Leestijd: 9 minuten
Als je over de mondiale voedselproductie praat, gaat het niet alleen over kilo’s en cijfers, over import en export, over zuivel, tomaten, vlees of cacao. Ik had me voor een artikel verdiept in dit onderwerp, maar ik kon lang niet alles kwijt in dat artikel. De wereldwijde voedselproductie is een complex geheel, de rol van Nederland is niet alleen maar een succesverhaal en de roep om zaken anders aan te pakken, wordt luider.
Een gesprek over het mondiale voedsel moet ook gaan over honger, de veranderende voedselvraag en de ongelijke verdeling van voedsel. Zo zijn er nu naar schatting 3 miljard mensen die geen toegang tot goed voedsel hebben en tegelijkertijd 2 miljard mensen met voedselgerelateerde ziekten zoals obesitas. Ik denk ook aan Gaza, waar mensen uitgehongerd worden. Of de klimaatverandering, verlies aan biodiversiteit, degradatie van bodems en waterschaarste; allemaal zaken die voedselproductie kunnen bedreigen.
Het gaat bijvoorbeeld over een toekomst waarbij arbeidsmigranten in de oogst kunnen worden vervangen door robots en de warmte in kassen van geothermie komt. Of ontwikkelingen die al gaande zijn, zoals dat er kritischer wordt gekeken naar afzet op verre landen en er voorkeur groeit voor kortere ketens. Of dat supermarkten zich sinds corona meer richten op bezorgservice.
Het gaat verder over geopolitieke ontwikkelingen zoals de oorlog in Oekraïne. En wat dat betekent voor de voedselhandel. Komt er met Trump een handelsconflict met China en wat betekent dat voor de EU? Het gaat daar allemaal over, maar ik kijk hier vooral ook naar de Nederlandse bijdrage aan de wereldhandel.
Wereldhandel
Nederland importeert veel en exporteert nog meer. In 2022 was volgens CBS de exportwaarde aan landbouwgoederen 122,3 miljard euro (inclusief sierteelt, landbouwtechniek en kunstmest) en import, 88,2 miljard euro. Daarmee is Nederland een van de grootste exporteurs van voedingsproducten. Dat roept de sector trots, maar misschien kun je beter stellen dat we een van de grootste doorvoerlanden ter wereld zijn, bijvoorbeeld dankzij de haven van Rotterdam. Veel van onze dagelijkse voeding komt van ver.
De binnenlandse situatie, met een intensieve landbouw op een beperkt oppervlak, is gegroeid nadat de Nederlandse voedingsproductie na de Tweede Wereldoorlog veranderde. Met specialisatie, schaalvergroting en subsidies wilde de overheid (Mansholt) voor voedselgarantie zorgen. Mansholt kreeg later spijt van het beleid waarvan hij de bedenker was, want het leidde ook tot bio-industrie, mestoverschotten, stikstofuitstoot en concurrentievervalsing.
Nu produceren boeren en tuinders niet alleen voor de nationale consumptie, maar ook voor de wereldmarkt. Volgens emeritus hoogleraar landbouwsociologie Jan Douwe van der Ploeg wordt wereldwijd het grootste deel van het voedsel nog wel geconsumeerd in het land waar het geproduceerd wordt. Maar als er inderdaad 15 procent van de totale wereldvoedselproductie wel een nationale grens passeert, is dat nog steeds enorm veel.
In grote lijnen kun je stellen dat basisvoedsel zoals tarwe, rijst, aardappelen of gierst vooral regionaal wordt geproduceerd. Basisvoedsel betreft de dominante voedingsmiddelen in een cultuur. Je kunt dat voor ons land ook breder zien en denken aan typisch Nederlandse groenten en fruit (koolsoorten, bietjes, prei, ui en appels). Aardappelen produceren we ruim voldoende, maar in Nederland moeten we bijvoorbeeld toch tarwe importeren omdat het grootste deel van de Nederlandse tarweproductie een te laag eiwitgehalte heeft en als veevoer wordt gebruikt.
Import gaat hier dan met name over gewassen zoals veevoer (mais en soja), tropische vruchten en producten zoals koffie, thee, cacao en suiker. Voor een groot deel daarvan is geen lokale vervanging mogelijk. De productie is daar waar dit het beste kan; waar het land het meeste opbrengt tegen de laagste kosten.
De wereldhandel in voedsel geeft ons dus beschikking over veel voedingsproducten die hier niet worden geproduceerd of kunnen worden geproduceerd. Landen kunnen zich specialiseren op teelten die er het meest geschikt zijn vanwege bijvoorbeeld klimaat en bodem. In theorie zorgt wereldhandel ervoor dat ook in landen waar voedselproductie lastig is, er vers en betaalbaar voedsel beschikbaar is.
Scheef
Veel dingen zitten echter scheef in de voedselproductie, en dan bedoel ik niet dat dieren in de veehouderij meestal een kort en zeker geen fijn leven hebben. Geen fijn onderdeel van de voedingsindustrie. Denk ook aan de uitgebuite loonarbeiders in de oogst, arbeidsmigranten die het zware werk verrichten, de grote uitstoot aan broeikasgassen (CO2 en methaan) of landen waar soms door misoogsten, ziekten of klimaatverandering kleine boeren met honderden tot opgave worden gedwongen. Grote multinationals winnen blijkbaar altijd.
Die wereldmarkt ‘leidt tot extremen’, aldus Van der Ploeg. Prijzen zijn soms zo laag dat ze niet opwegen tegen de productiekosten. En soms zijn bepaalde voedselproducten in ontwikkelingslanden te duur voor de lokale consumenten. Dan zie je dat arme productiegebieden worden verbonden met rijke consumptiecentra, schrijft hij. “Zo stromen asperges uit Peru, boontjes uit Kenia, kippenbouten uit Thailand, rundvlees uit Argentinië, varkensvlees uit Brazilië, kerstkonijnen uit China, bestanddelen voor melk uit de Oekraïne en bloemen uit Colombia naar de Europese markten. Er worden steeds grotere afstanden in tijd en ruimte overbrugd.”
Scheef? Kijk dan vooral toch ook naar de vleesindustrie in ons land. Behalve de varkens telt Nederland bijna 100 miljoen kippen, 3,8 miljoen runderen en 1,6 miljoen melkkoeien (in 2022). Jaarlijks worden er in Nederland zo’n 450 miljoen dieren geslacht. Nederland wordt wel de slager van Europa genoemd. Er zijn vooral in het zuiden van het land tientallen slachterijen. De situatie met het oog op voedselveiligheid en dierwelzijn was daar niet best, constateerde de Nederlandse Voedsel- en WarenAutoriteit een paar jaar geleden. Daar proberen ze nu wel iets aan te doen, maar wat mij betreft zou de vleesproductie in Nederland echt radicaal mogen krimpen.
Ons land produceert van verschillende producten dus veel meer dan we zelf gebruiken (zoals tomaten, zuivel of ja, kalfsvlees) en van andere producten weinig of niets. We leggen voor de productie in ons land ook beslag op veel grond buiten onze grens, bijvoorbeeld voor hout en veevoer.
En zoals ik al schreef zijn we een doorvoerland. Een deel van het voedsel dat binnenkomt wordt dan hier bewerkt of verwerkt. Verschil zit erin dat bewerking gaat over omzetten van grondstoffen naar eetbaar voedsel en verwerking gaat bijvoorbeeld over toevoegen van conserveringsmiddelen of het pasteuriseren van melk. Zoals productie plaatsvindt waar dat het beste kan, geldt dat ook voor de verwerking. Het gebeurt bij voorkeur waar bedrijven de beste kansen en mogelijkheden hebben, bijvoorbeeld vanwege aanwezige kennis, locatie of het vestigingsklimaat voor bedrijven.
De voedingsindustrie in ons land verwerkt geïmporteerde grondstoffen en voedselproducten en exporteert bijvoorbeeld chocolade, bier of kaas. Met andere woorden: in Nederland gevestigde voedingsbedrijven voegen waarde toe. Levensmiddelen gaan vervolgens naar meer dan 170 landen in de wereld.
We exporteren en importeren het meest naar onze buurlanden. Duitsland, België, Frankrijk en ook het Verenigd Koninkrijk, ondanks de Brexit op 31 januari 2020. En verder is er veel import vanuit Italië (bijvoorbeeld kaas, pasta, vlees, olijfolie en wijn) en Spanje (groenten, fruit en ook olijfolie en wijn). Export naar Italië bijvoorbeeld betreft zuivelproducten, groenten, fruit en ook weer vlees.
Sommige producten reizen verder. Ze komen of gaan per boot, trein, vrachtwagen of vliegtuig naar landen buiten de EU, zoals de VS of China. Er gaan niet alleen voedselproducten, maar bijvoorbeeld ook veel bloemen en planten naar de VS. Die bloemenproductie is vanwege een overmaat aan pesticiden om ziekten en plagen buiten de deur te houden een van de meest vervuilende takken van de Nederlandse landbouw.
Handelsakkoorden
Die handel, zeker buiten de EU, gebeurt niet zomaar zoals je iets koopt op de markt; er is nationaal en internationaal regulering. Er zijn wetten, regelgeving en internationale overeenkomsten. Zo gaat de European Food Safety Authority (EFSA) in de Europese Unie over voedselveiligheid. Met normen voor de te importeren voedselproducten. In Nederland hebben we de Voedsel- en Warenautoriteit en is er bijvoorbeeld de Wet oneerlijke handelspraktijken (OHP) in de landbouw- en voedselvoorzieningsketen. Die wet, die op 1 november 2021 in werking is getreden, beoogt de onderhandelingspositie van boeren, tuinders en vissers tegenover grote marktpartijen te versterken.
Er zijn afspraken gemaakt over certificering, inspectie, etikettering en tracering. Wat dat laatste betreft, is er op dit moment (2024) veel ontwikkeling. Zo wordt in de Europese Unie de invoer van producten die bijdragen aan ontbossing verboden.
Binnen de Europese Unie is het makkelijker om handel te drijven omdat de EU een interne markt heeft gecreëerd, zonder tariefbelemmeringen. Er is binnen de EU ook een gemeenschappelijke voedselwetgeving, die bijvoorbeeld over voedselveiligheid en traceerbaarheid gaat.
Om handel met andere landen te vergemakkelijken worden geregeld handelsakkoorden afgesloten, vaak gecoördineerd door de Wereldhandelsorganisatie (WTO). Daarin staan afspraken voor de handel in voedsel. Zo is er CETA (EU met Canada) en het handels- en samenwerkingsakkoord tussen de EU en het Verenigd Koninkrijk. Landen in Amerika kennen Mercosur, binnen WTO, en in Azië bestaat de ASEAN-overeenkomst, buiten WTO. Of ook USMCA, tussen VS, Mexico en Canada.
Dergelijke handelsakkoorden bepalen dan de voorwaarden voor handel in voedselproducten tussen landen. Het gaat over tarieven en allerlei maatregelen om ziektes buiten te houden. Dat zijn zogenaamde sanitaire en fytosanitaire maatregelen (SPS), maatregelen die bijvoorbeeld gaan over voedselveiligheidsnormen, inspectieprocedures, quarantainemaatregelen en veterinaire certificering.
Keerzijde
Het is al gesteld, maar de wereldhandel die zorgt dat je hier in de supermarkten voedselproducten uit de hele wereld kunt kopen, wijn uit Argentinië of kiwi’s uit Nieuw-Zeeland, heeft een keerzijde.
Vroeger waren er de slaafgemaakten die op plantages in de koloniën werkten. Nu kun je bijvoorbeeld denken aan de ecologische gevolgen vanwege het transport (in schepen, vrachtwagens of vliegtuigen), bederf onderweg, de afhankelijkheid van waardenschommelingen door oorlog, corona, Brexit of een handelsconflict. Onze veevoervraag leidt tot ontbossing in Brazilië. En lang niet alle landen profiteren in gelijke mate van de wereldwijde handel. Ze zijn soms heel kwetsbaar voor prijsschommelingen op de wereldmarkt. Het is ook niet goed voor initiatieven om duurzamer te produceren. Boeren met bulkproducten zijn immers overgeleverd aan de internationale markt en kunnen zich lokaal vaak nauwelijks onderscheiden.
Er kunnen dus veel dingen veel beter. Een van de punten die gezien de wereldwijde handel nog beter kan in de voedingsindustrie, naast verminderen voedselverspilling, meer plantaardige voeding en duurzamere productiemethoden met minder chemische bestrijding en kunstmest, is de transparantie en traceerbaarheid. En kennis daarover. Opdat consumenten betrouwbare informatie hebben over herkomst, productiemethoden en kwaliteit. Dat dwingt ook tot betere productiemethoden.
Een ander punt is dat bepaalde kosten (energie, grondstoffen, milieubelasting) beter doorberekend kunnen worden in de kostprijs. En dat consumenten beter voorgelicht kunnen worden over ‘het voedingscircus’ (term van Meino Smit). Met de lengte van mondiale ketens groeit de kloof tussen producenten en consumenten.
Van der Ploeg pleit voor meer boerenlandbouw. Dat is landbouw die gebaseerd is op eigen hulpmiddelen zoals grond, arbeid, dieren, voer, water, kennis en lokale afzetmarkten. Dus niet afhankelijk van verafgelegen grond en markten. Je ziet volgens hem hier en daar al een terugkomst van deze vorm van landbouw.
Als consument kun je veel doen. Kies voor producten die lokaal zijn geteeld. Koop seizoensproducten. Let op duurzaamheidskeurmerken. Koop alleen wat je nodig hebt en verminder voedselverspilling. Eet minder dierlijke producten. Steun de kleinschalige landbouw, regeneratieve landbouw of wat Van der Ploeg boerenlandbouw noemt, landbouwmethoden die meer oog heb voor een verantwoorde productiewijze. Verminder verpakkingsafval en zorg voor minder water- en energieverbruik in de keuken. Steun initiatieven voor eerlijke handel, dus waarbij boeren een beter inkomen wordt gegarandeerd. En ten slotte: lees en informeer jezelf zodat je bewuste keuzes kunt maken in voedsel.
Bronnen: Barbara Baarsma (Nederland voedselparadijs, 2022), Meino Smit (Naar een duurzame landbouw in 2040, 2022), Louise Fresco (Ons voedsel, 2023 en Hamburgers in het paradijs, 2013) en Robert Bridgeman (Stoppen met vlees, 2018). Het Wageningen Economic Research Rapport 2023. Interview met Jan Douwe van der Ploeg in De Gelderlander (21 december 2023), artikel in de Groene Amsterdammer van Mitchell van de Klundert en Frank Mulder (2017), publicatie van Planbureau voor de Leefomgeving over de landvoetafdruk.
Nog iets over multinationals
Multinationale bedrijven (Cargill, Bunge, Dreyfus en ADM, Archer Daniels Midland) bepalen eigenlijk wat er in de voedingsindustrie gebeurt. Deze vier handelshuizen beheersen vaak meerdere stappen in de toeleveringsketen, van landbouw en productie tot distributie en detailhandel. Daardoor kunnen ze kosten verlagen en hun greep op de markt versterken. In een voedselsysteem dat op efficiency is gebouwd, komen zij als vanzelf bovendrijven.
Hun gezamenlijke jaaromzet loopt volgens Mitchell van de Klundert en Frank Mulder (artikel in de Groene Amsterdammer) in 2017 tot wel 250 miljard euro, meer dan sommige landen. Volgens de beide onderzoekers zitten ze nu voor een groot deel in de VS, maar staat de wieg van die voedselreuzen in Nederland, in de 19e eeuw. Toen begonnen ze met overslaginstallaties voor graan langs de spoorlijnen. Vroeger waren er meer handelshuizen, maar nu zijn het met name deze vier. En verder bijvoorbeeld in Azië traders die zich steeds meer manifesteren.
De in 1602 in Nederland opgerichte VOC, die bedoeld was om de specerijhandel op te pakken, zou je als de eerste multinational kunnen zien.
De huidige mulltinationals leveren bijvoorbeeld zaden, kunstmest, landbouwkundig advies, verzekeringen tegen misoogsten en ze zijn vaak ook de afnemers en de verwerkers van de gewassen. Zij hebben een groot netwerk over de hele wereld, concurreren vooral met elkaar, hebben veel kennis over prijzen, verwachtingen en behoeften wereldwijd en bepalen zo voor een groot deel de wereldhandel in voedselproducten.
Cacao bijvoorbeeld. Wil Nestlé of Verkade cacaoboter, dan nemen ze contact op met Cargill of een concurrent. Vervolgens gaat er bericht naar leveranciers in West-Afrika. Bijvoorbeeld exporteurs of coöperaties. Voordat het naar de chocolademakers gaat, verwerkt Cargill de cacaoboter in haar fabrieken.
Zoiets gebeurt ook met veevoer. De multinationals leveren geen maiskolven aan de vleesindustrie, maar verkoopt deze gemalen, als veevoer. Ze controleren ook het grootste deel van de Braziliaanse sojaproductie. Maar hun activiteiten spelen zich in groeiende mate op de financiële markten af. Vanuit de zorg om met schommelende voedselprijzen risico’s te verkleinen en op het juiste moment een deal te sluiten. Speculatie op die financiële markt kan voedselprijzen opdrijven, zoals bijvoorbeeld ook in 2007 gebeurde. Vooral ontwikkelingslanden merkten dat.
Kortom, de boeren met hun vee en voedselproductie, of de coöperaties waarin boeren deelnemen, vormen de eerste stap. Hun producten gaan via transport en handelaren naar de grote handelshuizen en in de volgende stap komt dit bij groothandels, bij de fabrikanten van de voedingsmiddelen (die grondstoffen omzetten in ontbijtgranen of zuivelproducten) en de supermarkten.
En ten slotte bij de consument. De consument die rechtstreeks bij de boer koopt, is een uitzondering. De handelshuizen bepalen met hun in- en verkoop op grote schaal de sojaproductie en de beschikbaarheid van goedkoop veevoer in Nederland. Zij zitten zo eigenlijk achter de bio-industrie en het goedkope bulkvlees in de supermarkt. Maar ze blijven erg onder de radar. Weinig consumenten weten van hun bestaan, laat staan wat ze doen.
De machtsconcentratie is risicovol. Voor deze handelshuizen is het aldus Mulder en Van de Klundert gunstig als we zo veel mogelijk met voedsel over de wereld slepen. En als boeren massaal overstappen op een geïndustrialiseerde vorm van landbouw. Maar is dat goed voor de ongelijke verdeling van voedsel op de wereld, milieu en klimaat?