Alle berichten van Ton

Meedansen met Lara

Lara die afgewend in de doucheruimte staat, met tranen in haar ogen naar de ballerina’s op het podium kijkt, een blik werpt in de kamer waar de andere meiden slapen, nerveus met haar handen beweegt. De flirt waarbij ze angstvallig haar lichaam afdekt, de manier waarop ze dat lichaam wil wegstoppen. De verlegenheid, ongeloof, het ongeduld, de boosheid, inspanning, verdriet en trots. En de zekerheid over wat ze wil: vrouw zijn als iedere andere vrouw, meisje met de andere meisjes, dansen zoals een ballerina en dat iedereen haar ziet zoals ze zich toont. Als vrouw. Dat is haar grote wens.

Ik vond het een prachtige film. Intussen had ik al zoveel over ‘Girl’ gelezen en gehoord toen die hier eindelijk te zien was, dat het me lastig leek om onbevangen te kijken. Maar ik werd toch meegesleept, danste als het ware mee.

Goed, de genderstereotypering over mannelijkheid en vrouwelijkheid, met alle druk die dat op mannen en vrouwen geeft, en de binaire blik op mannen en vrouwen, dat blijft ook na deze film wel een strijdpunt. Je kunt je verder afvragen of het idee dat je ‘geboren wordt in het verkeerde lichaam’ wel voldoende geproblematiseerd wordt. Niet door Lara zelf in elk geval.

Maar ik herken me niet in de kritiek dat dit verhaal een verkeerd beeld geeft van die heel diverse groep van transgenders – kan dat wel? De film geeft een mooi beeld van één transgender persoon. Er zijn niet al de verschillende tinten in gendergevoelens en lichaamsbeleving, en ik zie in het verhaal niet hét verhaal, maar een verhaal. Dat is in grote lijnen het verhaal van Nora Monsecour die in 2009 op de Koninklijke Balletschool Antwerpen de overstap wilde maken van de jongens- naar de meisjesklas.

Er wordt werkelijk fantastisch geacteerd, door Victor Polster. Met de camera dicht op deze hoofdpersoon. Lara zegt misschien niet zoveel met woorden, maar alles met haar gezicht, gebaren en emoties. Dan vraag je je geregeld af wat er in haar hoofd gebeurt.

Spitzen

Haar inspanning en wil om vrouw te zijn loopt gelijk op met haar inspanning en wil om ballerina te zijn. Op spitzen te staan. Dan moet je weten dat ik ook op ballet zit en twee keer per week aan de barre sta. Samen met vier, vijf mededanseressen. Wel anders dan Lara, want ik dans niet in balletpakje, maar in een zwarte maillot en een strak T-shirt. Toch identificeer ik me daardoor waarschijnlijk meer nog met haar dan de gemiddelde bioscoopbezoeker. Ik voel me gelukkig aan de barre, voor de spiegel, en ik denk haar dubbele verlangen – vrouw en ballerina te willen zijn – te begrijpen. Ik ben dan niet binair, maar non-binair.

Misschien is het wel die danssetting die het voor me doet, ik weet het niet. Dan kun je er haast niet omheen dat je in de film naar het lichaam kijkt, want ballet is heel fysiek. Maar het spreekt me zeer aan.

De pliés, pas de bourrees en relevés doe ik ook wekelijks, en dat valt lang niet altijd mee. Hard werken. Ik moet steeds opnieuw bedenken hoe ik mijn armen in een mooie port de bras houd, mijn benen voldoende uitdraai in de vijfde positie, een goede balans vind – denk aan je centrum! – of een pas de chat aanleer. Tombé, pas de bourree, glissade, piqué. En rond de jambe, sisonne en dan een pirouette op de voorvoet. Focus houden.

Wanneer ben je vrouw

‘De haarextensions die hij droeg, heeft hij de hele draaiperiode ingehouden’, zegt regisseur Lukas Dhont over acteur Victor Polster. ‘Hij is écht een meisje voor ons geworden.’ Dat vind ik innemend. ‘Een film op verliefd op te worden’, schrijft Hugo Emmerzael in De Filmkrant. Ik kan daar alleen maar mee instemmen.

Ik zie dan het beeld in de film voor me dat Lara wordt gevraagd of ze een jongen of een meisje wil zijn. Je ziet haar denken: wat een stomme vraag! Je ziet haar dat echt denken. De manier waarop ze reageert is super. Maar dat is ze nog niet, vindt ze zelf. Ook al probeert een dokter haar daarvan te overtuigen: ‘ik zie een vrouw’. Het komt niet aan bij Lara. Voor haarzelf is ze dat nog niet zolang haar lichaam niet is aangepast.

Daar ligt een gevoelig en essentieel punt, wanneer ben je vrouw? Het zou goed zijn als een cisgenderfilmkijker bedenkt: ja, ik zie ook een vrouw. Ondanks de ontkenning van Lara. Overbodige vraag.

Zo stelt de film eigenlijk impliciet die vraag: wanneer ben je vrouw? Zit dat in je lichaam, in je geest (dualisme van Descartes) of in de onverbrekelijke combinatie van beide? Voor Lara, die wil dansen, is het vooral het lichaam. Kijk je niet verder dan haar point of view, dan denk je: nee! Ik hoop dat de kijker na deze empathische film zelf een genuanceerder antwoord kan bedenken. En ik denk eigenlijk dat de regisseur dit heel goed doet.

Zelfverzekerd

Het is een emotioneel moment en er breekt iets als haar klasgenootjes haar uitdagen om haar geslachtsdeel te laten zien. Dat is vreselijk! En deze scene is misschien juist zo goed omdat je dat zelf ook ervaart en voelt. Of misschien moet ik voor mezelf spreken: ik voelde de verschrikking van dat moment.

Mooi is de liefde, steun en zorg van de vader. En ook voor de dokters die doen wat ze kunnen – ‘Lara, denk nu niet teveel aan je lichaam’ – heb ik begrip. Een advies dat vanzelf niet aankomt. Een film met transgender als thema moet een gok zijn voor een regisseur, met een kritische community en een strijdbaar transactivisme. Dhont had in de film ook kunnen kiezen voor de buitenkant: de ontbrekende acceptatie van de omgeving. Maar hij richt zich door dat conflict (bijna) te vermijden juist op de binnenkant.

Dan wil je weten, omdat je je betrokken voelt, hoe het verder gaat met haar. Er is dan ook een soort van loutering als Lara, aan het einde van de film, een paar jaar later, zelfverzekerd op straat loopt. Mooi einde! Echt mooi!

Met Hannigan in de hemel

Intens, intensief en, zo lijkt het, intuïtief. Blote voeten, handen voor haar mond, zuchtend, roepend, zingend. Zo staat Barbara Hannigan in het grote auditorium van het Calouste Gulbenkian. In Lissabon. Ze brengt een modern-klassieke compositie van avant-gardist en saxofonist John Zorn.

Het stuk heet Jumalattaret. Proef dat woord, Jumalattaret! Zet de klemtoon vooraan. Jú. Júmalattaret. Fins, schijnt het. Godinnen, betekent het. Zorn liet zich inspireren door de Kalevala, een verzameling eeuwenoude verhalen die in 1835 zijn opgetekend. Ik associeer het met het koude noorden. Hoog, zoals de stem van Hannigan. IJl, zoals de begeleiding van de piano. Complex, zoals de compositie. Intrigerend, zoals de hele voordracht. En onbereikbaar ver, want weg zodra de klanken zijn weggestorven.

John Zorn zit in de zaal, Barbara Hannigan staat op het podium en Stephen Gosling zit achter de piano. Achthonderd mensen zijn muisstil. Ze zijn gegrepen. Gepakt. Opgeslokt. Ze zijn in het moment, in een prachtig moment. Het is een schitterend geluk. Achthonderd mensen voelen zich opgetild, als mijn gevoel te extrapoleren valt. Dan zijn ze net zo gebiologeerd, geborgen, gezegend, gelukkig. Verzaligd als dat een woord is. Verzield. Gehannigand. Gezornd. In aanbidding van de godinnen.

Stel je voor, je bent in Lissabon, en hoort dat je gratis naar een concert kunt. Een première van een sopraan die je bewondert. Oké, je moet Lissabon met een dag verlengen, je moet een kaartje bemachtigen en je bent weer buiten voor je binnen bent, want het concert duurt nog geen half uur. Je staat langer in de rij voor een kaartje dan dat je straks in de zaal zit.

Maar wat zou het? Voor de fameuze Belém-gebakjes, drie happen, is de wachttijd twee uur. Voor een blik in Lello’s, de beroemde boekenwinkel van Porto, maximaal een kwartier, sta je drie uur in de rij. Wil je naar het openbare openluchtoptreden van het Nationaal Ballet van Portugal, zorg dan dat je lang tevoren een stoel vindt. En blijf zitten.

Júmalattaret. Julia, Judith, Juliette, dat zouden godinnennamen kunnen zijn. Het stuk is als een boek vol emotie. Verdriet ligt in Hannigans zucht en vreugde in haar zang. Vrees en verlangen vechten met elkaar. Adoratie en aanbidding. Ze voelt met haar voeten, met haar hele lichaam en ze brengt dat gevoel naar de zaal. Godinnelijk! Ik voel me gelukkig. Zolang het concert duurt en nog lang daarna, voel ik me gelukkig.

Buen camino

“Mijn broer had de tocht naar Santiago willen lopen”, zegt Nuria. “Maar het lukte hem niet meer.” Ze kijkt me strak aan. Er drijft even een donkere wolk over ons kennismakingsgesprek. “Ik loop voor hem”, zegt ze zacht.

Ze pakt de arm van Luis, haar vriend en knijpt erin. Hij kust haar en verdrijft de wolk. “Wat een prachtige etappe vandaag, niet?”

We zijn vandaag naar Pontevedra gelopen. En met tientallen lopers in de gemeentelijke herberg aangekomen. Dertig kilometers, die we vooral in de ochtend hebben gelopen. Want om de warmte voor te zijn, vertrekt iedereen zo vroeg mogelijk. Het eerste uur in het donker is makkelijker dan het laatste uur onder een onbarmhartige zon. De koperen ploert. Ik begrijp nu waar die uitdrukking vandaan komt.

Tussen Pontevedra en Santiago de Compostela liggen nog ongeveer zeventig kilometer. Zeventig kilometer waarop ik over mijn drijfveren kan nadenken. Waarom loop ik? Overleden of zieke familie? Nee, niet echt. Loop ik uit religieuze motieven naar Santiago? Nee, absoluut niet. Langs de weg naar Santiago staan honderden kruisen en prachtige kerkjes en kathedralen. Mooi, maar ze zeggen me niet meer dan dat er religieuze motieven bestonden. En ongetwijfeld nog bestaan. Wil ik dan misschien mezelf vinden, de wereld beter begrijpen of wil ik iets oplossen? Nee, mooi meegenomen, maar dat is niet wat ik tevoren bedacht heb.

“Het mooie van de weg is de weg zelf”, vertelde ik gisteren een wandelgenoot uit Duitsland. En terwijl ik het zei, ging ik het ook geloven. We zijn eerder door een industriepark gelopen en hebben een paar keer de drukke provinciale route gekruist. “Het gaat niet om het einddoel, maar om de beleving. De ochtenden, de mensen vanuit de hele wereld die je tegenkomt, het eenvoudige ritme van opstaan, lopen, eten, rusten en slapen, de ervaring van de kilometers die je achter je laat.”

Honderdzeventig kilometer heb ik nu achter me gelaten. Ik heb mensen ontmoet uit Australië, Martinique, Italië, Zuid-Korea, België, Peru en vanzelfsprekend uit Portugal en Spanje. Zij lopen immers ongeveer door hun achtertuin. Meestal gaat een gesprek niet dieper dan de zon, de blaren, de weg, de bedwantsen of de herberg.

Hoewel het me deze dagen moeilijk valt me op het boek te concentreren, haal ik misschien wel meer diepte uit het verhaal over de familie Cazalet. Elizabeth Jane Howard beschrijft daarin de relaties, de passies en de misstappen van de verschillende familieleden in de naoorlogse jaren. Prachtig! Meeslepend, normaal gesproken, maar tijdens deze intensieve wandeldagen is er voor de Cazalets vaak nauwelijks ruimte in mijn hoofd.

In de vroege ochtend, de dag erna, vul ik de waterfles onder de kraan en neem ik een paar koekjes. Ik sleur mijn rugzak, tien kilo op mijn rug, en doe hem meteen weer af. Zit alles – paspoort, stempelkaart, tandenborstel, telefoon, camera, zonnebrand – er wel in? “Ik geloof dat ik een beetje last krijg van dwangneuroses”, zeg ik tegen mijn bedgenoot – ik op het onderbed, zij erboven. Stapelbedgenoot, dus zo spannend is het niet. Take care, zegt ze en ze flipflopt naar de doucheruimte.

Buiten hangt een lichte nevel. Ik zie Luis en Nuria daarin oplossen. Hij voor haar, zij voor haar overleden broer. Buen camino, fluister ik. Niemand die het hoort.

Meer camino-foto’s staan hier.

In het middelpunt van Europa

“Zit je nu Duits te leren”, vraag ik aan het meisje naast mij. Ze leest aantekeningen met werkwoordsvervoegingen. Ja, soms zijn mijn vragen geniaal (;-)). We zitten in de trein van Praag naar Olomouc en ik worstel me, toevallig, door een Duitstalige biografie over Lou Salomé. Een boek dat meer gaat over haar relaties met mannen – filosoof Friedrich Nietzsche, publicist Paul Rée en de in Moravië geboren Sigmund Freud – dan over de in Rusland geboren psychoanaliste zelf. Het meisje studeert in Olomouc en heeft morgen examen, vertelt ze. Ja, Duits is moeilijk, en ze moet nog een paar jaar. Maar ik denk dat ze deze biografie vlotter zou lezen dan ik.

Olomouc is een stad in Moravië, ruim 200 kilometer oostelijk van Praag. Het heeft de sfeer van een provincieplaats, zeker in vergelijking met Praag. Het Deventer van Tsjechië zeg maar, of Wageningen.

Heel wat anders dan Praag in elk geval. Dat moet je vergelijken met Amsterdam, Parijs, Rome, Barcelona. Heel veel toeristen in het centrum van de stad die bij elkaar lijken te kruipen rond de highlights. In Praag is dat de Karelsbrug over de Vltava-rivier, het grote stadsplein in de oude stad, de Praagse Burcht (een complex van kastelen, kerken en musea), de Joodse begraafplaats en het museum over Mucha.

Ik ben over de Karelsbrug gelopen, slingerend tussen de drommen fotograferende toeristen. Ja, en ik ben ook naar dat museum gegaan. Alfons Mucha is net als Franz Kafka een Tsjechisch symbool. Wat Vincent van Gogh is voor Nederland. Mucha ging naar Parijs en maakte er vanaf 1894 veel posters voor het theater van de beroemde actrice Sarah Bernhardt. Prachtige vrouwen in mooie poses. Art nouveau. Ik vind het mooi, de posters, maar het museum is klein, druk en teveel op toeristen gericht die er in een halfuurtje doorheen snellen.

Mooie stad hoor, Praag. Architectuur, sfeer, een rivier, uitgaansleven en veel musea. En bovendien ligt Praag in het middelpunt van Europa en heeft het een compact centrum en goedkoop bier. Dat trekt een hoop mensen. Massatoerisme.

In de Praagse Burcht, met uitzicht op de stad, wil een groep Spaanse mannen een foto maken. Een van hen gaat binnenkort trouwen en viert nog even zijn vrijgezellenstatus. Met liters bier, schat ik. Ik schiet een paar foto’s op de smartphone van een van hen. Een kwartiertje later ontdek ik een rustig straatje dat me van de hogergelegen burcht terugvoert naar de stad. Bijna alle toeristen drommen de trappen af in plaats van het straatje. Voor me uit lopen slechts een paar nonnen.

Zware pijen

Praag ligt middenin Bohemen. Volgens de legende voelde prinses Libuse dat hier een stad zou komen. Ze trouwde met een boerenjongen en stichtte de dynastie van de Premysliden, zo’n familie van koningen die jarenlang over het land heerst. Tot ongeveer 1300. Karel IV, naamgever van ongeveer de beroemdste brug ter wereld, wordt in 1347 koning van Bohemen en later ook nog benoemd tot keizer van het Heilige Roomse Rijk. Het was een bijzondere eer, geloof ik, als de Paus je kroonde als keizer van dat grote politieke verband van staatjes in een gebied dat liep van Nederland tot Midden-Italië.

Karel trouwde met de 13-jarige Blanche van Valois, de zus van Filips VI die koning van Frankrijk zou worden. Een kindhuwelijk zou je denken, maar Karel zelf was ook net 13. Kinderenhuwelijk. Kinderen van 13 hadden toen een andere status. Klein uitgevallen volwassenen, als je ook de schilderijen uit de middeleeuwen ziet.

Karel IV liet Bohemen bloeien en maakte van Praag een belangrijke hoofdstad. Ik stel me dat voor als een stad met handel, een stad die groeide, waar kerken werden gebouwd en pleinen. En waar machtige mensen rondliepen in mooie kostuums in prachtige paleizen.

Ook in Bohemen kwam er net als een goede honderd kilometer noordwestelijker, waar Luther in Leipzig kritiek uitte, verzet tegen het machtsmisbruik van de katholieke kerk. Hier was dat Jan Hus met zijn Hussieten. Hus stierf in 1415 op de brandstapel, maar de twisten bleven. En veel mensen werden later protestant.

De contrareformatie, vanaf ongeveer 1620, was zo heftig dat de protestanten op de vlucht sloegen. In Tsjechië is nu het katholicisme het grootst (ongeveer een kwart van de bevolking), maar veruit de meeste Tsjechen rekenen zich niet tot een religieuze groep. Er staan mooie, grote kerken. In Olomouc zijn verschillende kloosters en ik zie ook veel monniken in zware pijen lopen. Maar een oud klooster waar ik heenloop, net buiten de stad, is kortgeleden omgevormd tot een ziekenhuis.

Charta 77

Het verhaal over de politiek is zoals zo vaak het masculiene verhaal van moord oorlog. De ontmanteling van het Oostenrijks-Hongaarse rijk na de Eerste Wereldoorlog, de republiek Tsjechoslowakije, de inval van de Duitsers in Sudetenland in 1938 en een half jaar later in heel Tsjechië.

Dan is er de moord op nazi-leider Reinhard Heydrich in Praag, de moord waarover de Franse schrijver Laurent Binet dat bijzondere boek Hhhh over schreef. Verder de onderdrukking in de stalinistische staat en de Praagse lente in 1968. Ik lees erover op een terrasje met een halve liter bier voor me, en zie soms standbeelden, herdenkingstekens of straatnamen die aan de grote gebeurtenissen herinneren.

Charta 77 ken ik vaag, maar hoe zat het ook weer? Toen de Russen de Praagse lente ruw braken en de oppositie muilkorfden, waren de dissidenten even stil, maar niet weg. Gesteund door de Helsinki-akkoorden over de mensenrechten ondertekenden een paar duizend kunstenaars en intellectuelen een manifest dat die Helsinki-waarden onderstreepte. Dat was Charta 77. Die ondertekenaars werden vaak vervolgd of verbannen, maar één ervan, Vaclav Havel, sprak het volk toe na de fluwelen revolutie in 1989. Hij werd staatshoofd.

Meer aan de zijlijn van de grote geschiedenis is er de defenestratie, aanpak van politieke tegenstanders die bijna traditie leek te worden. Ze werden het raam uitgegooid. Of het verhaal van een rabbijn uit de 16e eeuw, bevriend met de astronoom Tycho Brahe, die een beeld van klei, de golem, tot leven zou hebben gewekt. Praag was sowieso een centrum van magie en alchemie. Of Karel Capek die in het begin van de 20e eeuw het woord ‘robot’ voor het eerst gebruikte. Wat zou die opkijken als hij 80 jaar na zijn dood weer even tot leven zou komen en onze gedigitaliseerde wereld zou zien.

En dan het verhaal van de Roma en de marginalisatie en discriminatie van deze mensen. Is er een lijn te trekken naar het vluchtelingenbeleid van het land? Tsjechië heeft net als Hongarije, Slowakije en Polen de grenzen gesloten voor vluchtelingen, doof voor de EU-oproep om deel te nemen aan de opvang van mensen die vluchten voor oorlog en onderdrukking.

Janácek

Terug in Nederland lees ik Milan Kundera, ook een dissident, en een migrant. Hij vluchtte naar Parijs en schreef veel van zijn mooiste boeken in het Frans. Het boek Verraden testamenten gaat over kunst en literatuur, Musil bijvoorbeeld. En vooral over Janácek die hij als de grootste Tsjechische componist beschouwt. Groter dan Dvorak, Smetana en Martinu. Het probleem van Janácek was dat hij in Brno woonde, honderd kilometer onder Olomouc en ook een provinciestadje, zeker vergeleken met Praag. Janácek schreef vernieuwende opera’s en fantastische pianomuziek, maar ze werden niet gehoord. Of niet begrepen.

Ik bezoek het huis in Brno waar hij leefde, nu een museum. Na een treinreis vanuit Olomouc die wat langer duurt dan normaal omdat er aan het spoor wordt gewerkt. Als ik bij het museum kom, is het nog dicht. Een halfuurtje later ben ik de eerste bezoeker van de dag, net voordat er een groep van zeker twintig Japanse toeristen komt. Voordat die oosterse invasie plaatsvindt, wijst de suppoost me de weg. “Als je dit allemaal gezien hebt, kan ik een dvd starten over Janácek”, zegt ze. Ik zie de mooie documentaire, een Duitse productie van ruim een uur, helemaal uit, terwijl de Japanners na tien minuten vertrekken.

Het is een van de hoogtepunten van mijn korte Tsjechiëreis. Net als de uitvoering van het Nationaal Tsjechisch Ballet op mijn laatste avond in Praag. Choreografieën van de dansers zelf, soms uitermate klassiek en op spitzen en soms heel modern en bijna urban. Ze hebben muziek gebruikt van barok tot Bowie. Ik vind het prachtig.

Een selectie van mijn foto’s staat hier.

Nog twee minuten

leestijd: anderhalve minuut

Met hoeveel passen we achterin een truck? Tellen lukt me niet, maar het ziet zwart om me heen. Toen we ingeladen werden – er is geen ander woord voor – zag ik de paniek in de ogen van mijn metgezellen. Nu is het donker, niet omdat het nacht is, maar omdat er geen lichtinval is. Af en toe hoor ik een kreet van pijn als we door een bocht gaan en lichamen tegen de wand van de truck worden gedrukt. Met moeite blijven we overeind.

Mijn leven? Ik ben al vroeg van mijn moeder gescheiden. Kort na de geboorte. Dat zou beter zijn voor de productie. Mijn zusjes zijn wel gebleven, en worden straks misschien op hun beurt moeder. Zij zorgen voor melk en kaas, maar die rol past me niet, ik ben weggevoerd. Mijn moeder zag me vertrekken en kon niets doen. Het deed veel pijn, ik zag het bij haar. En ik heb weken rondgelopen met een knoop in mijn maag. Ik heb geen idee wat er van haar of mijn kalverzusjes gekomen is. Familie telt niet in dit leven.

Ik kwam na een lange reis in een saai hok, vies en krap. En dit is mijn laatste reis, weet ik. Ik hoorde de man en de vrouw praten. “Die en die”, wezen ze. Ze keken ook naar mij. “Die zijn er klaar voor.” Een naam kreeg ik niet van hen, ik was er te kort. Een nummer ben ik. Massa. Opbrengst.

Was dat het nou? Het leven is eten en gegeten worden. Niet meer dan dat blijkbaar. Ze zeggen dat in je laatste minuten je hele leven aan je voorbijschiet. Ik heb daar niet veel tijd voor nodig. Ik kwam nauwelijks buiten. De eerste weken nadat ik van mijn moeder gescheiden was, leefde ik alleen en daarna leefden we in een klein groepje jonge kalfjes. Dat heeft een klein half jaar geduurd en nu staan we hier. Hoe lang nog?

We worden de truck uitgedreven. De paniek is nu echt voelbaar. Ze, de mensen die over ons lot beslissen, proberen stress te vermijden. Dat heb ik begrepen, want dat is beter voor de kwaliteit. Maar echt, je voelt het als je tussen dit hekwerk staat en je kunt maar één kant op, alleen maar voorwaarts. Het is alsof je opnieuw de moederschoot uitgeperst wordt, zo verlaten we de vrachtwagen.

Maar waar toen de weg naar leven leidde, voert die nu naar de dood. Binnen twee minuten ben ik dood. En vanavond ben ik kalfsvlees in het schap of lig ik misschien al op je bord.

 

#MeToo is opmaat

Nu is met #MeToo ook de populaire dirigent James Levine gevallen. Toch is er geen sprake van hysterie en heksenjacht, wat mensen ook zeggen. Ik denk eerder aan bevrijding. Aanpak van een systeem van uitoefening van macht en gedwongen zwijgen. En van vastgeroeste ideeën over vrouwelijkheid en mannelijkheid. Dit is een begin.

Rebecca Solnit citeert bell hooks in haar essaybundel ‘De moeder aller vragen’. De Amerikaanse feministe, die haar auteursnaam met kleine letters schrijft, zei: “De eerste daad van geweld die het patriarchaat eist van de man is niet geweld tegen vrouwen. Nee, het patriarchaat eist van alle mannen dat ze daden van psychische zelfverminking plegen, dat ze de emotionele kant van zichzelf om zeep helpen.”

“Mannelijkheid is één grote verloochening”, schrijft Solnit vervolgens. Emoties, expressiviteit, ontvankelijkheid, al die mogelijkheden worden afgezworen om er maar bij te horen. Vrouwen zijn al langer bezig in het gevecht met stereotyperingen, maar mannen lopen eeuwen achter. #MeToo zou voor hen de start kunnen betekenen van eenzelfde strijd. Het gevecht tegen de stereotypering. Het verhaal van zo moeten mannen zijn. Macho en masculien, en boys will be boys.

#MeToo begon met de roep van slachtoffers van seksueel misbruik die zich niet langer stoorden aan een ongeschreven zwijgplicht. Over dat zwijgen schreef Solnit een lang essay. Mannen voelen ook de druk om te zwijgen, zegt ze. Zonder commentaar zich onderwerpen aan de ‘mannennorm’ zoals die bijvoorbeeld geldt in de studentenvereniging, bij de sportclub of op de werkvloer. Al die plekken waar alledaags seksisme gemakkelijk wordt weggewoven.

De volgende stap in #MeToo zou kunnen zijn te denken over mannelijkheid. Simone de Beauvoir schreef: Je wordt niet als vrouw geboren, je wordt tot vrouw gemaakt. Dat geldt ongetwijfeld net zo voor mannen: je wordt tot man gemaakt. ‘Man’ is niet iets onbeweeglijks en eeuwigs. Vast en vastgeroest. Het kan best anders.

Als we dan toch bezig zijn, kunnen we misschien nadenken over de dwingende indeling man-vrouw en over het hele concept gender. Dat je je er bewust van wordt dat je als je probeert te beantwoorden aan maatschappelijke verwachtingen je ook altijd een rol speelt. Het verzet tegen stereotypering (bijvoorbeeld dat mannen sterk, stoer en dominant zijn) mag dan nog veel verder gaan.

Nog even terug naar de oorsprong van #MeToo. Je zou het kunnen zien als de volgende stap in de opstand die begon toen het misbruik in de katholieke kerk aan de kaak werd gesteld. Tegen pedofiele priesters die jarenlang de hand boven het hoofd werd gehouden. Zo bleek er ook seksueel grensoverschrijdend gedrag in het leger, het onderwijs, de sportwereld. Steeds was er macht in het spel en zwegen de getraumatiseerde slachtoffers. En wat je nu hoort, is ongetwijfeld niet meer dan het topje van een ijsberg van macht en zwijgen.

Het duurde toch nog even (tot oktober 2017) voordat #MeToo in alle hevigheid losbarstte. Dat bracht de institutionele genderongelijkheid en het seksueel machtsmisbruik in de filmwereld aan het licht, schrijft Dana Linssen in De Filmkrant (maart 2018). Eerder was er bijvoorbeeld al Emma Sulkowicz, een Amerikaanse kunststudente, als aanklacht tegen haar verkrachter een matras over de campus van Columbia University sleepte. En president Grab-them-by-the-pussy, aan wie we misschien wel de heropleving van het feminisme te danken hebben. Plus #MeToo, toch zeker voor een deel.

Af en toe zijn er geluiden van een backlash. #MeToo zou te ver gaan en leiden tot verkramping en preutsheid. Bijvoorbeeld omdat kunst met blote borsten niet meer kan. Niet terecht, want het gaat bij #MeToo helemaal niet om puritanisme, om blote borsten of dat je nu als man niet meer mag flirten. Het gaat er in #MeToo om dat je veronderstelt dat je kunt nemen wat je wilt, dat wederzijdse toestemming niet nodig is en dat je anderen het zwijgen kunt opleggen. Het gaat erom dat in onze maatschappij vrouwen minder ruimte krijgen en het gaat er vervolgens om, mijn veronderstelling, dat mannen aan machoverwachtingen moeten voldoen. Het gaat vooral om een herstel van evenwicht.

Met #MeToo is een begin gemaakt. Hoe verder? Mannelijkheid en de verwachtingen daarover ter discussie stellen is één stap. Misbruik van machtsverhoudingen bespreken. En misschien is er een intersectioneel #MeToo mogelijk. Dat je niet alleen naar machtsverhouding in genderrollen kijkt, maar ook naar die waar het klasse, kleur of seksuele geaardheid betreffen.

Maak me wakker voor kunstschaatsen

Een sportkijker ben ik niet. Wel geweest hoor: schaatsen, tennis, voetbal, wielrennen, atletiek. Maar nooit echt fanatiek. Mooi voor degene die wint dat die wint, maar verdriet of vreugde deel ik meestal niet echt. Hooguit bewondering. Ik kijk nauwelijks naar sport en sla de krantenpagina’s over. Waarom? Onvoldoende betrokkenheid misschien. Goed, sportverslaggevers proberen daar wel iets aan te doen. Het sportverhaal met alle ups en downs, inzet en medeleven, de dromen en decepties, zweetdruppels en tranen, dat verhaal wordt gretig verteld.

De Olympische Spelen zijn een uitzondering. Dat toernooi heeft echt iets speciaals. Zo voelt het voor mij. Vanwege de geschiedenis misschien, vanwege de oude idealen en de pure sport. En dan vind ik bij de winterspelen, die nu zijn, de gratie en beheersing in het kunstschaatsen het mooist. Vandaag (vannacht) was de korte kür van de vrouwen, met vooral twee jonge Russinnen die een fantastische prestatie lieten zien. Prachtig!

Alina Zagitova (bron: wikimedia)

Axel

Zie ik dan wel wat de presentator ziet? Bijvoorbeeld waar het gaat om de sprongen, want dat gaat zo snel. Oké, de axel herken ik. De schaatser komt achterwaarts aan, maar draait zich om voor de afzet. De axel is de enige sprong die voorwaarts wordt ingezet. En vervolgens draaien de schaatsers twee of drie keer om hun as. Of eigenlijk een half rondje meer omdat ook bij deze sprong, zoals bij elke sprong, de landing achterwaarts op één been is.

Verder heb je priksprongen. De schaats prikt in het ijs voor de afzet. Dat gebeurt bij de toeloop, de flip en de lutz. Goed opletten welke schaats prikt en hoe de schaatser op de binnen- of buitenkant van de schaats de sprong inzet, want daar zit het verschil. Sprongen zonder prik zijn de salchow en de loop (of rittberger) en ook de axel. In de choreografie nemen de schaatsers vaak een combinatie van sprongen op. En ze doen bijvoorbeeld hun armen omhoog waardoor ze bonuspunten krijgen.

Bij het ijsdansen heb je geen sprongen. Het gaat er vooral om artisticiteit, het samen dansen. Tessa Virtue en Scott Moir uit Canada werden er eerste voor Gabrielle Papadakis en Guillaume Cizeron uit Frankrijk.

Bij de paren heb je dan nog de geworpen sprongen en de lifts. Zo knap. Net ballet. Paarrijden werd een paar dagen geleden in Korea goud voor de Oekraïense Aliona Savchenko en de Franse Bruno Massot, die samen voor Duitsland rijden. Ze deden hun korte kür op een lied van de Nederlandse jazzzangeres Caro Emerald. Savchenko is relatief oud, 34, en deze spelen zijn al haar 5de. Vijf!, en Massot is haar derde partner. Nu heeft ze dan eindelijk goud.

Kiss & Cry

De kunstschaatswedstrijden, die al sinds eind 19e eeuw georganiseerd worden, aanvankelijk alleen voor mannen, zien er altijd hetzelfde uit. Er zijn vier onderdelen: mannen solo, vrouwen solo, paren en ijsdansen. Steeds doen ze een korte kür en een lange kür, waarvoor een choreografie wordt gemaakt. Soms doen ze iets met synchroon schaatsen en bij de Olympische Spelen heb je nog een landenwedstrijd. Gewonnen door Canada dit keer, net voor de Russische atleten.

Het mooist van een kampioenschap is misschien het afsluitende gala waar de eerste drie van elk onderdeel nog een keer optreden. Zonder de wedstrijdspanning, maar met alle kunstzinnigheid en creativiteit die ze bezitten. En toch ook nog wel spanning, want hier kun je je aan de wereld laten zien.

De schaatsers maken sprongen, pirouetten en passenseries. Bij het ijsdansen met bijvoorbeeld elementen van de rumba, de tango of andere dansen. De jury (van negen leden waarvan er zeven worden geloot en dan de hoogste en de laagste score niet meetellen) kijkt naar technische beheersing en presentatie. Hoe moeilijker de elementen, hoe meer punten je kunt scoren. Een drievoudige sprong levert dus meer op dan een dubbele.

Ze maken nog dezelfde sprongen als in de jaren dertig. Af en toe verandert er iets, een tweevoudige sprong wordt een drievoudige en er komt een nieuw element. Zo werd de Biellmannpirouette (waarbij de schaatser draait terwijl ze haar schaats boven haar hoofd vasthoudt) een vast onderdeel nadat de Zwitserse Denise Biellmann deze in de jaren zeventig populair maakte. Ook de puntentelling werd aangepast, want tot 2004 kon je maximaal een 6 scoren en werd er alleen afgetrokken. Nu heb je basiswaarden, bonuspunten en aftrek bij fouten, een val bijvoorbeeld.

Sinds mensenheugenis – mijn heugenis in elk geval – zie je daarna de schaatsers met hun coach in gespannen afwachting van die punten in de zogenaamde Kiss & Cry zone. Wordt het huilen of juichen? Een keertje juichen voor Spanje, en dat is wel bijzonder. Javier Fernández won brons achter twee Japanners. Spanje deed dus mee, maar de laatste Nederlandse deelnemer bij de Olympische Spelen in het kunstschaatsen was Dianne de Leeuw die in 1976 zilver won. Er is talent, zegt oud-kunstschaatser Joan Haanappel, maar het Nederlandse kunstschaatsen zit in het verdomhoekje.

Sportgeschiedenis

Nu dan nog de vrouwen in Korea. Het lijkt erop dat het tussen de twee Russinnen gaat: Alina Zagitova (15) en Evgenia Medvedeva (18). Zagitova, uit Izhevsk, schaatst sinds haar vijfde. En Medvedeva was nog jonger toen ze de kunstschaatsen aantrok. Het leek haar moeder, ook kunstschaatser, en haar vader een Armeense zakenman (gescheiden overigens) goed voor haar postuur. Nog 22 anderen schaatsen de lange kür, en ‘meedoen is belangrijker dan winnen’, maar wie goud wint, schrijft geschiedenis. Sportgeschiedenis.

Laat je meevoeren in TRÆNS

Twee mensen, een vrouw en een man. Ze lijken erg op elkaar. Beiden dragen alleen een zwarte slip en zwarte hakken, 12 centimeter hoog. Hun haar zit identiek en hun lichaamsbeharing is nul. Dat is wat de toeschouwer van TRÆNS ziet. Kijk je naar een dansvoorstelling of een performance?

Dans of performance, dat zijn allemaal hokjes, vindt Igor Vrebac, die zichzelf ook niet als choreograaf benoemt of als regisseur, maar vooral als maker. Maker bij De Nieuwe Oost, een productiehuis in Arnhem voor theatermakers, choreografen, schrijvers en muzikanten die ‘groot durven dromen’. Een onbegrensd productiehuis waar hokjes er niet toe doen.

“Ik noem het fysiek theater”, zegt Vrebac. “Vergeet dat maar, want het is ook een hokje.” Je ziet een voorstelling waarbij de twee spelers een uur lang als derwisjen om elkaar heen draaien, steeds contact zoekend met het publiek. Het publiek is daarmee eigenlijk medespeler, medeplichtig haast. Niet iedereen waardeert dat blijkbaar, want halverwege lopen twee mensen de zaal uit. “Ik ben daar alleen maar blij om”, reageert Vrebac later. “Heerlijk! Dat is dus blijkbaar niet mijn publiek.”

Poster: Igor Vrebac en Menno van der Meulen

TRÆNS, de titel van het stuk, verwijst niet alleen naar genderoverschrijding, maar ook naar ‘trance’. In trance, de toestand waarbij je bijvoorbeeld door meditatie of bewegingsherhaling op een ander bewustzijnsniveau komt. Laat je meevoeren, meezuigen, aanraken. Dat is dan de opdracht. De cirkelpatronen van de twee spelers, inderdaad geïnspireerd op de derwisjdans, en de repetitieve muziek van componist Tonny Nobel helpen daarbij. Het vergt uithoudingsvermogen, een uur lang op die hoge hakken. In ieder geval voor de spelers. Voor de toeschouwers lijkt tijd tijdens de voorstelling een andere dimensie te krijgen.

“Overgave”, typeert een bezoeker het achteraf. En, “wanhoop”, voelde ze. Of “een verwijzing naar de levenscyclus.” Vrebac had dit niet speciaal voor ogen. Hij wilde vooral ‘zo min mogelijk’, want, zegt hij: “Hoe minder je overhoudt, hoe meer je communiceert.” Hij omschrijft het als een hypnotiserend en sexy ritueel, waarin, aldus het persbericht, het feminiene en masculiene wordt blootgelegd en het aardse ontstegen.

Mooie woorden, maar een thematisering van gender is TRÆNS zeker. Vrebac, die eerder de voorstelling ‘Macho Macho’ maakte over mannelijkheidscliché’s, zegt tijdens een nagesprek ook wel iets over wat hij bij het publiek wil oproepen: vragen en bevreemding. Want, “zoals bij de mannelijke speler de hakken bevreemdend werken, is dat van de vrouwelijke speler het topless-zijn.”

Julius Thissen, maker van videoperformances, vindt het mooi hoe Vrebac dan een soort van tussenlichamen neerzet. Hij thematiseert in zijn video’s zelf ook gender en stereotypen en voorafgaand aan de voorstelling is een videoperformance van Thissen te zien. “Ik ben wel blij dat TRÆNS zich niet zo expliciet uitspreekt over gender”, zegt hij. “Zo’n voorstelling heeft dan niet alleen betekenis voor transpersonen. Iedereen heeft in het leven toch te maken met verwachtingspatronen van man- en vrouwzijn.”

TRÆNS is in 2018 nog zeker acht keer te zien, soms in een verkorte versie. Voor meer informatie en speellijst, zie hier.

Deze bespreking is aangeboden aan Dans Magazine.

Rotzooi in ons hoofd

Google, Apple, Facebook, Amazon. Ze groeien maar door en slokken andere op. Wat willen ze? Hun algoritmen denken voor ons, ze veranderen ons concept van kennis en de journalistiek ingrijpend, en ook onze ideeën over privacy of auteursrecht. Ze hebben invloed op onze relaties en contacten. Sociale media zorgen misschien wel voor meer contacten, maar niet voor diepere of betere. En wat gebeurt er eigenlijk met al de informatie die we delen? En onze dierbare foto’s?

Ik vertrouw het niet. En Franklin Foer – de journalist die ‘Ontzielde wereld. De existentiële dreiging van Big Tech’ schreef – voedt mijn wantrouwen. We kruipen steeds meer in onze veilige bubbel, zegt hij. Daar waar we liefst alleen de meningen toelaten die de onze bevestigen. Anders ontvolgen we of blocken we wel. Sociale media verbinden niet, ze polariseren eerder, denkt hij. Vanwege de filterbubbel. Er ontstaat een nieuwe verzuiling en mensen verschansen zich in hun (politieke) positie. Van een beschaafd debat is vaak nauwelijks sprake meer. Kijk naar de presidentsverkiezingen in de VS, het isolationisme in Catalonië of de zwartepietendiscussie in Nederland.

Google en Facebook verkopen het mooi. Alles is vrij en gratis, stellen ze. We verbinden de wereld en we maken het leven zoveel gemakkelijker voor je. Sluit je aan. Wij zijn ook best vlotte types, beetje rebels soms, en we hebben het beste met jou en de wereld voor. Maatschappelijk verantwoord. Eerder enigszins anarchistisch en links. (Misschien heeft Zuckerberg weldoordacht verkozen zich bij zijn potentiële tegenstanders aan te sluiten, oppert Foer, bij de Democraten in plaats van bij de Republikeinen.) Maar het gaat hen uiteindelijk vooral ook om advertenties, hun belangrijkste bron van inkomsten. En macht, invloed, monopolie. Dan kun je ongestoord verder bouwen aan je imperium.

Alomtegenwoordigheid is het fundament voor hun advertentie-inkomsten, want vooral daardoor zijn ze zo aantrekkelijk. Hoe beter ze in staat zijn om te schiften, verschillende doelgroepen te onderscheiden, hoe meer die aantrekkelijkheid stijgt. Facebook en Google attenderen specifieke groepen op bepaalde advertenties. Dat betekent wel dat ze mensen in kaart moeten brengen. Wie ben je, waar woon je, wat doe je, wat vind je leuk? Hoe meer je deelt met hen, hoe beter. Hoe beter hun processen werken.

Oppervlakkige internetjunkies

Oké, ik heb ook informatie gedeeld op Twitter en LinkedIn. Ik heb accounts aangemaakt op Facebook en Pinterest en me aangemeld bij YouTube en Tumblr. Ik gebruik Google Maps om me te oriënteren, in de cloud van Drive staan bestanden en ik heb zelfs een gmail-adres. Geen recht van spreken. Of juist daarom misschien wel.

Facebook en Google veranderen ons in oppervlakkige internetjunkies, denkt Foer. Ik geloof dat het voor een groot deel klopt. We worden mensen die ook hun nepnieuws serieus nemen, moeite hebben in elk geval om het onderscheid te maken. We kijken bovendien de godganse dag of onze Facebookberichtjes wel voldoende geliked worden. De voortdurende zucht naar erkenning, bevestiging. Hoe meer, hoe beter. Hoe meer je immers stijgt in sociaal aanzien.

We laten ons voortdurend afleiden. Ongestoord een boek lezen valt niet mee, en nog minder als het een e-book is. Ben je een tijdje offline, dan vraag je je af wat je gemist hebt. We wonen in onze telefoon, we hebben soms slotjes nodig om ons internetgebruik in te perken, voortdurend worden we geprikkeld, verleid, gestreeld, gestoord. ‘We zijn allemaal al een beetje cyborg geworden’, schrijft Foer. We zitten vast aan onze machientjes.

Grayson Perry

Je kent het verhaal. Bijvoorbeeld omdat je Eggers’ De Cirkel hebt gelezen, of je het nu goed vond of niet. Foer waarschuwt dat het tijd wordt om na te denken over de gevolgen van de allesoverheersende datareuzen (want het zijn onze data) en in verzet te komen. Terug naar een tijd van bespiegeling, zelf denken, nieuwe verlichting uit deze duistere tijd waarin je misschien wel overeenkomsten met de middeleeuwen ziet.

Ik denk aan het doek van de Britse kunstenaar Grayson Perry die Steve Jobs (Apple) en Bill Gates (Microsoft) als een soort heiligen aan de muur had gehangen. Zuckerberg (Facebook), Page (Google) en Bezos (Amazon) zijn nog een paar van die iconen. Ze drijven op big data, enorme aantallen gegevens. Dat geheel aan data – lees Yuval Noah Harari – is dan God. Het is de nieuwe religie.

Foer heeft wel bewondering voor de technologie. Zeker: de zoekmachine van Google of de algoritmes die de basis vormen van de artificiële intelligentie. Maar zegt hij: ‘Facebook en Google hebben (uiteindelijk) een wereld geschapen waarin de oude grenzen tussen feiten en leugens zijn vervaagd, waarin foutieve informatie zich viraal verspreidt.’ In die wereld is het misschien niet zo gek dat een man als Trump president van de Verenigde Staten kon worden. Het leek mij onvoorstelbaar, maar het is gebeurd.

We zijn al cyborg geworden, want (Foer) ‘onze telefoon is een uitbreiding van ons geheugen, we hebben fundamentele mentale functies uitbesteed aan algoritmen’. Efficiënt misschien, maar daar worden we waarschijnlijk eerder dommer van dan slimmer. En Google denkt na over een verdere vervlechting, chips in ons hoofd. ‘We hebben onze geheimen laten opslaan op servers en laten exploiteren door computers’, vervolgt Foer. ‘Wat we nooit mogen vergeten, is dat we niet alleen versmelten met machines, maar ook met de bedrijven die deze machines beheren.’

Foer heeft hoop. Zo zegt hij in de Volkskrant: “De weerstand groeit tegen bedrijven die rotzooi in je mond stoppen. Laten we ons ook verzetten tegen techbedrijven die rotzooi in ons hoofd stoppen.”

Sekse doet er niet toe

Welke columnist of blogger heeft er nog niet over geschreven? Wees dan snel, want over een week of wat kun je echt niet meer aankomen met een stuk over genderneutraal. Nu al bijna niet meer. Het is niet meer trending.

Troost, want als je toch iets over genderneutraliteit wilt schrijven, kun je dat toch alvast doen. Behalve wc’s, taalgebruik en kinderkleding is ook op andere terreinen nog veel meer genderneutraliteit mogelijk. Denk aan speelgoed, religie, uitgaansleven, politiek en arbeidsmarkt. Overal waar het onderscheid man-vrouw wordt gemaakt terwijl dat niet hoeft. Sekseregistratie die geen ander doel dient dan de aanhef bepalen: beste meneer of mevrouw. Over een maand of wat zoek en vervang je NS en Hema door Tweede Kamer, bedrijfsleven of universiteit. Overal waar mensen een meer genderneutrale houding kunnen aannemen. Overal waar ze erachter komen dat sekse er vaak gewoon echt niet toe doet.

Helaas lijken vele redacteuren, columnisten, bloggers niet zo goed te weten waar ze eigenlijk over schrijven. ‘Is de Hema nu helemaal gek geworden?’ Nog meer mensen begrijpen er dan helemaal niets meer van. Dankzij die warrige columns, uit een soort van gendermoeheid of omdat ze liever boos blijven. ‘Pfff, genderneutraal. Dat zijn vast de feministen, die transgenders, de linkse kerk. Pakken ze ons dat ook nog af? Niks is meer heilig. Hij kan roepen wat ie wil, maar ik ga mijn zoon echt geen roze jurk aantrekken.’

Wat is dat dan, genderneutraal? Waarom zou je eigenlijk meer genderneutraliteit willen? Hoe doen we dat?

  1. Meisjes houden toch gewoon van roze?

Prachtig dat je dochter bijvoorbeeld liever een roze strik heeft, maar zeker in kleding en kleur kun je zien hoe zeer het gaat om dingen die losstaan van jongen of meisje. Eeuwenlang was het normaal dat zowel jongens als meisjes tijdens hun kleutertijd een jurkje droegen. Roze was vóór de oorlog juist een jongenskleur en blauw een meisjeskleur. Lodewijk XIV liep op hoge hakken en droeg een pruik, zoals zoveel machtige heren in die tijd. Kortom, sociale constructie. Lees mijn blog over genderverschil. Dat is vooral iets wat we zelf verzonnen hebben.

  1. Je bent toch meisje of jongen, man of vrouw?

Nee, dat is niet altijd zo. Oké, de meerderheid in de wereld is meisje of jongen en vindt dat prima, maar er zijn heel veel mensen voor wie dat niet zo duidelijk is. Omdat ze anders zijn (intersekse conditie) of zich anders voelen (transgender). Sekse is iets anders dan gender. Je hebt inderdaad transvrouwen en transmannen die als het ware thuiskomen in het andere geslacht, maar ook zoveel mensen voor wie dat vager is. Daar kun je hokjes opplakken – queer, agender, wat dan ook – maar hokjes sluiten mensen op en dat voelt niet goed, zeker als je het zelf niet goed weet. Dit betekent niet dat jij dan genderneutraal bent in plaats van man of vrouw. Je kunt ook als vrouw, man, transvrouw of transman zoveel mogelijk kiezen voor genderneutraal. Genderneutraliteit is daar waar sekse er niet toe doet. Bijvoorbeeld op toiletten, in taalgebruik, in kinderkleding en misschien binnenkort ook nog meer in banen, salaris, opleidingen, kerk en geloof, media-aandacht.

  1. Leg het me dan eens uit: wat is gender?

Gender gaat niet over de biologie, maar over identiteit en de culturele verschillen tussen mannen en vrouwen. ‘Gender zijn de dominante ideeën die in een bepaalde cultuur gekoppeld worden aan sekse.’ Dat is de omschrijving van Linda Duits, sociaalwetenschapper. Ze specificeert. ‘Vrouwen eten chocola, kijken series met vriendinnen en drinken sterrenmuntthee. Mannen kijken voetbal met bier, praten niet over hun gevoelens en houden van vlees.’ Als jij je dus als vrouw identificeert, dan heeft dat meer met gender te maken dan met sekse. Misschien wissel je je bier wel in voor sterrenmuntthee en ben je vrouwelijker dan de meeste vrouwen. Dat bevestigt immers het beeld dat je van jezelf hebt, hoe jij je diep van binnen voelt en wat je dan ook heel graag wilt uitdragen. Gendernormen – het idee over hoe mannen en vrouwen zich moeten gedragen – zijn in onze samenleving behoorlijk dwingend. Mannen met nagellak? Ondenkbaar. Iedereen die aan die gendernormen morrelt, is een held. Tijn bijvoorbeeld, met zijn prachtige nagellakactie.

  1. Hoe word ik dan genderneutraal: piemel eraf, borsten weg?

Nee, wat een onzin. Nogmaals genderneutraal is een houding. Je kunt niet genderneutraal worden, maar je kunt de wereld wel genderneutraler maken. Door geen sekseverschillen te stellen waar die er niet toe doen, door te accepteren dat er mensen zijn die zich niet zo duidelijk man of vrouw voelen en daar ruimte voor te bieden. Door genderdiversiteit te omarmen. Dan kan de wereld veelkleuriger worden. In een genderneutrale wereld trekt je zoon zonder schaamte een jurkje aan als hij dat graag wil, je dochter klimt in een boom en er is niemand die roept: dat is niks voor meisjes. De wereld kan genderneutraler worden als we bijvoorbeeld niet al beginnen te genderen voordat een kind geboren is. Met sweetie of stoere bink op je T-shirt. Gooi de vooroordelen en verwachtingspatronen overboord. De dokter kan ook een vrouw zijn, secretaresse of koffieschenker een man.

  1. Voor wie doen we dat dan, voor dat kleine groepje interseksepersonen en transen die het niet weten?

Allereerst is die groep best groot, misschien wel een op de twintig (COC). Bovendien is er in een wereld waarin er minder onderscheid in gender wordt gemaakt, al snel meer gendergelijkheid. Alle mannen en vrouwen hebben daar plezier van. Natuurlijk, voor transpersonen wordt het leven als ze eenvoudiger hun genderrol kunnen veranderen, ook vóór een transitie veel fijner. Voor mensen die willen afwijken van die streng gegenderde indeling – man en vrouw, mannelijk en vrouwelijk – is er meer ruimte. Sowieso, er mag gewoon meer. Er is meer vrijheid in een genderneutrale wereld, meer acceptatie van gedrag, kleding, speelgoed dat in een andere wereld meteen wordt bestempeld als te meisjesachtig voor jou of te stoer voor jou. Een meer genderneutrale opvoeding zou dan ook zomaar kunnen leiden tot een meer gendergelijke maatschappij.

  1. Maar waarom dan dat verzet, die boosheid?

De indeling man-vrouw zit diep. Vraag je naar iemands identiteit, dan is dat vaak het eerste waar we aan denken. Mannen voelen vaak de voortdurende druk te bewijzen dat ze mannelijk genoeg zijn en vrouwen dat ze vrouwelijk zijn. Het veroorzaakt onzekerheid, misschien wel angst omdat je aan jezelf gaat twijfelen, woede omdat de samenleving je die diepgewortelde zekerheid af lijkt te pakken. Je kunt wel zeggen: die angst en die woede zijn niet nodig, maar zo eenvoudig is het blijkbaar niet. Er is vast ook een groep van mensen die tevreden zijn in een wereld met duidelijk omschreven genderrollen: de man aan de leiding, de vrouw in de keuken. Denk bijvoorbeeld aan een politieke partij als de SGP.

  1. Kun je voorbeelden noemen van genderneutraliteit?

Vaders en moeders zijn dan ouders. Dames en heren worden mensen. Hello everyone. Het lijkt een futiliteit, maar als man ga je niet naar een damestoilet. Nooit. Sommige dappere vrouwen durven bij een rij van een kilometer langs de urinoirs te lopen. Maar genderneutrale toiletten zijn toegankelijk voor iedereen. Ben je in transitie en kun je dat zien, dan hoef je je niet meer zo opgelaten te voelen. Je hebt verder genderneutrale aanspreekvormen: hen in plaats van hij of zij. Oké, dat blijft wennen, vraag hoe mensen het liefst aangesproken worden en dan gewoon doen. Genderneutraal wordt  kinderkleding of kinderspeelgoed als je het niet labelt als meisjeskleding en jongensspeelgoed. ‘Een genderneutrale opvoeding betekent niet dat je mannelijkheid of vrouwelijkheid helemaal uitsluit, maar dat je zorgt dat een kind van beide werelden iets meekrijgt.’ Voordeel is dat je kinderen niet allerlei eigenschappen waarvan je denkt dat ze bij hun sekse horen, oplegt. Je laat ze vrij. En dan al die inschrijfformulieren waarin je moet invullen of je man of vrouw bent. Hoe moeilijk kan het zijn daar een derde optie toe te voegen: doet er niet toe? Een meer genderneutraal beleid zou inhouden dat overal waar sekse er niet toe doet, sekse bijvoorbeeld niet wordt geregistreerd en er sowieso geen verschil wordt gemaakt naar mannen en vrouwen. Kanttekening, want bijvoorbeeld in de ziektezorg is een genderneutrale aanpak juist niet wenselijk.

  1. Genderneutraliteit, hoeveel kost dat?

Genderneutraliteit is misschien wel een besparing. Kinderkleding kun je doorgeven van je uitgegroeide zoon naar je dochtertje. Scheermesjes voor vrouwen, shampoo voor mannen (dank Toeps), waarom dat onderscheid. ‘Toen ik een kleine Toeps was, hadden wij als gezin één fles shampoo. Hij rook niet stoer of vrouwelijk, maar gewoon fris.’ 

  1. Is het geen vreselijke term: genderneutraliteit? Daarmee jaag je mensen toch de deur uit.

Daarmee jaagt de Hema misschien een paar mensen de deur uit. Misschien hadden ze het anders kunnen formuleren, zoals Hanneke Felten in Trouw oppert. ‘Beste mensen, we stoppen met de labeltjes ‘jongen’ of ‘meisje’ op onze kinderkleding. We denken dat uw kinderen en uzelf heel goed kunnen kiezen welke kleding het beste bij hen past.’ Zo’n soort formulering kun je bedenken voor allerlei terreinen waar sekse er niet toe doet en genderneutraliteit gewenst is. NRC-redacteur Bas Heijne ging in mijn ogen de mist in, in zijn column van 23 september 2017. Hij vindt het maar rotwoorden. Zijn argumentatie: gender begrijpt niemand en neutraliteit (niet je vingers willen branden) is niet iets wat we zouden moeten nastreven, te lafhartig. En hij eindigt met de conclusie: wie wil er in godsnaam genderneutraal zijn? Nou Bas, ik wil.

  1. Kunnen we verder kijken of lezen over de genderneutrale samenleving?

De meeste boeken die over transpersonen gaan, schetsen misschien niet direct een wereld waarin gender er niet toe doet, juist wel. Maar ze kantelen toch vaak de vastgeroeste aannames over gender en sekse. NOSop3 heeft een video over een genderneutrale dag gemaakt. Volg verder bijvoorbeeld het Continuüm.