Categoriearchief: reportage

Vraag me alles, maar begin niet over de Brexit

Vakantie is voor mij ook elke keer nadenken over het fenomeen ‘vakantie’. Het voelt anders sinds mijn werkzame leven minder gestructureerd is, zo’n vakantie.
En het is begrijpelijk, maar ook best jammer dat het toerisme zo uitbundig is gegroeid. Busladingen mensen rijden naar de topattracties. Daar schuifel je met z’n allen langs The Book of Kells, door beroemde kastelen en pubs en in het centrum van Galway. Niet alleen daar, maar in elke uithoek kom je toeristen tegen. En dan ga ik ook nog in de drukste vakantieweken, want dan voelt Wageningen saai en leeg.
Wat zoek ik dan precies? Een andere omgeving, rust, ontmoeten van mensen, een andere cultuur?

Het antwoord is ongetwijfeld te vinden in de keuzes die ik maak tijdens zo’n reis. Ik ga naar kunstmusea, ik loop lange afstanden in en buiten de stad, ik zoek een Airbnb, ik zit in een stil park, vraag bij de toeristeninformatie of er nog ergens een uitvoering van klassieke muziek of moderne dans is, ik ga in de bibliotheek een boek lezen, ik lees sowieso een hoop en ik sleep ook altijd een stapeltje zorgvuldig uitgezochte boeken mee. Dit jaar nam ik die mee naar Ierland en Noord-Ierland.

Alleen de eerste dagen in Dublin had ik overnachting geregeld, daarna wilde ik naar Belfast en wandelen aan de noordelijke kust, langs de Giant’s Causeway. En ik zou vrienden die ook naar Ierland kwamen, ontmoeten. De rest van de tijd zou zich vanzelf vullen. Maar toch, aan het eind van de vakantie was ik verzadigd en ben ik zelfs een paar dagen eerder teruggekomen dan gepland.



Troubles

Noord-Ierland raakte me het meest, meer dan Ierland. Het weer was er op dat moment beter, en het heeft zeker ook te maken met de recente geschiedenis van de Troubles en onderhuidse spanningen die er nog steeds zijn. Ik heb erover gelezen, exposities bezocht, muurschilderingen gezien en soms, heel soms, iemand erover gesproken. Over wat er gebeurde aan The Bogside, op Bloody Sunday, wat er achter de strijd tussen katholieken en protestanten zat, tussen nationalisten en unionisten. En wat er gebeurde vóór de Troubles.

Het is onvermijdelijk dat je interesse wordt gewekt of aangewakkerd als je in het westen van Belfast langs de muurschilderingen komt, over de stadsmuren van Derry loopt of een museum over de Ierse geschiedenis bezoekt.
Waar ben je, is Derry hetzelfde als Londonderry, vroegen mensen me. Ja, de unionisten spreken over Londonderry en de nationalisten, die liever los van het Verenigd Koninkrijk willen, kiezen voor Derry. London is er in 1613 aangeplakt als een soort van erkenning voor Londense investeerders in de tijd dat land hier gekoloniseerd werd.

Brexit

“Jullie mogen me alles vragen”, zegt Sally die ons, een groep van ongeveer vijftig mensen, deze maandagochtend 29 juli rondleidt in de parlementsgebouwen van het Stormont Estate, aan de oostkant van Belfast. “Maar begin alsjeblieft niet over de Brexit.”

Toen Ierland in 1921 zelfstandig werd en er als een soort van compromis in Noord-Ierland zes Ulster-graafschappen, met overwegend protestantse inwoners, bij het Verenigd Koninkrijk bleven, moest er hier een regering komen die de zaken regelde. Stormont werd gebouwd met geld uit het VK. Er kwam een regering, die gedomineerd werd door de unionisten. Kort nadat de Troubles losbraken, eind jaren zestig – lees over de dreigende sfeer in die jaren The Milkman van Anna Burns –, is de regering overgeplaatst naar Westminster (Londen). Het werd hier te lastig, te rumoerig. Nu zit er sinds het Goede-Vrijdagakkoord (1998) dat een einde aan de Troubles maakte, de Assembly. Die voert een soort van lokaal beleid uit.

De hele Brexit valt daar niet onder, hooguit regionale consequenties. Keith en Sue, een Brits echtpaar dat ik in het hostel in Portstewart ontmoet, zeggen dat ze zich schaamden toen hun land vóór Brexit had gestemd. “Hoe is het mogelijk?”, zeggen ze. “We waren op reis en mensen spraken ons erop aan.” Maar, zeggen ze, niet alle Britten zijn vóór Brexit. In Noord-Ierland (en in Ierland), waar het merendeel tegenstemde, maken ze zich grote zorgen over de gevolgen. Een nieuwe grens? Opnieuw strijd tussen mensen die Noord-Ierland dan los willen weken van het VK en mensen die daar tegen zijn? Je moet er niet aan denken.  

Sympathie

Ierland is het ruige landschap, boomloos vaak en de rode koppen van de mannen die voor de pub staan met een groot glas zwart bier, te schreeuwen tegen elkaar over de verloren wedstrijd. Binnen is op zeven grote tv-schermen sport te zien: voetbal, hurling, golf, paardenrennen. Ierland is ook druilregen en vette fish & chips. Het is een land waar ik soms moeite mee heb. Bijvoorbeeld als ik naar die pub ga om te eten – je kunt er vaak goed en goedkoop eten – maar de live-muziek me haast de tent uit blaast. Of op dagen dat ik me uit het veld laat slaan door een dichte deur, een losse schoenveter of urenlange regen.
 
Ik gleed bij aankomst in Belfast met veertien kilo op mijn rug uit over een natte stoep en stapte vervolgens mijn leesbril kapot. Wat doe ik in dit koude, natte land?
In Dublin slaap ik drie nachten in het huis van Mark, zeker 1,90 meter lang, afgaande op de hoogte van het spiegeltje in de badkamer, maar ik zie hem nooit. “Onregelmatige diensten”, schrijft hij. “De sleutel ligt in een sleutelbox links van de voordeur.”

Maar Ierland is meer. Dublin is ook niet zozeer de stad van Mark, maar eerder van de dichter Seamus Heaney (mooie expositie), Francis Bacon (zijn ongelooflijk rommelige studio in Hugh Lane Museum), de National Gallery en het schiereiland Howth. Postscript van Heaney is een gedicht over hoe een landschap ons sprakeloos kan maken. Dat kan ook in Ierland. Of in Noord-Ierland.

En dan ontmoet ik opnieuw een supervriendelijk iemand die me alle tegenslagen doet vergeten. Ik loop langs de indrukwekkende muurschilderingen waar ik Bobby Sands herken, de gevangen IRA-strijder die ruim zestig dagen in hongerstaking ging tot hij stierf. De schilderingen drukken solidariteit uit met sociale strijd elders in de wereld. Rosa Parks, Nelson Mandela en de onafhankelijkheidsstrijd in Catalonië bijvoorbeeld.

Oké, het woord nationalisme blijft een negatieve connotatie houden, zeker, maar onwillekeurig krijg ik sympathie voor de Ieren die zich eeuwenlang tegen Britse overheersing hebben verzet.

Revolutionairen

“Dat ben ik”, wijst een vrouw in het Revolutionary Museum in Belfast. Ze staat op een foto die gemaakt is met een mini-cameraatje dat de gevangenis werd binnengesmokkeld. Ze zat gevangen in de tijd van de Troubles. In het museum is haar gevangeniscel nagebouwd. Er wordt beschreven wat zestig dagen hongerstaking met je doet en waarom mensen eigenlijk in hongerstaking gingen. IRA-gevangenen wilden afdwingen dat de Britse regering hen zou erkennen als politiek gevangen in plaats van veroordeelde criminelen.

Belfast, waarvandaan al zoveel Ieren naar de nieuwe wereld waren gereisd, is ook de stad waar de Titanic werd gebouwd. Het enorme passagiersschip dat in 1912 op een ijsberg zou lopen. Het is daarmee als je de film hebt gezien een heel klein beetje de stad van Leonardo diCaprio en Kate Winslet. Maar meer dan Kate Winslet in haar mooie rol, telt hier de ‘echte’ geschiedenis van Maud Gonne, Mairéad Farrell en Constance Markievicz.

Countess Markievicz (1868 – 1927) werd voor haar rol bij de Paasopstand van Ierse republikeinen in 1916 ter dood veroordeeld. Die straf werd nooit voltrokken, omdat ze een vrouw was. Ze werd voor Sinn Fein in december 1918 de eerste vrouw die in het Britse Lagerhuis werd gekozen. Daar nam ze geen zitting, maar ze werd lid van het Iers parlement.

Mairéad Farrell, geboren in 1957, kwam al heel jong bij de IRA en werd in 1988 doodgeschoten door het Britse leger. Net als Markievicz werd ook Maud Gonne (1866 – 1953) gearresteerd vanwege haar revolutionaire activiteiten, in 1918. W.B. Yeats (de dichter, niet de schilder Y.B. Yeats) was verliefd op haar, maar ze trouwde met een Franse nationalist en later een Ierse revolutionair, John MacBride. Die werd geëxecuteerd voor zijn rol bij de opstand in 1916. In 1900 had Gonne de nationalistische groep Daughters of Ireland opgericht, die zich inzetten voor de Ierse cultuur. In gevangenschap werd ze ziek en ze werd vrijgelaten op voorwaarde dat ze niet terug zou gaan naar Ierland. Ze ging echter meteen terug om als revolutionair, feminist en activist verder te strijden.

Stepdance

Deze uitweiding tekent wel een beetje waar ik me in verdiepte tijdens de reis door Ierland en Noord-Ierland. In het Ulster Museum, het Tower Museum, in Belfast en Derry, maar ook in Galway, in het City Museum waar de strijd opnieuw werd beschreven, nu met nadruk op de rol van regionale onafhankelijkheidstrijders.

Maar er is meer dan deze geschiedenis. In de bus van Limerick naar Waterford komt een Amerikaanse vrouw naast me zitten. “Ik kom uit New Jersey,” vertelt ze, “en mijn voorouders zijn Ieren.” In Ierland wonen ongeveer zes miljoen Ieren, begrijp ik, maar er zijn ongeveer veertig miljoen Amerikanen met Ierse afkomst. Zelfs Obama had een Ierse voorvader. Vooral na de Grote Hongersnood, na opeenvolgende verloren aardappeloogsten halverwege de 19e eeuw, emigreerden vele Ieren. Katholieken bijna altijd, die aan de overkant van de oceaan grote gezinnen kregen.  

Langzamerhand krijg een idee van wat Iers is. Op de muur in Derry laten kinderen iets zien van de typische manier van dansen. Die dansvorm lijkt goed te passen bij Ierse traditionals op oude instrumenten, bijvoorbeeld een doedelzak. Het is een soort van step- of tapdance, waarbij het bovenlichaam bijna stil wordt gehouden, armen strak naar beneden, en de dans vooral bestaat uit snelle voet- en beenbewegingen. Benen soms hoog gestrekt in de lucht.    


Een selectie van foto’s van mijn reis door Ierland en Noord-Ierland vind je hier en hier.

A small town girl in a big arcade

Jeanne d’Arc kom je in Rouen overal tegen, op straathoeken en pleintjes. Haar naam, haar beeltenis, haar verhaal is hier zo onvermijdelijk als de vezels in volkoren. Ze is nu ruim 600 jaar oud, maar nog steeds negentien. Voor eeuwig negentien.

En voor eeuwig een voorbeeld. De Jeannes van nu? Dat zijn Malala, die strijdt voor onderwijs voor meisjes, Emma Watson, op de bres voor gendergelijkheid, en natuurlijk Greta Thunberg, die onvermoeibaar de machthebbers wijst op hun verantwoordelijkheid voor de toekomst van de aarde en de gevaren van de klimaatcrisis. Niet omdat ze stemmen horen, zoals Jeanne, maar wel omdat ze gedreven zijn en zich genoodzaakt voelen.

Maar terug naar Jeanne d’Arc. Waarom ontmoet je haar zo vaak in Rouen? In kathedraal, museum, als standbeeld en op schilderijen?

Standbeeld van Jeanne d’Arc in Caen

Nee, la Pucelle d’Orléans (de Maagd van Orléans) werd niet geboren in Orléans, maar op 6 januari 1412 in Lotharingen. Ze was een boerenmeisje, de familie d’Arc (van de brug of boog), en had vier broers en zussen. Frankrijk was in oorlog met Engeland dat bijna de helft van het land bezet hield, ongeveer het gebied ten noorden van de Loire. Die bezetting had te maken met de opvolging van de Franse koning.

Koningsloos vochten de Fransen een wanhopige strijd tegen de Engelsen en ook tegen de Bourgondiërs die een akkoord met de Engelsen hadden gesloten – het Hertogdom Bourgondië was een zelfstandige regio rond Dijon. Karel VII was de beoogde troonopvolger, de dauphin, maar zijn kroning moest dan in Reims plaatsvinden, in het noorden van het land, en Reims was bezet. Net als Parijs. En Orléans werd belegerd.

Heilig leger

Jeanne was een erg vroom meisje, altijd in de kerk om te bidden en te biechten. Vanaf haar twaalfde of dertiende zei ze dat ze stemmen hoorde. Die kwamen van Jezus, van aartsengel Michaël en van de heilige Catherina. Later zagen gelovige jongeren bijvoorbeeld Maria verschijnen. En nu zou je iemand zoals Jeanne misschien naar een kinderpsychiater sturen, maar die waren er toen niet. De stemmen, zei ze, vertelden haar dat ze Frankrijk moest bevrijden van de Engelsen.

Jeanne wist niet hoe of wat te doen, maar uiteindelijk wendde ze zich in 1428 tot een plaatselijke edelman Robert de Bradicourt. Die geloofde haar eerst niet – ‘stemmen?’ –, maar ze bleef aandringen. Vervolgens reisde Jeanne naar het kasteel van Chinon. Karel VII had de residentie vanuit het Louvre in Parijs verplaatst naar deze relatief veilige plek aan de Loire. Ook daar waren ze aanvankelijk nogal sceptisch, zo’n boerenmeisje. Maar ook daar wist ze met haar onbevangen houding te overtuigen. Ik stel me The Favourite voor, de film waarin om de genegenheid van Queen Anne wordt gestreden. Misschien zou Yorgos Lanthimos, de regisseur van die film, zich eens op het verhaal van Jeanne en Karel VII moeten storten.

Hoe dan ook, Jeanne kreeg een leger. Denk je eens in: een meisje van zestien of zeventien dat een leger gaat aanvoeren. In een tijd dat de enige vrouwen die in de buurt van zo’n leger kwamen, prostituees waren. “Nee”, zei ze, “dit is een heilig leger.” Geen prostituees, maar priesters reisden mee. Zo kwam ze in Orléans, waar ze, hoewel de legerleiders poogden haar buiten de gevechten te houden, dapper meedeed. Wordt gezegd. Tot groot enthousiasme van de Fransen, zo’n meisje in harnas met de vlag van de dauphin. Ze kreeg de gehate Engelsen op de knieën. Op 8 mei 1429 gaven ze het op en was Orléans bevrijd.

Arcade

Dat was voor haar eigenlijk nog maar het begin. Jeanne werd bejubeld en op de golven van het succes ging ze verder. Zoals Duncan Laurence die na het winnen van het Eurovisie Songfestival overal in uitverkochte zalen zingt, als a small town girl in a big arcade. Jeanne van de Arc(ade).

George William Joy, ‘le sommeil de Jeanne d’Arc’, 1895

Reims werd veroverd en Karel de VII gekroond. Koning nu, besloot Karel echter een wapenstilstand te sluiten, tot woede van Jeanne die de Engelsen juist wilde verdrijven. De troost, dat zij en haar familie in de adelstand werden verheven, interesseerde haar niet. Bovendien liet de koning haar gruwelijk in de steek toen de Bourgondiërs haar gevangen namen. Die leverden haar uit aan de Engelsen.

De Engelsen beschuldigden haar van hekserij en ketterij – geef nou maar toe dat je geen stemmen hebt gehoord – en begonnen een showproces in Rouen. Of eigenlijk voerde bisschop Pierre Cauchon het proces. Niet echt onpartijdig, om het zachtjes uit te drukken, want hij verweet Jeanne het verlies van zijn bisdom.

Daar kon hij geen zaak van maken, natuurlijk. Maar een jaar lang kwamen er vooral mensen langs die haar beschuldigden. En Jeanne werd vele malen ondervraagd, ze werd slecht behandeld en ze kreeg ook nog een rondleiding door de martelkamer. Ik vraag me af wat voor ‘rondleiding’ ze dan kreeg. “Kijk mevrouw d’Arc, hier ziet u de folterkist, dit is het rad waarop u heel langzaam doodgaat, dan de knieënsplijter, hier de kwelpeer die we in uw vagina of uw mond kunnen opendraaien en dat daar, de borstenscheurder. Heeft u nog vragen?” Gruwelijk! Het bleef bij dreigementen, en hoe dan ook, ze maakte op haar ondervragers en uiteindelijk ook op de beul veel indruk.

Maar ze bezweek onder de druk en ze vroeg vergiffenis voor haar daden. Ze werd aanvankelijk veroordeeld tot levenslang en mocht nooit meer mannenkleren of een harnas dragen. Toen ze dat in haar cel toch deed, misschien omdat ze bang was om verkracht te worden door de bewakers – dat hadden ze al eerder geprobeerd – was het afgelopen. Ze herriep haar spijtbetuiging en zei dat ze alleen maar vergiffenis had gevraagd in een zwak moment, opdat ze niet zou worden verbrand. Nu wilde ze liever sterven dan levenslang gevangen zitten.

Er werd een brandstapel voor haar gebouwd en ze moest dood op de Vieux Marché in Rouen omdat ze mannenkleren droeg. In de Bijbel staat immers dat je niet de kleren aantrekt van het andere geslacht (Deuteronomium 22:5). Allejezus! De Kerk trok de handen van haar af en Jeanne d’Arc, de redster van Frankrijk, stierf op 30 mei 1431. Het land treurde. En besloot een paar decennia later dat niet Jeanne de ketter was, maar bisschop Cauchon (daar kom ik zo op terug). Een paar eeuwen later (in 1920) werd ze alsnog heilig verklaard. 

Androgyn

Haar bijzondere verhaal – het boerenmeisje dat Frankrijk redt – inspireerde vele schilders. In het Musee des Beaux Arts in Rouen is een zaal met alleen maar Jeanne d’Arcs. In Parijs hangt het beroemde schilderij van Eugène Delacroix waarop een vrouw het volk aanvoert. Die vrouw in La Liberté guidant le peuple (De Vrijheid leidt het Volk) is natuurlijk Jeanne d’Arc, of op zijn minst geïnspireerd door haar. Zoals ze op blote voeten en in een onderjurk onverschrokken de vlag zwaait.

Ze inspireerde schrijvers zoals Bertolt Brecht, Mark Twain, Michel Tournier (Gilles et Jeanne), Hubert Lampo (De duivel en de maagd) en een paar jaar geleden nog Kathryn Harrison en Lidia Yuknavitch (The book of Joan). En verder filmmakers en musici zoals Tsjaikovski en Verdi en ook Leonard Cohen, Kate Bush, Madonna en The Smiths (Bigmouth strikes again).

In 2017 bracht het Nationale Theater het verhaal in de versie van Friedrich Schiller (première van Die Jungfrau von Orléans in 1801) opnieuw op toneel. Jeanne is multi-inzetbaar, zei regisseur Theu Boermans van Het Nationale Theater tegen Opzij (23 januari 2017). “Die meerduidigheid als personage maakt haar zo interessant.”

Multi-inzetbaar, maar soms ook wel uitermate dubieus om haar als symbool voor jouw ‘strijd’ op te voeren. Franse socialisten omarmden haar eind 19e eeuw en later zagen de Franse nationalisten haar als voorbeeld, het Front National bijvoorbeeld. Zij gebruiken, of beter: misbruiken haar, in de strijd tegen vreemde overheersing. Voor de Kerk is ze een bruid van God. En voor het feminisme is Jeanne een symbool omdat ze niet kiest voor trouwen en kinderen krijgen, maar ze voor zichzelf een heel andere taak ziet weggelegd. Ze zag er androgyn uit, als de overgeleverde beelden kloppen, met kort haar en mannenkleding. Ze voerde zelf het woord ter verdediging tijdens het proces en ze was het toonbeeld van een sterke vrouw. Ik lees ook een verhaal van iemand die Jeanne d’Arc aanvoert in de dierenbevrijding.

Of Jeanne wordt vergeleken met jonge mensen die zich laten verleiden tot strijd en terrorisme. Volgens Boermans laat Schiller prachtig zien wat de sociale en emotionele omstandigheden zijn waardoor iemand tot dergelijke daden komt. “Het zijn vaak sensibele jonge mensen in moeilijke sociale omstandigheden die in een identiteitscrisis verkeren en het geloof extremer toepassen dan hun ouders.”

Schiller zag haar toen hij het stuk eind 18e eeuw schreef, niet alleen als een historische heldin, maar ook als een jonge vrouw. Jeanne zou zelf niet gevochten hebben, maar Schiller geeft haar een zwaard in de hand. Haar heilige strijd wankelt echter in het stuk, wanneer ze een jonge Engelsman doodt die smeekt voor zijn leven. En als ze met een tweede Engelsman worstelt en die in de ogen kijkt, wordt ze verliefd.

Dan komt ze in een crisis omdat ze wordt geconfronteerd met de consequenties van het geweld. Ze komt tot bezinning, “en haar onderdrukte seksualiteit komt vrij”, zegt Boermans. “Daardoor wordt ze menselijk.” En ook complexer, een personage dat een ontwikkeling doormaakt en aan zichzelf gaat twijfelen. Ze daalt af van die hoge wolk, neemt afstand van het iconische beeld en komt misschien wel dichter bij ons. Ze redt het nog wel, in de strijd tegen de Engelsen, maar is misschien toch niet zo anders dan wij, gewone mensen.

‘Jeanne d`Arc listening to her voice’, Leon Francois Benouville

Dapper meisje

Je wilt misschien weten hoe het afloopt in Frankrijk en met Jeanne na haar dood. De Fransen hebben dankzij haar een kantelpunt in de oorlog met de Engelsen bereikt. Ze dringen de Engelsen steeds verder terug en bijna twintig jaar na de dood van Jeanne veroveren ze ook Rouen weer. De hertog van Bourgondië verbreekt zijn band met de Engelsen en op 10 september 1435 komt er een vredesverdrag met koning Karel VII. Parijs wordt weer teruggeven aan de Fransen.

Na zijn intocht in Rouen vraagt Karel VII om het proces van Jeanne te heropenen. De paus wijst dat af. Maar als zes jaar later de moeder van Jeanne, die net als Jeanne zelf en haar hele familie in de adel verheven was, ook een verzoek doet, wordt dat wel geaccepteerd. Zij wil de naam van haar dochter zuiveren.

Bij dat nieuwe proces, in Reims in 1455 en 1456, wordt Jeanne door de getuigen geschetst als een eerlijk, zuiver, integer en dapper meisje. De inquisiteur beschrijft haar als een martelares. Dat proces verloopt veel grondiger dan 25 jaar eerder, maar de uitkomst is toch ook wel politiek. De schuldigen zijn immers bij voorbaat al de Engelsen die Jeanne kochten van de Bourgondiërs en het proces financierden waarin ze veroordeeld werd. Er waren ook wel Engelsen die Jeanne niet dood wilden en juist probeerden dat eerdere proces, onder leiding van bisschop Cauchon, te vertragen of tegen te werken. Na het rehabilitatieproces groeit in Frankrijk de liefde voor Jeanne d’Arc.

Oké, de stemmen waren misschien hallucinaties of er was een andere verklaring voor, maar ze inspireerde uiteindelijk toch een heel land tot verzet en bevrijding. Vanaf 1920 was 8 mei, de dag van de bevrijding van Orléans, een feestdag ter ere van haar. Het is nu vooral de dag dat het einde van WO II wordt herdacht. En Frankrijk herdenkt Jeanne d’Arc elk jaar op 30 mei, de dag dat ze stierf op de brandstapel.

Wie stikt de naden?

Als de angst haar bij de keel grijpt, vlucht Flora terug in de herinneringen aan haar moeders keuken.  Ze is dan de tiener die eieren klutst en avocado’s schilt. Een onbezorgde tijd van school, vriendinnetjes en soms een vriendje. Het was een tijd van verliefdheid en spel, en hoop op een toekomst die vast heel mooi zou worden.

Op haar achttiende trouwde ze en kort daarna kreeg ze haar eerste kind. Toen haar man werd opgepakt voor diefstal was ze opnieuw in verwachting. Het ging niet goed met de baby die vervolgens geboren werd, maar geld voor medicijnen had ze niet. Flora bad en smeekte het ziekenhuis om zorg toen het kind stervende was. Het mocht niet baten. Wanhopig zocht ze naar baantjes en handeltjes. Telkens opnieuw werd ze teleurgesteld. Geen ervaring, geen capaciteiten, geen kans.

Ze nam ten slotte naailes in de hoop een bedrijfje te beginnen. Haar naaidocente wist van haar moeilijke situatie. Ze vertelde haar nadat ze een maand of wat les had dat je in de VS gemakkelijk geld zou kunnen verdienen. In de kledingindustrie werden voortdurend mensen gevraagd, zei ze. Dan zou je zoveel verdienen dat je nog geld naar huis kunt sturen.

Flora liet haar moeder en haar kind achter en ging erheen. Vol hoop dat de weg naar boven nu was gevonden. Maar ze merkte tot haar ontsteltenis al snel dat het allemaal leugens waren. De vrouw die contact had gelegd met de naaidocente en haar de grens over had geholpen, vertelde dat ze haar voor haar hulp om de grens over te steken 3.000 dollar schuldig was en dat Flora die terug moest verdienen. Deze Jennifer was een stevig, maar verzorgd uitziende vrouw. Iemand die aanvankelijk vertrouwen uitstraalde, maar, zo bleek later, snel haar geduld verloor en kwaad werd. Dan werd Flora zo bang dat ze de rillingen in haar lichaam nauwelijks kon beheersen.   

De hele dag maakte ze jurken. Zat de dag erop, dan moest ze de fabriek schoonmaken. Ze sliep in een opslagruimte waar ze een matras deelde met een ander slachtoffer. Ze mocht de fabriek niet uit of praten met haar collega’s die normale diensten draaiden. Eén maaltijd per dag kreeg ze, tien minuten. Bang voor de strenge opzichters en nog meer voor Jennifer gehoorzaamde ze. Ze at snel en had altijd honger. Soms begonnen haar lippen te trillen. Dan moest ze zich uit alle macht beheersen om niet in huilen uit te barsten met alle mensen om zich heen. Dan ging ze terug naar haar moeders keuken.

Haar collega’s keken weleens bevreemd als ze ’s ochtends aan hun dienst begonnen. ‘Goh, zij lijkt hier wel te wonen’, dachten ze. Maar contact met haar kregen ze niet. Jennifer, die haar paspoort had ingenomen, had haar verteld dat ze het duur zou betalen als ze iets zou vertellen. Bovendien zou de politie haar toch niet geloven, illegaal in een vreemd land. En, zei Jennifer, ‘ik weet waar je moeder en kind wonen’.  Het moet nu bijna vier maanden zijn dat ze hier zit. Op zondagen is er meer tijd is om aan thuis te denken. Dat geeft rust en tegelijk ook onrust. Ze denkt ook aan de jurken die ze heeft gemaakt. Die hangen voor 200 dollar per stuk in de winkel. Zouden de kopers van die jurken er wel bij stilstaan wie de naden heeft gestikt?

Slavernij bestaat nog steeds, hoewel het al zolang verboden is. Ik schrok ervan toen ik het hoorde. Moderne slavernij treft miljoenen mensen in bijna alle landen van de wereld. Niet alleen Mauritanië, Saoedi-Arabië en India bijvoorbeeld, maar ook een land als Nederland of de VS. Het kan gaan om de seksindustrie, kinderarbeid, gedwongen huwelijken en mensenhandel. Overal waar menselijk arbeid wordt geëxploiteerd tegen nauwelijks of geen betaling.

Met Hannigan in de hemel

Intens, intensief en, zo lijkt het, intuïtief. Blote voeten, handen voor haar mond, zuchtend, roepend, zingend. Zo staat Barbara Hannigan in het grote auditorium van het Calouste Gulbenkian. In Lissabon. Ze brengt een modern-klassieke compositie van avant-gardist en saxofonist John Zorn.

Het stuk heet Jumalattaret. Proef dat woord, Jumalattaret! Zet de klemtoon vooraan. Jú. Júmalattaret. Fins, schijnt het. Godinnen, betekent het. Zorn liet zich inspireren door de Kalevala, een verzameling eeuwenoude verhalen die in 1835 zijn opgetekend. Ik associeer het met het koude noorden. Hoog, zoals de stem van Hannigan. IJl, zoals de begeleiding van de piano. Complex, zoals de compositie. Intrigerend, zoals de hele voordracht. En onbereikbaar ver, want weg zodra de klanken zijn weggestorven.

John Zorn zit in de zaal, Barbara Hannigan staat op het podium en Stephen Gosling zit achter de piano. Achthonderd mensen zijn muisstil. Ze zijn gegrepen. Gepakt. Opgeslokt. Ze zijn in het moment, in een prachtig moment. Het is een schitterend geluk. Achthonderd mensen voelen zich opgetild, als mijn gevoel te extrapoleren valt. Dan zijn ze net zo gebiologeerd, geborgen, gezegend, gelukkig. Verzaligd als dat een woord is. Verzield. Gehannigand. Gezornd. In aanbidding van de godinnen.

Stel je voor, je bent in Lissabon, en hoort dat je gratis naar een concert kunt. Een première van een sopraan die je bewondert. Oké, je moet Lissabon met een dag verlengen, je moet een kaartje bemachtigen en je bent weer buiten voor je binnen bent, want het concert duurt nog geen half uur. Je staat langer in de rij voor een kaartje dan dat je straks in de zaal zit.

Maar wat zou het? Voor de fameuze Belém-gebakjes, drie happen, is de wachttijd twee uur. Voor een blik in Lello’s, de beroemde boekenwinkel van Porto, maximaal een kwartier, sta je drie uur in de rij. Wil je naar het openbare openluchtoptreden van het Nationaal Ballet van Portugal, zorg dan dat je lang tevoren een stoel vindt. En blijf zitten.

Júmalattaret. Julia, Judith, Juliette, dat zouden godinnennamen kunnen zijn. Het stuk is als een boek vol emotie. Verdriet ligt in Hannigans zucht en vreugde in haar zang. Vrees en verlangen vechten met elkaar. Adoratie en aanbidding. Ze voelt met haar voeten, met haar hele lichaam en ze brengt dat gevoel naar de zaal. Godinnelijk! Ik voel me gelukkig. Zolang het concert duurt en nog lang daarna, voel ik me gelukkig.

Buen camino

“Mijn broer had de tocht naar Santiago willen lopen”, zegt Nuria. “Maar het lukte hem niet meer.” Ze kijkt me strak aan. Er drijft even een donkere wolk over ons kennismakingsgesprek. “Ik loop voor hem”, zegt ze zacht.

Ze pakt de arm van Luis, haar vriend en knijpt erin. Hij kust haar en verdrijft de wolk. “Wat een prachtige etappe vandaag, niet?”

We zijn vandaag naar Pontevedra gelopen. En met tientallen lopers in de gemeentelijke herberg aangekomen. Dertig kilometers, die we vooral in de ochtend hebben gelopen. Want om de warmte voor te zijn, vertrekt iedereen zo vroeg mogelijk. Het eerste uur in het donker is makkelijker dan het laatste uur onder een onbarmhartige zon. De koperen ploert. Ik begrijp nu waar die uitdrukking vandaan komt.

Tussen Pontevedra en Santiago de Compostela liggen nog ongeveer zeventig kilometer. Zeventig kilometer waarop ik over mijn drijfveren kan nadenken. Waarom loop ik? Overleden of zieke familie? Nee, niet echt. Loop ik uit religieuze motieven naar Santiago? Nee, absoluut niet. Langs de weg naar Santiago staan honderden kruisen en prachtige kerkjes en kathedralen. Mooi, maar ze zeggen me niet meer dan dat er religieuze motieven bestonden. En ongetwijfeld nog bestaan. Wil ik dan misschien mezelf vinden, de wereld beter begrijpen of wil ik iets oplossen? Nee, mooi meegenomen, maar dat is niet wat ik tevoren bedacht heb.

“Het mooie van de weg is de weg zelf”, vertelde ik gisteren een wandelgenoot uit Duitsland. En terwijl ik het zei, ging ik het ook geloven. We zijn eerder door een industriepark gelopen en hebben een paar keer de drukke provinciale route gekruist. “Het gaat niet om het einddoel, maar om de beleving. De ochtenden, de mensen vanuit de hele wereld die je tegenkomt, het eenvoudige ritme van opstaan, lopen, eten, rusten en slapen, de ervaring van de kilometers die je achter je laat.”

Honderdzeventig kilometer heb ik nu achter me gelaten. Ik heb mensen ontmoet uit Australië, Martinique, Italië, Zuid-Korea, België, Peru en vanzelfsprekend uit Portugal en Spanje. Zij lopen immers ongeveer door hun achtertuin. Meestal gaat een gesprek niet dieper dan de zon, de blaren, de weg, de bedwantsen of de herberg.

Hoewel het me deze dagen moeilijk valt me op het boek te concentreren, haal ik misschien wel meer diepte uit het verhaal over de familie Cazalet. Elizabeth Jane Howard beschrijft daarin de relaties, de passies en de misstappen van de verschillende familieleden in de naoorlogse jaren. Prachtig! Meeslepend, normaal gesproken, maar tijdens deze intensieve wandeldagen is er voor de Cazalets vaak nauwelijks ruimte in mijn hoofd.

In de vroege ochtend, de dag erna, vul ik de waterfles onder de kraan en neem ik een paar koekjes. Ik sleur mijn rugzak, tien kilo op mijn rug, en doe hem meteen weer af. Zit alles – paspoort, stempelkaart, tandenborstel, telefoon, camera, zonnebrand – er wel in? “Ik geloof dat ik een beetje last krijg van dwangneuroses”, zeg ik tegen mijn bedgenoot – ik op het onderbed, zij erboven. Stapelbedgenoot, dus zo spannend is het niet. Take care, zegt ze en ze flipflopt naar de doucheruimte.

Buiten hangt een lichte nevel. Ik zie Luis en Nuria daarin oplossen. Hij voor haar, zij voor haar overleden broer. Buen camino, fluister ik. Niemand die het hoort.

Meer camino-foto’s staan hier.

In het middelpunt van Europa

“Zit je nu Duits te leren”, vraag ik aan het meisje naast mij. Ze leest aantekeningen met werkwoordsvervoegingen. Ja, soms zijn mijn vragen geniaal (;-)). We zitten in de trein van Praag naar Olomouc en ik worstel me, toevallig, door een Duitstalige biografie over Lou Salomé. Een boek dat meer gaat over haar relaties met mannen – filosoof Friedrich Nietzsche, publicist Paul Rée en de in Moravië geboren Sigmund Freud – dan over de in Rusland geboren psychoanaliste zelf. Het meisje studeert in Olomouc en heeft morgen examen, vertelt ze. Ja, Duits is moeilijk, en ze moet nog een paar jaar. Maar ik denk dat ze deze biografie vlotter zou lezen dan ik.

Olomouc is een stad in Moravië, ruim 200 kilometer oostelijk van Praag. Het heeft de sfeer van een provincieplaats, zeker in vergelijking met Praag. Het Deventer van Tsjechië zeg maar, of Wageningen.

Heel wat anders dan Praag in elk geval. Dat moet je vergelijken met Amsterdam, Parijs, Rome, Barcelona. Heel veel toeristen in het centrum van de stad die bij elkaar lijken te kruipen rond de highlights. In Praag is dat de Karelsbrug over de Vltava-rivier, het grote stadsplein in de oude stad, de Praagse Burcht (een complex van kastelen, kerken en musea), de Joodse begraafplaats en het museum over Mucha.

Ik ben over de Karelsbrug gelopen, slingerend tussen de drommen fotograferende toeristen. Ja, en ik ben ook naar dat museum gegaan. Alfons Mucha is net als Franz Kafka een Tsjechisch symbool. Wat Vincent van Gogh is voor Nederland. Mucha ging naar Parijs en maakte er vanaf 1894 veel posters voor het theater van de beroemde actrice Sarah Bernhardt. Prachtige vrouwen in mooie poses. Art nouveau. Ik vind het mooi, de posters, maar het museum is klein, druk en teveel op toeristen gericht die er in een halfuurtje doorheen snellen.

Mooie stad hoor, Praag. Architectuur, sfeer, een rivier, uitgaansleven en veel musea. En bovendien ligt Praag in het middelpunt van Europa en heeft het een compact centrum en goedkoop bier. Dat trekt een hoop mensen. Massatoerisme.

In de Praagse Burcht, met uitzicht op de stad, wil een groep Spaanse mannen een foto maken. Een van hen gaat binnenkort trouwen en viert nog even zijn vrijgezellenstatus. Met liters bier, schat ik. Ik schiet een paar foto’s op de smartphone van een van hen. Een kwartiertje later ontdek ik een rustig straatje dat me van de hogergelegen burcht terugvoert naar de stad. Bijna alle toeristen drommen de trappen af in plaats van het straatje. Voor me uit lopen slechts een paar nonnen.

Zware pijen

Praag ligt middenin Bohemen. Volgens de legende voelde prinses Libuse dat hier een stad zou komen. Ze trouwde met een boerenjongen en stichtte de dynastie van de Premysliden, zo’n familie van koningen die jarenlang over het land heerst. Tot ongeveer 1300. Karel IV, naamgever van ongeveer de beroemdste brug ter wereld, wordt in 1347 koning van Bohemen en later ook nog benoemd tot keizer van het Heilige Roomse Rijk. Het was een bijzondere eer, geloof ik, als de Paus je kroonde als keizer van dat grote politieke verband van staatjes in een gebied dat liep van Nederland tot Midden-Italië.

Karel trouwde met de 13-jarige Blanche van Valois, de zus van Filips VI die koning van Frankrijk zou worden. Een kindhuwelijk zou je denken, maar Karel zelf was ook net 13. Kinderenhuwelijk. Kinderen van 13 hadden toen een andere status. Klein uitgevallen volwassenen, als je ook de schilderijen uit de middeleeuwen ziet.

Karel IV liet Bohemen bloeien en maakte van Praag een belangrijke hoofdstad. Ik stel me dat voor als een stad met handel, een stad die groeide, waar kerken werden gebouwd en pleinen. En waar machtige mensen rondliepen in mooie kostuums in prachtige paleizen.

Ook in Bohemen kwam er net als een goede honderd kilometer noordwestelijker, waar Luther in Leipzig kritiek uitte, verzet tegen het machtsmisbruik van de katholieke kerk. Hier was dat Jan Hus met zijn Hussieten. Hus stierf in 1415 op de brandstapel, maar de twisten bleven. En veel mensen werden later protestant.

De contrareformatie, vanaf ongeveer 1620, was zo heftig dat de protestanten op de vlucht sloegen. In Tsjechië is nu het katholicisme het grootst (ongeveer een kwart van de bevolking), maar veruit de meeste Tsjechen rekenen zich niet tot een religieuze groep. Er staan mooie, grote kerken. In Olomouc zijn verschillende kloosters en ik zie ook veel monniken in zware pijen lopen. Maar een oud klooster waar ik heenloop, net buiten de stad, is kortgeleden omgevormd tot een ziekenhuis.

Charta 77

Het verhaal over de politiek is zoals zo vaak het masculiene verhaal van moord oorlog. De ontmanteling van het Oostenrijks-Hongaarse rijk na de Eerste Wereldoorlog, de republiek Tsjechoslowakije, de inval van de Duitsers in Sudetenland in 1938 en een half jaar later in heel Tsjechië.

Dan is er de moord op nazi-leider Reinhard Heydrich in Praag, de moord waarover de Franse schrijver Laurent Binet dat bijzondere boek Hhhh over schreef. Verder de onderdrukking in de stalinistische staat en de Praagse lente in 1968. Ik lees erover op een terrasje met een halve liter bier voor me, en zie soms standbeelden, herdenkingstekens of straatnamen die aan de grote gebeurtenissen herinneren.

Charta 77 ken ik vaag, maar hoe zat het ook weer? Toen de Russen de Praagse lente ruw braken en de oppositie muilkorfden, waren de dissidenten even stil, maar niet weg. Gesteund door de Helsinki-akkoorden over de mensenrechten ondertekenden een paar duizend kunstenaars en intellectuelen een manifest dat die Helsinki-waarden onderstreepte. Dat was Charta 77. Die ondertekenaars werden vaak vervolgd of verbannen, maar één ervan, Vaclav Havel, sprak het volk toe na de fluwelen revolutie in 1989. Hij werd staatshoofd.

Meer aan de zijlijn van de grote geschiedenis is er de defenestratie, aanpak van politieke tegenstanders die bijna traditie leek te worden. Ze werden het raam uitgegooid. Of het verhaal van een rabbijn uit de 16e eeuw, bevriend met de astronoom Tycho Brahe, die een beeld van klei, de golem, tot leven zou hebben gewekt. Praag was sowieso een centrum van magie en alchemie. Of Karel Capek die in het begin van de 20e eeuw het woord ‘robot’ voor het eerst gebruikte. Wat zou die opkijken als hij 80 jaar na zijn dood weer even tot leven zou komen en onze gedigitaliseerde wereld zou zien.

En dan het verhaal van de Roma en de marginalisatie en discriminatie van deze mensen. Is er een lijn te trekken naar het vluchtelingenbeleid van het land? Tsjechië heeft net als Hongarije, Slowakije en Polen de grenzen gesloten voor vluchtelingen, doof voor de EU-oproep om deel te nemen aan de opvang van mensen die vluchten voor oorlog en onderdrukking.

Janácek

Terug in Nederland lees ik Milan Kundera, ook een dissident, en een migrant. Hij vluchtte naar Parijs en schreef veel van zijn mooiste boeken in het Frans. Het boek Verraden testamenten gaat over kunst en literatuur, Musil bijvoorbeeld. En vooral over Janácek die hij als de grootste Tsjechische componist beschouwt. Groter dan Dvorak, Smetana en Martinu. Het probleem van Janácek was dat hij in Brno woonde, honderd kilometer onder Olomouc en ook een provinciestadje, zeker vergeleken met Praag. Janácek schreef vernieuwende opera’s en fantastische pianomuziek, maar ze werden niet gehoord. Of niet begrepen.

Ik bezoek het huis in Brno waar hij leefde, nu een museum. Na een treinreis vanuit Olomouc die wat langer duurt dan normaal omdat er aan het spoor wordt gewerkt. Als ik bij het museum kom, is het nog dicht. Een halfuurtje later ben ik de eerste bezoeker van de dag, net voordat er een groep van zeker twintig Japanse toeristen komt. Voordat die oosterse invasie plaatsvindt, wijst de suppoost me de weg. “Als je dit allemaal gezien hebt, kan ik een dvd starten over Janácek”, zegt ze. Ik zie de mooie documentaire, een Duitse productie van ruim een uur, helemaal uit, terwijl de Japanners na tien minuten vertrekken.

Het is een van de hoogtepunten van mijn korte Tsjechiëreis. Net als de uitvoering van het Nationaal Tsjechisch Ballet op mijn laatste avond in Praag. Choreografieën van de dansers zelf, soms uitermate klassiek en op spitzen en soms heel modern en bijna urban. Ze hebben muziek gebruikt van barok tot Bowie. Ik vind het prachtig.

Een selectie van mijn foto’s staat hier.

Nog twee minuten

leestijd: anderhalve minuut

Met hoeveel passen we achterin een truck? Tellen lukt me niet, maar het ziet zwart om me heen. Toen we ingeladen werden – er is geen ander woord voor – zag ik de paniek in de ogen van mijn metgezellen. Nu is het donker, niet omdat het nacht is, maar omdat er geen lichtinval is. Af en toe hoor ik een kreet van pijn als we door een bocht gaan en lichamen tegen de wand van de truck worden gedrukt. Met moeite blijven we overeind.

Mijn leven? Ik ben al vroeg van mijn moeder gescheiden. Kort na de geboorte. Dat zou beter zijn voor de productie. Mijn zusjes zijn wel gebleven, en worden straks misschien op hun beurt moeder. Zij zorgen voor melk en kaas, maar die rol past me niet, ik ben weggevoerd. Mijn moeder zag me vertrekken en kon niets doen. Het deed veel pijn, ik zag het bij haar. En ik heb weken rondgelopen met een knoop in mijn maag. Ik heb geen idee wat er van haar of mijn kalverzusjes gekomen is. Familie telt niet in dit leven.

Ik kwam na een lange reis in een saai hok, vies en krap. En dit is mijn laatste reis, weet ik. Ik hoorde de man en de vrouw praten. “Die en die”, wezen ze. Ze keken ook naar mij. “Die zijn er klaar voor.” Een naam kreeg ik niet van hen, ik was er te kort. Een nummer ben ik. Massa. Opbrengst.

Was dat het nou? Het leven is eten en gegeten worden. Niet meer dan dat blijkbaar. Ze zeggen dat in je laatste minuten je hele leven aan je voorbijschiet. Ik heb daar niet veel tijd voor nodig. Ik kwam nauwelijks buiten. De eerste weken nadat ik van mijn moeder gescheiden was, leefde ik alleen en daarna leefden we in een klein groepje jonge kalfjes. Dat heeft een klein half jaar geduurd en nu staan we hier. Hoe lang nog?

We worden de truck uitgedreven. De paniek is nu echt voelbaar. Ze, de mensen die over ons lot beslissen, proberen stress te vermijden. Dat heb ik begrepen, want dat is beter voor de kwaliteit. Maar echt, je voelt het als je tussen dit hekwerk staat en je kunt maar één kant op, alleen maar voorwaarts. Het is alsof je opnieuw de moederschoot uitgeperst wordt, zo verlaten we de vrachtwagen.

Maar waar toen de weg naar leven leidde, voert die nu naar de dood. Binnen twee minuten ben ik dood. En vanavond ben ik kalfsvlees in het schap of lig ik misschien al op je bord.

 

Buen camino

Er zijn honderden redenen te bedenken om de Camino de Santiago te lopen, tot Santiago de Compostela in het noordwesten van Spanje of een stukje ervan. Niet veel van de mede-peregrinos die ik tegenkwam in de week dat ik de Camino liep, verdenk ik van religieuze motieven, hooguit spirituele motieven. Het graf van apostel Jacobus bezoeken of dichter bij God zijn. Ik kan weinig met dat soort motieven. In de middeleeuwen was er nog een aflaat te halen in Santiago, een korting op het vagevuur. Later speelde volgens Herman Vuijsje het navoelen van het lijden van Jezus een rol. ‘De camino mocht niet over rozen lopen, maar moest over doornen gaan.’

Culturele motieven, noemt een Spaanse site. Dat is voor velen nu een belangrijke reden. Voor de meesten, denk ik. Of huilen en uitrazen, wat verdriet of tegenslag vooronderstelt. Jezelf terugvinden, pure eenzaamheid ervaren of juist vriendschap vinden. Liefde misschien, zoals die Oostenrijkse medepelgrim die vertelde hoe hij zijn lief was tegengekomen tijdens een eerdere tocht. De natuurbeleving, de uitdaging of de sport. De lokale wijnen langs de route ontdekken, een alternatief voor playa en pretparken bezoeken of nu eindelijk eens het land van Goya en Don Quijote leren kennen.

Het is heel simpel, haal een stempelkaart, vul je rugzak met wat voeding, water en kleding en begin te lopen. Vooropgezet dat je een beetje conditie hebt. Begin liefst vroeg in de ochtend, tegen zonsopgang. Of eerder als je een nachtlampje hebt. Volg de borden en pijlen en als je rond de middag in de buurt van een herberg komt, is dat wellicht een mooi moment om de tocht voor die dag te onderbreken.

Ik was in Pamplona waar ik een taalcursus deed. Weinig cursisten, maar dat trekt me juist wel. Een stad die ik vaag kende, waarvandaan ik vrienden kon bezoeken en waar ik me kon onderdompelen in het Spaanse leven. Dat zocht ik daar. Na afloop van de cursus had ik nog een weekje. En pas een dag of drie voordat ik me op de Camino begaf, bedacht ik dat het misschien wel een goed idee was me op de Camino te begeven. Misschien hielp het dat een Spaanse vriendin me enthousiast appte dat ze net die week de laatste vijf etappes naar Santiago had gelopen. Mijn simpele motto: lopen is leuk!

Behoorlijk onvoorbereid, ja. Maar goed, wat heb je nodig? Zo dacht ik. Behalve een paar loopschoenen, een tandenborstel en natuurlijk, vanzelfsprekend, onontbeerlijk, een boek. Waar ga je heen zonder boek? Ik nergens. Nooit.

In dit geval was dat helaas niet Homo Deus, het prachtige, meeslepende, overtuigende werk van de Israëlische historicus Yuval Noah Harari. Grappig dat ik een Schotse vrijwilligster die wacht hield bij een kerkje onderweg juist met dat boek zag. Grappig ook omdat Noah Harari religie als heel functioneel beschrijft: het christendom is bedacht om landbouw en consumptie van planten en dieren te legitimeren. Zijsprongetje. Dat boek had ik al voor de vakantie gelezen, ik las nu een dikke Spaanse roman van Paloma Sanchez-Garnica.

Terug naar de tocht. Pamplona ligt een 750 kilometer van Santiago de Compostela, maar juist de oversteek van de Pyreneeën trok me aan. Dus nog een stukje terug. Ik kocht een ‘credencial’, een stempelkaart die als bewijs geldt voor de herbergen dat je daadwerkelijk bezig bent met de Camino. Alleen op vertoon van die kaart kun je daar slapen. Ik nam de bus naar Saint Jean Pied-de-Port, net over de Spaanse grens en drie etappes vóór Pamplona. En ik liep er naar het toeristenbureau voor een eerste stempel.

Daar schoten de tranen me in de ogen. Mijn eerste stempel! Hoeveel zouden er volgen, wat zou ik tegenkomen, is dit het begin van iets, hoeveel honderdduizenden mensen zijn me voorgegaan, wat is dit? Ik vraag me af of de stempelaar van het toeristenbureau iets heeft gemerkt. Hij was wel heel vriendelijk en wenste me ongeveer als eerste ‘buen camino’.

Later die dag raakte ik opnieuw geëmotioneerd. Ik had de acht kilometer naar herberg Orisson gelopen en me daar ingeschreven. Tot het gezamenlijk avondeten had ik nog een paar uur en ik probeerde te lezen. Dat ging moeizaam. Blij dat om 7 uur ’s avonds het eten op tafel stond. Er zaten ruim dertig peregrinos aan twee lange tafels. Ik zat naast Victor en Estefania, twee Spaanse wandelaars. Er waren veel Italianen, een paar Amerikanen. Er was nog een Argentijn, een van de eersten die ik tegenkwam. Ik zag hem later, nauwelijks gestopt met lopen voor die dag, met een halve liter bier. ‘Dat is goed voor je spieren’, beweerde hij.

De Franse eigenaresse van de herberg vroeg even aandacht voor dat ze met het toetje kwam. ‘Willen jullie allemaal je naam en land noemen?’ Op dat moment zag ik mijn mede-peregrinos pas. Allemaal mensen zoals ik die soms al eerder de Camino hadden gelopen, maar meestal net gestart waren. Sommigen gingen heel zelfverzekerd staan, met trots en overtuiging, anderen waren juist super verlegen, misschien wel extra door de bravoure van anderen. En ik kreeg opnieuw de tranen in mijn ogen.

Het maakt me niet uit wat de motieven zijn. Of je nu op zoek bent naar inkeer en reflectie of niet, daar misschien toe gedwongen wordt, al lopend. Of ook al wil je alleen maar even lopen. Maakt mij niet uit. Maar ik vind het mooi wat Vuijsje – ook een pelgrim zonder God – daarover schreef: ‘Wie nu naar Compostela trekt, maakt zich los van waarden als effectiviteit en efficiëntie. Vaak weet hij zelfs niet wat hij wil en gaat hij op pad om daar achter te komen. Terwijl we in ons dagelijks leven steeds doelgerichter zijn geworden, is op de camino een tegengestelde ontwikkeling te zien.’

Ik denk aan het Italiaanse echtpaar, die ik net voor Pamplona waarschijnlijk voor de vijfde keer die dag, tegenkwam. “We leven tijdelijk in een aparte wereld, een wereld waarin je enige doel is lopen, stempelen, eten en slapen. Los van de wereld, afgekeerd van de wereld. Al die mensen die we tegenkomen, en die niet de Camino lopen, zijn buitenstaanders. Voor hen gaat het echte leven door. Wij zijn daar even weg.” Dat is mooi, vakantiedoel op zich. En dat je helemaal in het nu leeft. Dat gevoel had ik ook. Niet bezig met zoeken of aankomen, maar hooguit ervaren, beleven, lopen.

Het meest overtuigende was dat ik op de laatste ochtend, in Estella, ergens blij was dat ik niet verderging, maar ergens ook jaloers op de wandelaars die verder gingen. Ik zie jullie nog wel een keer!

Foto’s Camino
Meer foto’s van deze zomer in Spanje

Danser in Lyon

Schuin kijk ik naar de andere dansers. We hebben allemaal een lange, grijze regenjas aan, een hoed op en grote schoenen aan. Mijn speciale dansschoenen passen zelfs over mijn gewone schoenen heen. Elk half uur kun je hier meedoen aan een uitvoering, ergens in een halfverlicht zaaltje in het Musée des Confluences. We zitten met zo’n vijftien mensen tegen de wand, het licht wordt minder, een stem zegt wat we gaan doen. ‘Sta op en stamp op het ritme van de muziek naar het lichtvlak. Ga heel dicht bij elkaar staan. Handen in je zak en hoofd naar beneden. Ren op het teken allemaal achter een van jullie aan die uit het groepje ontsnapt.’ Ja, in het Frans. Vandaar dat ik me soms moet voegen naar de andere danseurs.

Danser Joe heet het. Het is onderdeel van een expositie over hedendaagse dans. Maguy Marin, Pina Bausch, Merce Cunningham, Kurt Jooss. Le sacre du printemps in vijftig verschillende uitvoeringen. Deze expositie is echt de enige reden dat ik naar dit museum op een stukje grond waar Rhône en Saône samenvloeien (confluence), ben gelopen. De hele geschiedenis van de hedendaagse dans in foto’s, video’s en muziek. Bij de ingang van de expo krijg je een koptelefoon en dan loop je de dynamische wereld van de dans binnen.

lyon-191116-20a-klein

Ik ben in Lyon. Ja, wie gaat er nou naar Lyon? Ik ken niemand die me is voorgegaan. Lyon, daar rijd je zo snel mogelijk aan voorbij op de Route du Soleil naar warmere oorden, zuidelijker streken, zonniger landen. Zo ontoeristisch lijkt me dat dan dat ik er heen wil. Juist daarom. En er is vast wel een theater en een kunstmuseum. Wat blijkt, er is een mooie balletvoorstelling in het theater en een prachtige verzameling in het kunstmuseum. En dat is lang niet het enige.

Vieux-Lyon is het mooiste deel van de stad. Huizen uit de middeleeuwen, pleintjes van kinderkopjes, binnenplaatsjes achter poorten. Traboules heten die doorgangen. Lyon was de stad van de zijdewevers, het was de stad van de marionetten en ik veronderstel dat het ook de stad van de dans is. Of is het toeval dat ik tegen dansscholen en balletwinkels loop, dat er voor de l’Opéra voortdurend hiphopdansers bezig zijn, dat de dansexpositie nu draait? Kan, maar wel een leuk toeval dan.

Op de ene heuvel ontstond een Romeinse stad toen Caesar besloot om vanuit Lugdunum zoals Lyon toen heette de Galliërs te verslaan. Op een andere heuvel strekte zich de Gallische stad Condate uit. Nu de Croix-Rousse, een wijk met bochtige straten en lange trappen. Daar loop ik een paar dagen rondjes. Maar een hoogtepunt is de uitvoering van het Ballet de l’Opéra de Lyon van drie dansstukken van drie verschillende choreografen (Childs, De Keersmaeker en Marin) op muziek van Beethoven. Danser Joe natuurlijk, en het prachtige Musée des Beaux Arts.

Op een grijze maandag – ja, dit museum is open op maandag, er komen dan ook schoolklassen en tekenstudenten – loop ik er uren rond. Langs Picasso, Rubens, Zurbarán, Delacroix, Rodin, Manet. Na een lange kunstmiddag drink ik een biertje in bar les Berthom voordat ik terugreis naar Bron, een voorstad van Lyon waar ik bij Dominique en Albert in hun Airbnb-kamer logeer.

Ik heb een lang weekend veel gezien in Lyon, maar lang niet alles. Het doet me denken aan het gedicht van Wilmink: Op doorreis door Vlaanderen. ‘Ach mijn vrouw wil naar Zuid-Frankrijk / voor vakantie en vertier. / Daarom rijdt ze nu door Vlaanderen / en ik ben haar passagier. / Meid, waarom zo ver gereden, / waarom blijven we niet hier, waarom blijven we niet in Vlaanderen / met zijn duizend soorten bier?’ Lyon? Aanrader. Hoewel de kans steeds kleiner wordt dat je in het Musée des Confluences nog mee kunt doen aan Danser Joe – ik waarschuw maar – blijft er genoeg te zien en te beleven.

Foto’s van Lyon staan hier.

Schok en sake

De Japanse cultuur leer je niet kennen in een paar weken. En de Japanner nog minder. Maar achttien dagen in dit land van uniforme salary men, supersnelle treinen, vele Shintotempels en geautomatiseerde wc-brillen geeft wel een indruk.  

Het is alsof er iemand zwaar aan mijn bed schudt. Het is ongeveer middernacht en ik was diep in slaap, maar ik zit nu direct rechtop. Waar ben ik, wat gebeurt er? Dit moet een aardbeving zijn, realiseer ik als er niemand naast het bed staat. Ik heb ooit gehoord dat je dan naar buiten moet, waar het huis niet op je kan neerstorten. Later, dichtbij het strand van Kamakura, zie ik richtingsborden die wijzen waar je hogerop kan komen zodat je een tsunami, een vloedgolf na een zware trilling, kunt ontwijken. In het huis van Sumire, op het platteland een twintig kilometer onder Nikko, blijft het stil. Geen geluiden van paniek. Maar ik ben flink geschrokken.

“Het was niks”, vertelt Sumire bij het ontbijt. Ze pakt de muur in de kamer beet. “Een paar jaar geleden stonden de muren hier te trillen.” Het blijkt dat het episch centrum van deze aardbeving in zee bij Fukushima lag, 5,3 volgens Richter. Hier in Nikko voelt het dan nog als een 2’tje of een 3’tje. “Dat gebeurt zo’n beetje dagelijks.”

180716 in kimono2

Meisje in kimono in Kyoto

Sumire kan het weten. Twee dagen geleden meldde ik me bij haar. Ze werkt op een softwarebedrijf en runt een Airbnb. Omdat haar huis ver van een supermarkt of restaurant ligt, zijn ontbijt en diner inbegrepen en rijdt ze haar gasten als die geen eigen vervoer hebben, ’s ochtends naar een stationnetje op een minuut of 10 van haar huis. Ook mij. Aan het eind van de middag komt ze me na een seintje daar weer ophalen. In haar Japanse automodel met een televisieschermpje in het dashboard. Nadat ik de prachtige Tosho-gu heb bezocht bijvoorbeeld, een tempel van 400 jaar oud, of een mooie wandeling heb gemaakt in het berggebied vanaf 1500 meter hoogte, een uurtje bussen vanaf Nikko.

Manet

Vandaag ga ik verder naar Takasaki. Ik ontmoet er Jun Omoto en zijn lieve vrouw en slaap op tatamimatten in hun oude zijdehuis, een huis dat werd gebruikt voor de opslag van moerbeibladeren en de kweek van zijderupsen. De laatste week van mijn Japanreis is dan aangebroken.

Japan is een intrigerend land. Ik ben 18 dagen op reis, deels een groepsreis waarbij we de toeristische hoogtepunten bezoeken, en deels solo, waarbij ik de al te grote toeristentrekkers vermijd en meer Japanners ontmoet. Soms communiceer ik met hen via vertaalapps op de smartphone. Met Jun, die maar een paar woorden Engels spreekt, bijvoorbeeld. Bewonderaar van onder meer componist Poulenc en schilder Manet.

Intrigerend, want de mentaliteit van Japanners is zo anders dan de onze. Ik voel me bijvoorbeeld heel veilig, het land is enorm veilig. Dat zou komen omdat Japanners vanuit het collectief denken in plaats van het individu. Benadeel je een ander, dan benadeel je het collectief. Je doet ook jezelf schade. Dat verklaart het enorme vertrouwen dat de meeste Japanners in anderen hebben. Ze lijken heel gewetensvol. Ze zijn in mijn ervaring in elk geval vriendelijk, beleefd, aardig, gastvrij en ondanks de taalbarrière vaak, open en benaderbaar. Ik had het anders verwacht: Lost in Translation.

Volgens de journaliste van wie ik een boek lees ‘Japan unmasked’ is de verklaring simpel. “De typisch Japanse denkwijze komt voort uit filosofische en metafysische factoren van Shinto, Boeddhisme, Confucianisme, Taoisme en Zen. Terwijl de typische westerse mentaliteit vooral een product is van Christelijke thema’s gemengd met logica en verwetenschappelijking.”

Of dat verklaart waarom de Japanse salary men, werknemers van bedrijven die zich ’s ochtends naar kantoor spoeden, er allemaal hetzelfde uitzien (donkere broek, lichte blouse, aktetas aan de schouder), weet ik niet. En evenmin of het iets zegt over waarom iedereen steeds netjes in de rij wacht, waarom er zoveel druk is om keihard te werken, waarom de Japanners zo hard streven naar perfectie.

Het heeft ook een keerzijde. Ik lees over de pesterijen op werk en school van zwakkeren en mensen die niet beantwoorden aan het algemene beeld, lhbt’ers bijvoorbeeld. De tienduizenden jongens die zich verscholen houden in een kamertje in het ouderlijk huis en de vele zelfmoorden. De Japanse samenleving heeft naast de zachte kant ook een hele harde kant.

Manga

Weer een andere kant zie ik in de trein van Nikko naar Takasaki. We rijden tussen rijstvelden. Naast me zitten een stuk of tien schoolmeisjes van een jaar of twaalf tot veertien, allemaal in dezelfde witte blouse en donkerblauwe rok. In Nederland zou dat veel herrie betekenen, gegiechel, luide verhalen. Hier is het stil. De meisjes zijn allemaal in hun mobiel verdiept. Geen Pokémon Go, dat in Japan sinds 24 juli te downloaden is, maar ongetwijfeld een of andere chat.

En nog een andere kant zie ik tijdens een avondje met Kumi en Misato. Kumi is presentatrice geweest bij de tv en Misato is een vriendin van haar die goed kan tekenen. “Wat drink je?” vraagt Kumi. Ze heeft een Airbnb-kamer in haar huis in Suginami, een stadsdeel in het westen van Tokio. Het is zaterdagavond en ze pakt een fles van twee liter sake. Misato maakt in een paar minuten een schets van mijn gezicht. Ze maakt ook de typische strip- of mangatekeningen die je hier overal ziet.

Mangapersonages hebben lange benen en grote ogen. Meisjes zijn snoezig, met veel strikjes en soms wat diva-achtig. Die tekeningen zie je overal op straat, op waarschuwingsborden, bij aankondigingen of waar dan ook. Boekhandels liggen vol met mangastrips en als iemand eens een boek leest in de metro – meestal ligt de smartphone in de hand – blijkt het vaak een stripverhaal. Elk bedrijf, elke stad, lijkt wel zijn eigen mascotte te hebben, en dat is dan een pop of personage dat geïnspireerd is door die typische mangastijl. Manga is hier niet alleen voor kinderen.

Dat leer ik later. Het is nu zaterdagavond in Tokio. Terwijl Misato een lang bad neemt en nog even welterusten zegt voordat ze gaat slapen, schenkt Kumi een glaasje sake bij.


Een selectie van foto’s van de reis door Japan is hier te vinden: groepsdeel, solodeel en portretten.