De schoolarts deed mijn onderbroek omlaag en keek. Goed zo! En ik vroeg me af: waarom ben ik anders dan zij?

Keer op keer werd ik gecorrigeerd als ik poppen pakte, een jurkje wilde, de Tina uit de brievenbus viste of eerder dan mijn moeder de Libelle uithad. “Dat doen jongens niet.” Lego, indianenverhalen, soldaatjes en voetballen. Dat zat er in mijn sinterklaascadeautjes. Ik was stikjaloers op de spulletjes van mijn zusje. Maar wat wil je? Pas je maar aan, je groeit er wel overheen. Misschien dacht ik dat zelf ook wel. Misschien groei ik er wel overheen.

Ik denk niet dat mijn ouders me al die jongensspulletjes toeschoven omdat ze bang waren dat ik anders te meisjesachtig zou worden. Er kwam gewoon niets anders in hen op. Het ligt allemaal vast in een wereld van meisjes en jongens. Mijn slaapkamer was anders, ik zocht steeds meer het gezelschap van vriendjes in plaats van vriendinnetjes, ik deed de dingen die ze misschien wel van me verwachtten en ik ging atletieken in plaats van balletten. Het lijkt zo te horen. En elk jaar dat ze ouder worden, drijven de werelden van meisjes en jongens verder uit elkaar.

Maar ik voelde me ongelukkig, het leek zo geforceerd. Steeds meer. Ik paste de hakken van mijn moeder, rommelde in de kledingla van mijn zusje en speelde met de lippenstift. Die dingen beloofden een prachtige andere wereld. Maar tegelijk bedacht ik dat het niet klopte, het kon niet kloppen. Zouden andere jongens dat ook doen of was ik de enige die zich verloor in leesboeken over kostschoolmeisjes?

Maar ik leek niet op die meisjes, had niet hun lange haar en vlechten, hun fijne handjes en kleine voetjes. En god nog aan toe, toen moest ik me ook nog scheren. Mijn vader liet me zien hoe ik het moest doen. Dat je het beste echte scheerzeep kon gebruiken. Dat had hij dan weer van de herenkapper op de hoek. Warm water over je gezicht, een kwast met zeep, het mes van de wang naar de kin. Voor een goede scheerbeurt zeep je je misschien nogmaals in en strijk je tegen de groeirichting. Tot slot een warme handdoek en vervolgens een koude. Vader gaf me kwast, zeep en aluin.

Ik stopte het weg, uit het zicht, maar kon er toch niet omheen. Ja, ik kende het hele mannenritueel bij het opstaan. Ochtenderectie, boeren en scheten, plassen, wassen en scheren en dan koffie en een paar stevige boterhammen. Dat was de ceremonie waarin ik opgesloten zat. Probeer dat maar eens te veranderen als je geen woorden hebt om uit te drukken wat je voelt. Dan keek ik verlangend naar die andere wereld. Ik rook de parfum, ik voelde de zachtheid en ik zag de etalages van kledingwinkels en al die heerlijk vrouwelijke objecten: poeder, tasjes, sieraden, sjaals. Ik keek er ook met een soort van gêne naar. Niet voor mij, niet voor mij!

Wat is het dan verschil tussen een man en een vrouw? Ik weet het nog steeds niet. Of misschien wel steeds minder. Zit dat in hoe je eruit ziet, in wat je doet of hoe je je voelt? Is het misschien een combinatie? Kun je het doorbreken of overbruggen, is het flexibel en elke dag anders? Moet ik maar accepteren dat het vastligt of een andere weg vinden? Ligt het bij jou of ook bij de mensen om je heen?

Die mensen om je heen hebben meestal nog geen halve tel nodig om je te plaatsen als man of vrouw… En ik? Ik weet het nog steeds niet, ik worstel er al heel mijn leven mee.

Deze tekst heb ik geschreven voor De Kloof, een oproep van het VPRO-programma Nooit meer slapen. Voor mij heeft er altijd een kloof gezeten tussen de gedwongen mannenwereld en de verlangde vrouwenwereld. Ik probeer deze kloof voor mezelf te dichten of te overbruggen. En ik voel me daar eigenlijk wel goed bij.

De kant van client cuddling

‘Asymmetrie’, het boek dat Lisa Halliday vorig jaar publiceerde, telt minstens drie verhalen. Het verhaal van de relatie van Alice en een beroemde schrijver die ongeveer drie keer zo oud is als zij, het verhaal dat Alice schrijft over de kafkaiaanse belevenissen van een Iraaks-Amerikaanse econoom op een vliegveld. En het bevreemdende radio-interview met de beroemde schrijver van het eerste verhaal.

Het boek gaat voor mij over verschillen die botsingen kunnen veroorzaken. En hoe je dan niet of wel tot elkaar kan komen. Over de afstand tot elkaar bij mensen, in leeftijd, opleiding, cultuur. Die afstand hoeft geen belemmering te zijn voor empathie. Maar man-vrouw, oost-west, oud-jong, je moet er wel wat voor doen.  

Diversiteit zou je het kunnen noemen. Maar bij zo’n term denk je minder aan een boek zoals ‘Asymmetrie’ en meer aan een organisatie of aan beleid. Ik denk aan al die organisaties die als subtekst hebben: ‘Diversity makes us stronger. Diversity makes us smarter. Diversity makes the world better’.   

Wilma Haan, die tot half februari bij Parool werkte, schreef in een column voor de NVJ (waar diversiteit in 2019 een speerpunt is): ‘Wij zijn allen blinde mannen (m/v/x)’. Want iedere blinde man die in de bekende Indiase parabel een olifant tegenkomt (zijn poot, slurf, oor, buik), beschrijft die olifant anders. De werkelijke olifant is dan de optelsom van al die beschrijvingen. Of noem het invalshoeken of perspectieven. Dan ben je de parabel al aan het duiden.

Dat is natuurlijk ook de bedoeling. Wat leer je er dan van? Nou, wil je in jouw tijdschrift of krant een goed beeld van de wereld schetsen, dan heb je diversiteit nodig in leeftijd, culturele achtergrond, gender en seksuele voorkeur. Anders blijf je toch minstens gedeeltelijk blind.

Je kunt mooie lijstjes maken: ‘speerpunten voor organisaties’. De organisatie waar ik heb gewerkt, deed dat ook en noemde dat kernkwaliteiten. ‘Proactief’ en ‘transparant’ waren toen in de mode. ‘Creatief’ is dat nog steeds. En verder duurzaamheid, inclusiviteit, professionaliteit, klantgerichtheid, en…ja, diversiteit. Maar je kunt ook denken aan betrouwbaar, zorgzaam, oplossingsgericht, positief, dat je over aanpassingsvermogen beschikt en goed bent in anticiperen of accuraat handelen. Alles waarin je jezelf herkent of nog niet. Of wat je misschien totaal niet hebt, maar wat wel echt supergoed klinkt: “Flexibility! Ja, dat moeten we hebben!”

Diversiteit zou ik dan bovenaan zetten in een lijstje ‘speerpunten’. Een loffelijk streven. Maar doe het dan echt. Genderdiversiteit is slechts één element daarvan. Er zijn meer speerpunten. Een lijstje van een paar opvallende zaken anno 2019.

  • Maatschappelijk verantwoord ondernemen blijft (nog steeds, en dat is dus niet alleen duurzaamheid in aanpak en beleid, maar ook dat je als organisatie iets wilt bijdragen aan mens en maatschappij, bijvoorbeeld steunen van goede doelen of de culturele sector.);
  • Reputatiemanagement en employer branding worden belangrijker (dat je moet zorgen dat de reputatie van het bedrijf of de organisatie als werkgever en organisatie goed is, want allemaal tevreden werknemers, klanten, studenten, bezoekers. Kijk naar de overdaad aan enquêtes en reviews.);
  • Flexibele inzetbaarheid of employability ook (want, hoor je keer op keer, de vaste banen waar je twintig jaar hetzelfde werk blijft doen, zijn binnenkort echt definitief uitgestorven.);
  • Werkgeluk zeker (minder stress, goede werksfeer, fijne collega’s, betrokkenheid bij de organisatie en wat daar gebeurt en plezier op het werk. Gelukkig zijn wordt haast een plicht: be happy!);
  • En klantcontact natuurlijk (bijvoorbeeld via sociale media waar je direct kunt reageren op vragen en klachten bijvoorbeeld, de NS doet dat op Twitter met ook zo’n dakje voor persoonlijk contact. Dat wordt gewaardeerd, meer dan onpersoonlijke opmerkingen en doorverwijzen naar collega’s, want: ‘daar ga ik niet over’. Zo’n reactie kan echt niet meer.).

In die kwaliteiten kun je als organisatie zwaar door de mand vallen. Ook in je diversiteitsclaim, met al je witte hetero- en cismannen bij het koffiezetapparaat.

Als je bijvoorbeeld als vliegmaatschappij of energieleverancier zegt dat je echt helemaal 100 procent groen bezig bent, terwijl je dat aantoonbaar in geen eeuwen waar kunt maken. Dat je als organisatie milieuvriendelijker pretendeert te zijn dan je bent. Greenwashing! Of dat je klantgerichter bent dan je kunt waarmaken. De internetprovider die zo mooi zegt mensen te verbinden in plaats van hun computers. Client cuddling?

Window dressing? Of iets met fake? Een oproep dan, want we kunnen misschien nog wel een paar woorden gebruiken (Engels of Nederlands) om onterechte claims aan de kaak te stellen. Hoe je je mooier voordoet dan je bent. In de huidige socialemediatijden een bekend verschijnsel. Oproep dan, want we hebben hier meer vocabulaire nodig, lijkt me, en ik kom even niet verder.
    
Mijn tip ten slotte aan organisaties, mensen bij organisaties en mensen die niet of nog niet bij organisaties zitten: haal eruit (uit deze blog) wat je bevalt, denk aan de noodzaak van het verschil en lees ‘Asymmetrie’ van Lisa Halliday.

Wie stikt de naden?

Als de angst haar bij de keel grijpt, vlucht Flora terug in de herinneringen aan haar moeders keuken.  Ze is dan de tiener die eieren klutst en avocado’s schilt. Een onbezorgde tijd van school, vriendinnetjes en soms een vriendje. Het was een tijd van verliefdheid en spel, en hoop op een toekomst die vast heel mooi zou worden.

Op haar achttiende trouwde ze en kort daarna kreeg ze haar eerste kind. Toen haar man werd opgepakt voor diefstal was ze opnieuw in verwachting. Het ging niet goed met de baby die vervolgens geboren werd, maar geld voor medicijnen had ze niet. Flora bad en smeekte het ziekenhuis om zorg toen het kind stervende was. Het mocht niet baten. Wanhopig zocht ze naar baantjes en handeltjes. Telkens opnieuw werd ze teleurgesteld. Geen ervaring, geen capaciteiten, geen kans.

Ze nam ten slotte naailes in de hoop een bedrijfje te beginnen. Haar naaidocente wist van haar moeilijke situatie. Ze vertelde haar nadat ze een maand of wat les had dat je in de VS gemakkelijk geld zou kunnen verdienen. In de kledingindustrie werden voortdurend mensen gevraagd, zei ze. Dan zou je zoveel verdienen dat je nog geld naar huis kunt sturen.

Flora liet haar moeder en haar kind achter en ging erheen. Vol hoop dat de weg naar boven nu was gevonden. Maar ze merkte tot haar ontsteltenis al snel dat het allemaal leugens waren. De vrouw die contact had gelegd met de naaidocente en haar de grens over had geholpen, vertelde dat ze haar voor haar hulp om de grens over te steken 3.000 dollar schuldig was en dat Flora die terug moest verdienen. Deze Jennifer was een stevig, maar verzorgd uitziende vrouw. Iemand die aanvankelijk vertrouwen uitstraalde, maar, zo bleek later, snel haar geduld verloor en kwaad werd. Dan werd Flora zo bang dat ze de rillingen in haar lichaam nauwelijks kon beheersen.   

De hele dag maakte ze jurken. Zat de dag erop, dan moest ze de fabriek schoonmaken. Ze sliep in een opslagruimte waar ze een matras deelde met een ander slachtoffer. Ze mocht de fabriek niet uit of praten met haar collega’s die normale diensten draaiden. Eén maaltijd per dag kreeg ze, tien minuten. Bang voor de strenge opzichters en nog meer voor Jennifer gehoorzaamde ze. Ze at snel en had altijd honger. Soms begonnen haar lippen te trillen. Dan moest ze zich uit alle macht beheersen om niet in huilen uit te barsten met alle mensen om zich heen. Dan ging ze terug naar haar moeders keuken.

Haar collega’s keken weleens bevreemd als ze ’s ochtends aan hun dienst begonnen. ‘Goh, zij lijkt hier wel te wonen’, dachten ze. Maar contact met haar kregen ze niet. Jennifer, die haar paspoort had ingenomen, had haar verteld dat ze het duur zou betalen als ze iets zou vertellen. Bovendien zou de politie haar toch niet geloven, illegaal in een vreemd land. En, zei Jennifer, ‘ik weet waar je moeder en kind wonen’.  Het moet nu bijna vier maanden zijn dat ze hier zit. Op zondagen is er meer tijd is om aan thuis te denken. Dat geeft rust en tegelijk ook onrust. Ze denkt ook aan de jurken die ze heeft gemaakt. Die hangen voor 200 dollar per stuk in de winkel. Zouden de kopers van die jurken er wel bij stilstaan wie de naden heeft gestikt?

Slavernij bestaat nog steeds, hoewel het al zolang verboden is. Ik schrok ervan toen ik het hoorde. Moderne slavernij treft miljoenen mensen in bijna alle landen van de wereld. Niet alleen Mauritanië, Saoedi-Arabië en India bijvoorbeeld, maar ook een land als Nederland of de VS. Het kan gaan om de seksindustrie, kinderarbeid, gedwongen huwelijken en mensenhandel. Overal waar menselijk arbeid wordt geëxploiteerd tegen nauwelijks of geen betaling.

Meedansen met Lara

Lara die afgewend in de doucheruimte staat, met tranen in haar ogen naar de ballerina’s op het podium kijkt, een blik werpt in de kamer waar de andere meiden slapen, nerveus met haar handen beweegt. De flirt waarbij ze angstvallig haar lichaam afdekt, de manier waarop ze dat lichaam wil wegstoppen. De verlegenheid, ongeloof, het ongeduld, de boosheid, inspanning, verdriet en trots. En de zekerheid over wat ze wil: vrouw zijn als iedere andere vrouw, meisje met de andere meisjes, dansen zoals een ballerina en dat iedereen haar ziet zoals ze zich toont. Als vrouw. Dat is haar grote wens.

Ik vond het een prachtige film. Intussen had ik al zoveel over ‘Girl’ gelezen en gehoord toen die hier eindelijk te zien was, dat het me lastig leek om onbevangen te kijken. Maar ik werd toch meegesleept, danste als het ware mee.

Goed, de genderstereotypering over mannelijkheid en vrouwelijkheid, met alle druk die dat op mannen en vrouwen geeft, en de binaire blik op mannen en vrouwen, dat blijft ook na deze film wel een strijdpunt. Je kunt je verder afvragen of het idee dat je ‘geboren wordt in het verkeerde lichaam’ wel voldoende geproblematiseerd wordt. Niet door Lara zelf in elk geval.

Maar ik herken me niet in de kritiek dat dit verhaal een verkeerd beeld geeft van die heel diverse groep van transgenders – kan dat wel? De film geeft een mooi beeld van één transgender persoon. Er zijn niet al de verschillende tinten in gendergevoelens en lichaamsbeleving, en ik zie in het verhaal niet hét verhaal, maar een verhaal. Dat is in grote lijnen het verhaal van Nora Monsecour die in 2009 op de Koninklijke Balletschool Antwerpen de overstap wilde maken van de jongens- naar de meisjesklas.

Er wordt werkelijk fantastisch geacteerd, door Victor Polster. Met de camera dicht op deze hoofdpersoon. Lara zegt misschien niet zoveel met woorden, maar alles met haar gezicht, gebaren en emoties. Dan vraag je je geregeld af wat er in haar hoofd gebeurt.

Spitzen

Haar inspanning en wil om vrouw te zijn loopt gelijk op met haar inspanning en wil om ballerina te zijn. Op spitzen te staan. Dan moet je weten dat ik ook op ballet zit en twee keer per week aan de barre sta. Samen met vier, vijf mededanseressen. Wel anders dan Lara, want ik dans niet in balletpakje, maar in een zwarte maillot en een strak T-shirt. Toch identificeer ik me daardoor waarschijnlijk meer nog met haar dan de gemiddelde bioscoopbezoeker. Ik voel me gelukkig aan de barre, voor de spiegel, en ik denk haar dubbele verlangen – vrouw en ballerina te willen zijn – te begrijpen. Ik ben dan niet binair, maar non-binair.

Misschien is het wel die danssetting die het voor me doet, ik weet het niet. Dan kun je er haast niet omheen dat je in de film naar het lichaam kijkt, want ballet is heel fysiek. Maar het spreekt me zeer aan.

De pliés, pas de bourrees en relevés doe ik ook wekelijks, en dat valt lang niet altijd mee. Hard werken. Ik moet steeds opnieuw bedenken hoe ik mijn armen in een mooie port de bras houd, mijn benen voldoende uitdraai in de vijfde positie, een goede balans vind – denk aan je centrum! – of een pas de chat aanleer. Tombé, pas de bourree, glissade, piqué. En rond de jambe, sisonne en dan een pirouette op de voorvoet. Focus houden.

Wanneer ben je vrouw

‘De haarextensions die hij droeg, heeft hij de hele draaiperiode ingehouden’, zegt regisseur Lukas Dhont over acteur Victor Polster. ‘Hij is écht een meisje voor ons geworden.’ Dat vind ik innemend. ‘Een film op verliefd op te worden’, schrijft Hugo Emmerzael in De Filmkrant. Ik kan daar alleen maar mee instemmen.

Ik zie dan het beeld in de film voor me dat Lara wordt gevraagd of ze een jongen of een meisje wil zijn. Je ziet haar denken: wat een stomme vraag! Je ziet haar dat echt denken. De manier waarop ze reageert is super. Maar dat is ze nog niet, vindt ze zelf. Ook al probeert een dokter haar daarvan te overtuigen: ‘ik zie een vrouw’. Het komt niet aan bij Lara. Voor haarzelf is ze dat nog niet zolang haar lichaam niet is aangepast.

Daar ligt een gevoelig en essentieel punt, wanneer ben je vrouw? Het zou goed zijn als een cisgenderfilmkijker bedenkt: ja, ik zie ook een vrouw. Ondanks de ontkenning van Lara. Overbodige vraag.

Zo stelt de film eigenlijk impliciet die vraag: wanneer ben je vrouw? Zit dat in je lichaam, in je geest (dualisme van Descartes) of in de onverbrekelijke combinatie van beide? Voor Lara, die wil dansen, is het vooral het lichaam. Kijk je niet verder dan haar point of view, dan denk je: nee! Ik hoop dat de kijker na deze empathische film zelf een genuanceerder antwoord kan bedenken. En ik denk eigenlijk dat de regisseur dit heel goed doet.

Zelfverzekerd

Het is een emotioneel moment en er breekt iets als haar klasgenootjes haar uitdagen om haar geslachtsdeel te laten zien. Dat is vreselijk! En deze scene is misschien juist zo goed omdat je dat zelf ook ervaart en voelt. Of misschien moet ik voor mezelf spreken: ik voelde de verschrikking van dat moment.

Mooi is de liefde, steun en zorg van de vader. En ook voor de dokters die doen wat ze kunnen – ‘Lara, denk nu niet teveel aan je lichaam’ – heb ik begrip. Een advies dat vanzelf niet aankomt. Een film met transgender als thema moet een gok zijn voor een regisseur, met een kritische community en een strijdbaar transactivisme. Dhont had in de film ook kunnen kiezen voor de buitenkant: de ontbrekende acceptatie van de omgeving. Maar hij richt zich door dat conflict (bijna) te vermijden juist op de binnenkant.

Dan wil je weten, omdat je je betrokken voelt, hoe het verder gaat met haar. Er is dan ook een soort van loutering als Lara, aan het einde van de film, een paar jaar later, zelfverzekerd op straat loopt. Mooi einde! Echt mooi!

Nog twee minuten

leestijd: anderhalve minuut

Met hoeveel passen we achterin een truck? Tellen lukt me niet, maar het ziet zwart om me heen. Toen we ingeladen werden – er is geen ander woord voor – zag ik de paniek in de ogen van mijn metgezellen. Nu is het donker, niet omdat het nacht is, maar omdat er geen lichtinval is. Af en toe hoor ik een kreet van pijn als we door een bocht gaan en lichamen tegen de wand van de truck worden gedrukt. Met moeite blijven we overeind.

Mijn leven? Ik ben al vroeg van mijn moeder gescheiden. Kort na de geboorte. Dat zou beter zijn voor de productie. Mijn zusjes zijn wel gebleven, en worden straks misschien op hun beurt moeder. Zij zorgen voor melk en kaas, maar die rol past me niet, ik ben weggevoerd. Mijn moeder zag me vertrekken en kon niets doen. Het deed veel pijn, ik zag het bij haar. En ik heb weken rondgelopen met een knoop in mijn maag. Ik heb geen idee wat er van haar of mijn kalverzusjes gekomen is. Familie telt niet in dit leven.

Ik kwam na een lange reis in een saai hok, vies en krap. En dit is mijn laatste reis, weet ik. Ik hoorde de man en de vrouw praten. “Die en die”, wezen ze. Ze keken ook naar mij. “Die zijn er klaar voor.” Een naam kreeg ik niet van hen, ik was er te kort. Een nummer ben ik. Massa. Opbrengst.

Was dat het nou? Het leven is eten en gegeten worden. Niet meer dan dat blijkbaar. Ze zeggen dat in je laatste minuten je hele leven aan je voorbijschiet. Ik heb daar niet veel tijd voor nodig. Ik kwam nauwelijks buiten. De eerste weken nadat ik van mijn moeder gescheiden was, leefde ik alleen en daarna leefden we in een klein groepje jonge kalfjes. Dat heeft een klein half jaar geduurd en nu staan we hier. Hoe lang nog?

We worden de truck uitgedreven. De paniek is nu echt voelbaar. Ze, de mensen die over ons lot beslissen, proberen stress te vermijden. Dat heb ik begrepen, want dat is beter voor de kwaliteit. Maar echt, je voelt het als je tussen dit hekwerk staat en je kunt maar één kant op, alleen maar voorwaarts. Het is alsof je opnieuw de moederschoot uitgeperst wordt, zo verlaten we de vrachtwagen.

Maar waar toen de weg naar leven leidde, voert die nu naar de dood. Binnen twee minuten ben ik dood. En vanavond ben ik kalfsvlees in het schap of lig ik misschien al op je bord.

 

#MeToo is opmaat

Nu is met #MeToo ook de populaire dirigent James Levine gevallen. Toch is er geen sprake van hysterie en heksenjacht, wat mensen ook zeggen. Ik denk eerder aan bevrijding. Aanpak van een systeem van uitoefening van macht en gedwongen zwijgen. En van vastgeroeste ideeën over vrouwelijkheid en mannelijkheid. Dit is een begin.

Rebecca Solnit citeert bell hooks in haar essaybundel ‘De moeder aller vragen’. De Amerikaanse feministe, die haar auteursnaam met kleine letters schrijft, zei: “De eerste daad van geweld die het patriarchaat eist van de man is niet geweld tegen vrouwen. Nee, het patriarchaat eist van alle mannen dat ze daden van psychische zelfverminking plegen, dat ze de emotionele kant van zichzelf om zeep helpen.”

“Mannelijkheid is één grote verloochening”, schrijft Solnit vervolgens. Emoties, expressiviteit, ontvankelijkheid, al die mogelijkheden worden afgezworen om er maar bij te horen. Vrouwen zijn al langer bezig in het gevecht met stereotyperingen, maar mannen lopen eeuwen achter. #MeToo zou voor hen de start kunnen betekenen van eenzelfde strijd. Het gevecht tegen de stereotypering. Het verhaal van zo moeten mannen zijn. Macho en masculien, en boys will be boys.

#MeToo begon met de roep van slachtoffers van seksueel misbruik die zich niet langer stoorden aan een ongeschreven zwijgplicht. Over dat zwijgen schreef Solnit een lang essay. Mannen voelen ook de druk om te zwijgen, zegt ze. Zonder commentaar zich onderwerpen aan de ‘mannennorm’ zoals die bijvoorbeeld geldt in de studentenvereniging, bij de sportclub of op de werkvloer. Al die plekken waar alledaags seksisme gemakkelijk wordt weggewoven.

De volgende stap in #MeToo zou kunnen zijn te denken over mannelijkheid. Simone de Beauvoir schreef: Je wordt niet als vrouw geboren, je wordt tot vrouw gemaakt. Dat geldt ongetwijfeld net zo voor mannen: je wordt tot man gemaakt. ‘Man’ is niet iets onbeweeglijks en eeuwigs. Vast en vastgeroest. Het kan best anders.

Als we dan toch bezig zijn, kunnen we misschien nadenken over de dwingende indeling man-vrouw en over het hele concept gender. Dat je je er bewust van wordt dat je als je probeert te beantwoorden aan maatschappelijke verwachtingen je ook altijd een rol speelt. Het verzet tegen stereotypering (bijvoorbeeld dat mannen sterk, stoer en dominant zijn) mag dan nog veel verder gaan.

Nog even terug naar de oorsprong van #MeToo. Je zou het kunnen zien als de volgende stap in de opstand die begon toen het misbruik in de katholieke kerk aan de kaak werd gesteld. Tegen pedofiele priesters die jarenlang de hand boven het hoofd werd gehouden. Zo bleek er ook seksueel grensoverschrijdend gedrag in het leger, het onderwijs, de sportwereld. Steeds was er macht in het spel en zwegen de getraumatiseerde slachtoffers. En wat je nu hoort, is ongetwijfeld niet meer dan het topje van een ijsberg van macht en zwijgen.

Het duurde toch nog even (tot oktober 2017) voordat #MeToo in alle hevigheid losbarstte. Dat bracht de institutionele genderongelijkheid en het seksueel machtsmisbruik in de filmwereld aan het licht, schrijft Dana Linssen in De Filmkrant (maart 2018). Eerder was er bijvoorbeeld al Emma Sulkowicz, een Amerikaanse kunststudente, als aanklacht tegen haar verkrachter een matras over de campus van Columbia University sleepte. En president Grab-them-by-the-pussy, aan wie we misschien wel de heropleving van het feminisme te danken hebben. Plus #MeToo, toch zeker voor een deel.

Af en toe zijn er geluiden van een backlash. #MeToo zou te ver gaan en leiden tot verkramping en preutsheid. Bijvoorbeeld omdat kunst met blote borsten niet meer kan. Niet terecht, want het gaat bij #MeToo helemaal niet om puritanisme, om blote borsten of dat je nu als man niet meer mag flirten. Het gaat er in #MeToo om dat je veronderstelt dat je kunt nemen wat je wilt, dat wederzijdse toestemming niet nodig is en dat je anderen het zwijgen kunt opleggen. Het gaat erom dat in onze maatschappij vrouwen minder ruimte krijgen en het gaat er vervolgens om, mijn veronderstelling, dat mannen aan machoverwachtingen moeten voldoen. Het gaat vooral om een herstel van evenwicht.

Met #MeToo is een begin gemaakt. Hoe verder? Mannelijkheid en de verwachtingen daarover ter discussie stellen is één stap. Misbruik van machtsverhoudingen bespreken. En misschien is er een intersectioneel #MeToo mogelijk. Dat je niet alleen naar machtsverhouding in genderrollen kijkt, maar ook naar die waar het klasse, kleur of seksuele geaardheid betreffen.

Maak me wakker voor kunstschaatsen

Een sportkijker ben ik niet. Wel geweest hoor: schaatsen, tennis, voetbal, wielrennen, atletiek. Maar nooit echt fanatiek. Mooi voor degene die wint dat die wint, maar verdriet of vreugde deel ik meestal niet echt. Hooguit bewondering. Ik kijk nauwelijks naar sport en sla de krantenpagina’s over. Waarom? Onvoldoende betrokkenheid misschien. Goed, sportverslaggevers proberen daar wel iets aan te doen. Het sportverhaal met alle ups en downs, inzet en medeleven, de dromen en decepties, zweetdruppels en tranen, dat verhaal wordt gretig verteld.

De Olympische Spelen zijn een uitzondering. Dat toernooi heeft echt iets speciaals. Zo voelt het voor mij. Vanwege de geschiedenis misschien, vanwege de oude idealen en de pure sport. En dan vind ik bij de winterspelen, die nu zijn, de gratie en beheersing in het kunstschaatsen het mooist. Vandaag (vannacht) was de korte kür van de vrouwen, met vooral twee jonge Russinnen die een fantastische prestatie lieten zien. Prachtig!

Alina Zagitova (bron: wikimedia)

Axel

Zie ik dan wel wat de presentator ziet? Bijvoorbeeld waar het gaat om de sprongen, want dat gaat zo snel. Oké, de axel herken ik. De schaatser komt achterwaarts aan, maar draait zich om voor de afzet. De axel is de enige sprong die voorwaarts wordt ingezet. En vervolgens draaien de schaatsers twee of drie keer om hun as. Of eigenlijk een half rondje meer omdat ook bij deze sprong, zoals bij elke sprong, de landing achterwaarts op één been is.

Verder heb je priksprongen. De schaats prikt in het ijs voor de afzet. Dat gebeurt bij de toeloop, de flip en de lutz. Goed opletten welke schaats prikt en hoe de schaatser op de binnen- of buitenkant van de schaats de sprong inzet, want daar zit het verschil. Sprongen zonder prik zijn de salchow en de loop (of rittberger) en ook de axel. In de choreografie nemen de schaatsers vaak een combinatie van sprongen op. En ze doen bijvoorbeeld hun armen omhoog waardoor ze bonuspunten krijgen.

Bij het ijsdansen heb je geen sprongen. Het gaat er vooral om artisticiteit, het samen dansen. Tessa Virtue en Scott Moir uit Canada werden er eerste voor Gabrielle Papadakis en Guillaume Cizeron uit Frankrijk.

Bij de paren heb je dan nog de geworpen sprongen en de lifts. Zo knap. Net ballet. Paarrijden werd een paar dagen geleden in Korea goud voor de Oekraïense Aliona Savchenko en de Franse Bruno Massot, die samen voor Duitsland rijden. Ze deden hun korte kür op een lied van de Nederlandse jazzzangeres Caro Emerald. Savchenko is relatief oud, 34, en deze spelen zijn al haar 5de. Vijf!, en Massot is haar derde partner. Nu heeft ze dan eindelijk goud.

Kiss & Cry

De kunstschaatswedstrijden, die al sinds eind 19e eeuw georganiseerd worden, aanvankelijk alleen voor mannen, zien er altijd hetzelfde uit. Er zijn vier onderdelen: mannen solo, vrouwen solo, paren en ijsdansen. Steeds doen ze een korte kür en een lange kür, waarvoor een choreografie wordt gemaakt. Soms doen ze iets met synchroon schaatsen en bij de Olympische Spelen heb je nog een landenwedstrijd. Gewonnen door Canada dit keer, net voor de Russische atleten.

Het mooist van een kampioenschap is misschien het afsluitende gala waar de eerste drie van elk onderdeel nog een keer optreden. Zonder de wedstrijdspanning, maar met alle kunstzinnigheid en creativiteit die ze bezitten. En toch ook nog wel spanning, want hier kun je je aan de wereld laten zien.

De schaatsers maken sprongen, pirouetten en passenseries. Bij het ijsdansen met bijvoorbeeld elementen van de rumba, de tango of andere dansen. De jury (van negen leden waarvan er zeven worden geloot en dan de hoogste en de laagste score niet meetellen) kijkt naar technische beheersing en presentatie. Hoe moeilijker de elementen, hoe meer punten je kunt scoren. Een drievoudige sprong levert dus meer op dan een dubbele.

Ze maken nog dezelfde sprongen als in de jaren dertig. Af en toe verandert er iets, een tweevoudige sprong wordt een drievoudige en er komt een nieuw element. Zo werd de Biellmannpirouette (waarbij de schaatser draait terwijl ze haar schaats boven haar hoofd vasthoudt) een vast onderdeel nadat de Zwitserse Denise Biellmann deze in de jaren zeventig populair maakte. Ook de puntentelling werd aangepast, want tot 2004 kon je maximaal een 6 scoren en werd er alleen afgetrokken. Nu heb je basiswaarden, bonuspunten en aftrek bij fouten, een val bijvoorbeeld.

Sinds mensenheugenis – mijn heugenis in elk geval – zie je daarna de schaatsers met hun coach in gespannen afwachting van die punten in de zogenaamde Kiss & Cry zone. Wordt het huilen of juichen? Een keertje juichen voor Spanje, en dat is wel bijzonder. Javier Fernández won brons achter twee Japanners. Spanje deed dus mee, maar de laatste Nederlandse deelnemer bij de Olympische Spelen in het kunstschaatsen was Dianne de Leeuw die in 1976 zilver won. Er is talent, zegt oud-kunstschaatser Joan Haanappel, maar het Nederlandse kunstschaatsen zit in het verdomhoekje.

Sportgeschiedenis

Nu dan nog de vrouwen in Korea. Het lijkt erop dat het tussen de twee Russinnen gaat: Alina Zagitova (15) en Evgenia Medvedeva (18). Zagitova, uit Izhevsk, schaatst sinds haar vijfde. En Medvedeva was nog jonger toen ze de kunstschaatsen aantrok. Het leek haar moeder, ook kunstschaatser, en haar vader een Armeense zakenman (gescheiden overigens) goed voor haar postuur. Nog 22 anderen schaatsen de lange kür, en ‘meedoen is belangrijker dan winnen’, maar wie goud wint, schrijft geschiedenis. Sportgeschiedenis.